Hoewel ballet niet mijn meest favoriete kunstvorm is, heb ik Hans van Manen altijd een bijzondere man gevonden. Als ik homoseksueel was geweest, had ik een partner willen hebben zoals Van Manen: strak, lenig tot op hoge leeftijd en altijd helder formulerend. Dat laatste is beslist geen usance in balletwereld, maar Hans van Manen zei het onomstotelijk: ‘Dans drukt dans uit en verder niets.’ Een waarheid als een koe, maar je zult ze de kost moeten geven die in de dans een spirituele diepte ontwaren van heb ik jou daar. Voor verdere uitleg van zijn no-nonsense existentialisme verwijs ik naar het prachtige HP-interview met Van Manen uit 2016.
De dood van Hans van Manen geeft mij de gelegenheid een kleine anekdote te vertellen. Ik moet hierbij op mijn geheugen afgaan, want noch de uitzending noch het stukje dat ik daar overschreef, valt op internet terug te vinden – en dat is best bijzonder in een tijd dat ChatGTP alles voor je opzoekt. De uitzending die ik bedoel moet ergens in 1982 of 1983 hebben plaatsgevonden. Adriaan van Dis interviewde in zijn roemruchtige programma Hans van Manen. Veel Van Dis staat op YouTube, maar dat gesprek niet. Mijn stukje moet zich ergens in de NRC-archieven bevinden, maar ook dat bleef voor mij onvindbaar.
Niettemin herinner ik mij dat Van Manen tegenover Van Dis opmerkte dat werkelijk grote kunst ‘nooit anekdotisch’ kan zijn. Grote kunst is universeel, zij stijgt juist uit boven de anekdotische ervaring. Tegen die opmerking maakte ik bezwaar. Misschien, zo schreef ik ongeveer, is zoiets waar voor een non-verbale kunstvorm als dans, maar voor de literatuur geldt die stelling zeker niet. Ik ken verschillende grote schrijvers – althans zo beschouw ik ze – wier werk zich juist kenmerkt door een anekdotische manier van vertellen. Tsjechov is zo’n schrijver en Tolstoi eigenlijk ook. Beiden kun je toch aanmerken als grote schrijvers. In Nederland heb je Karel van het Reve, die misschien niet zo’n grote is als zijn broer Gerard, maar toch heel groot.
Karel vertelt in zijn boeken zelfs moppen, wat in de literatuur helemaal not done is, zoals deze die in Polen speelt in de tijd van het communisme: een man wordt in een kerk rechtop zittend aangetroffen, terwijl de gemeente juist knielt.
‘Waarom knielt u niet?’, vraagt de pastoor.
‘Ik ben atheïst!’.
‘Wat doet u dan in de kerk?’
‘Ik ben tegen de regering!’
Geen schrijver kan eigenlijk zonder anekdotes. De anekdote is noodzakelijk om het verhaal levendig te houden en de personages menselijk. Dat schreef ik allemaal in dat stukje dat nog moet bestaan, maar dat ik niet terug kan vinden.
Als hij een hoed had gehad, had hij hem afgenomen, maar ook zonder hoed verliet hij als een voornaam man de kaaswinkel.
Dit gezegd zijnde moet ik over Van Manen een kleine anekdote vertellen. Een tijdje woonde hij bij mij om de hoek. Op straat kwamen wij elkaar wel eens tegen en dan groetten wij elkaar als vage kennissen, maar met elkaar spreken deden wij nooit. Tot die keer dat ik even verderop de kaaswinkel van NAN binnenstapte. Een begrip in Amsterdam-Zuid. Daar stond Hans van Manen voor de toonbank, waarin de lekkerste kazen uitgestald lagen. Volgens het HP/De Tijd-interview mag hij geen grote eter zijn geweest, maar wat hij at moest lekker zijn – dat werd me duidelijk, toen Van Manen met kennis van zaken de ene na de andere lekkernij aanwees.
Toen hij klaar was met zijn bedrijf en alles keurig verpakt in een grote tas werd gedaan – waaraan ook nog een paar mooie flessen wijn werden toegevoegd – draaide hij zich om en zag mij staan. Er viel even een stilte.
‘U bent toch mijnheer Pam?’, zei hij.
Dat beaamde ik.
‘U heeft misschien toch gelijk. Dat wilde ik even zeggen.’
Als hij een hoed had gehad, had hij hem afgenomen, maar ook zonder hoed verliet hij als een voornaam man de kaaswinkel. Te verbluft om een woord te zeggen bleef ik achter. Hij vond dus eigenlijk, heel misschien, dat ik gelijk had. Als columnist had ik toen al oneindig veel reacties gekregen, de meeste negatief omdat je gram halen de ingezonden brievenschrijver eigen is, maar dat iemand mij op zo’n manier gelijk gaf, had ik nog niet eerder meegemaakt. Heel verlichtend en heel vreemd. Achter hem staande, terwijl hij juist een camembert en een roquefort uitzocht, had juist de tegenovergestelde gedachte in mijn brein post gevat: misschien heeft hij gelijk en is Karel van het Reve toch niet zo groot schrijver.






