Het lijkt goed nieuws dat de politiek zich niet meer zo intensief bemoeit met het onderwijs, maar schijn bedriegt. Er is nog steeds een hechte kliek van experts, adviseurs, bestuurders en vakbondsbestuurders die een ijzeren en funeste greep op het onderwijs hebben. Propagandisten die de ideologie van ‘het Nieuwe Leren’ aanhangen, en die een onderwijssysteem met ‘het zelfstandig lerende kind’ als het ware paradijs beschouwen. Weg met de elementaire kennis, hoera voor het onderzoekend leren en voor het kind dat zelf zijn leermoment, lesstof en onderwijzer kiest! Ouders en leraren staan nog steeds buitenspel. Onderwijskenners zijn er dan ook bepaald niet gerust op dat het nu beter zal gaan. De ‘duivelskring’ van de onderwijsvernieuwers moet eerst worden doorbroken, vindt Ad Verbrugge, oprichter van Beter Onderwijs Nederland. “Als de politiek niet hard optreedt, is het rapport een zeperd,” stelt leraar, lerarenopleider en publicist Ton van Haperen. En de Groningse hoogleraar onderwijzen en leren Greetje van der Werf: “Ik ben er niet gerust op dat Dijsselbloem de scholen de vorm wil laten bepalen. Als hij met de scholen de schoolbesturen bedoelt, verandert er niets.”
De ‘duivelskring’ van Verbrugge is inderdaad alive and kicking. Het is een voor buitenstaanders lastig te doorgronden wereldje, dat zich bedient van ondoorgrondelijk jargon. Het is een kleilaag met een baantjesmachine, waarbij een klein kliekje gelijkgestemden voortdurend stuivertje wisselt: dezelfde personen duiken afwisselend op als ambtenaar, bestuurder, adviseur, politicus of onderzoeker. Om het helemaal in beeld te krijgen, zou een tweede parlementaire enquête nodig zijn, maar een beknopt overzicht van hun machtsbastions is hier wel te geven: ze zitten in pedagogische centra, commerciële adviesbureaus, de onderwijsraden, adviescommissies, schoolbesturen en de pedagogische academies. Wij belden met bijna tien onderwijscritici, zochten internet af en vonden een aantal hoofdrolspelers en invloedrijke instituten.
Het ergst zijn misschien wel de pedagogische centra, die het Nieuwe Leren als zendelingen verspreiden over de scholen. Er zijn er drie in het keurig verzuilde Nederland: het Katholiek Pedagogisch Centrum, het Protestants Pedagogisch Centrum en het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum. Een van de kanonnen van dat APS is Alex van Emst, ook wel de vader van het ‘natuurlijk leren’ genoemd, ofwel ‘sociaal constructivisme’, ofwel ‘leren volgens het Paradigma B’.
Een bezoekje aan de website van APS maakt direct duidelijk waarom de liefhebbers van degelijk onderwijs zich nog steeds ernstig zorgen maken. Zo geeft het APS cursussen over HartFocus, een theorie die stelt dat ‘het hart een autonoom neuronaal netwerk heeft dat kan leren, onthouden en zelfs zintuigelijke waarnemingen kan opslaan’. Daar gaat belastinggeld naar toe. Het APS geeft ook een cursus Creërend leidinggeven, waarin schoolleiders aan de slag kunnen met de vier elementen water, vuur, lucht en aarde (dezelfde theorie lag ten grondslag aan het aderlaten.) Het ministerie motiveert scholen om docenten cursussen over nieuwe leermethoden te laten volgen bij de gesubsidieerde pedagogische centra. Daar krijgen die scholen dan weer subsidie voor. “Een vorm van koppelverkoop,” zegt Ko Traas, hoofdredacteur van onderwijsblad Amfora. Het mag geen verrassing zijn dat deze bijscholingscursussen ook in het teken staan van het alternatieve onderwijs. Zo herinnert publicist en voormalig rector Jan Blokker jr. zich dat de opleiding voor middenmanagement aan de voormalige Hogeschool Holland, nu InHolland, waar hij werd bijgeschoold voor decaan, doordrongen was van de ideologie van het zelfstandig werken, oftewel het Nieuwe Leren.
APS gaat naar eigen zeggen ‘behoorlijk groeien want er is een toenemende vraag naar onze dienstverlening’. Zo gaan ze achtduizend ABN Amro-medewerkers die moeten afvloeien, testen op geschiktheid voor het onderwijs.
APS leurt ook met het boek Anders kijken van Nijs Lagerweij en zijn partner Janna Voogt. Zij dramde er als ‘procesmanager’, verantwoordelijk ambtenaar op het ministerie, in de jaren negentig de basisvorming door. Hoogleraar Lagerweij verweet ouders destijds de belangen van hun kinderen boven het collectieve ideaal te stellen. Het koppel runt tegenwoordig adviesbureau Edu Design, ‘gericht op het bevorderen van leerprocessen bij mens en dier’. Ook andere voormalige procesmanagers hebben de weg naar de consultancy gevonden. Begin jaren negentig benoemde Jacques Wallage, de toenmalige staatssecretaris van onderwijs, Rein Zunderdorp tot procesmanager basisvorming. Hij kende Zunderdorp nog van de Groningse PvdA, net als de grote goeroe van het Nieuwe Leren, Clan Visser ’t Hooft. Zunderdorp heeft nu zijn eigen adviesbureau, waar ook andere ex-onderwijsambtenaren werken.
De puur commerciële adviesbureaus die scholen begeleidden bij de wende van oud naar nieuw onderwijs en bij het trainen van docenten in nieuwe lesmethoden waren gebaat bij zo veel mogelijk verandering. Geen wonder, nieuwe leerplannen waren brood op de plank. Vooral in de jaren tachtig, toen de schaalvergroting werd doorgevoerd, hadden de adviseurs veel werk. Traas: “Er ontstonden veel conflicten, de rector moest wijken en dan werden de bureaus ingeschakeld om een nieuwe kandidaat te vinden. Dat duurde soms jaren.”
Niet zelden zijn het voormalige bestuurlijke bonzen uit de onderwijswereld die aan het hoofd staan van dergelijke bureautjes. Ton van Haperen: “De onderwijswereld bestaat voor honderd procent uit nepotisme en inteelt. Het is schandalig.” Als bestuurders van onderwijsinstellingen maakten deze onderwijsbobo’s zich sterk voor het Nieuwe Leren. Als zelfstandig ondernemers verdienen zij hun brood met het uitvoeren van de door henzelf gepropageerde leerinzichten. Een voorbeeld van de ‘duizendpoten’ die de onderwijswereld rijk is, is Pieter Hettema, voormalig directeur van de VO-raad en Schoolmanagers-VO en ex-directeur van een scholengemeenschap in Amsterdam, nu zelfstandig adviseur vanuit zijn bureau Publiek Leiderschap. Verder vervult hij bestuurlijke adviesfuncties en commissariaten. Voormalig voorzitter van het College van Bestuur van ROC ASA, een mbo te Amersfoort, Leo Lenssen trad toen hij voorzitter-af was op als adviseur van datzelfde bestuur.
In dezelfde periode, begin jaren negentig, dat Wallage Zunderdorp aanstelde, benoemde hij ook zijn partijgenoot, de onderwijssocioloog Han Leune, tot voorzitter van de invloedrijke Onderwijsraad. Een berucht citaat: “De overheid moet een eigen beleid voeren en ernaar streven de vernieuwingsbereidheid onder leraren te vergroten door middel van verplichte her- en bijscholing.” Dat doet stalinistisch aan, en zo was het klimaat ook. Bart Tromp, een van de weinige PvdA’ers die hun gezonde verstand bleven gebruiken, schreef al in 1993 in Het Parool: “Zolang onderwijshervormingen over de hoofden van degenen die onderwijs geven worden bedacht en ingevoerd, zolang dat gebeurt op de manier waarop Sovnarkom de Sovjetrussische graanoogst plande, zolang zal het resultaat van die hervormingen vergelijkbaar zijn met de graanoogsten in de voormalige Sovjet-Unie.” Net als in de Sovjet-Unie was er een intens wantrouwen tegen vakkennis: de juiste instelling was veel belangrijker. Dat is bij clubs als APS nog steeds te zien; zij gaan ervan uit dat het leren van feiten niet belangrijk is, omdat die toch binnen drie jaar verouderen.
Ook de onderwijsdeskundigen, vaak afgestudeerde sociologen zonder onderwijservaring, tonen zich al decennialang discipelen van nieuwerwetse onderwijsideeën. Het was onderwijskundige Winand Wijnen van de Universiteit Maastricht die het Nieuwe Leren vanuit de VS in de jaren zestig in Nederland introduceerde. Hij fluisterde zijn visie, die aanvankelijk nauwelijks wetenschappelijk onderbouwd was, eerst in bij onderwijsminister Jo Ritzen. Later raakten toenmalig staatssecretaris Nel Ginjaar-Maas, nu voorzitter van de Adviescommissie Onderwijs Arbeidsmarkt en lid van de Onderwijsraad, en staatssecretaris Jacques Wallage, inmiddels burgemeester in Groningen, in de ban van het Nieuwe Leren. Hoogleraar didactiek in digitale context Robert Jan
Simons zorgde vervolgens voor het wetenschappelijke sausje, en Wallage formeerde een stuurgroep waarin Wijnen, Ginjaar-Maas en voormalig rector Clan Visser ’t Hooft, zitting namen. De stuurgroep bewerkstelligde de invoering van de tweede fase in het studiehuis.
Visser ’t Hooft stond bekend om haar zweverigheid. Zo maakte ze zich onsterfelijk door een seminar over onderwijs in te leiden met een yoga-oefening. De onderwijsdeskundigen hebben zich een vaste plek verworven op het ministerie van Onderwijs. Ko Traas: “Vroeger zaten daar juristen die toezagen op het naleven van regels. Nu zitten er deskundigen die roepen: ‘We moeten niet langer frontaal lesgeven, de leerlingen moeten in een kringetje rond de docent zitten’.”
Het zal nog minstens een generatie duren voordat dat kringetje weer een rij schoolbanken wordt. De lerarenopleidingen zijn vanaf de jaren zeventig geheel overgoten door het Nieuwe Leren. De opleidingen leveren adepten af die niet anders kunnen dan lesgeven volgens nieuwerwetse leerplannen. Deze docenten houden zich nu weliswaar stil, maar de kans is klein dat zij zich zullen voegen naar het rapport-Dijsselbloem.
En dan zijn er nog de onderwijsraden waarin de bestuurders van scholen zitting hebben. Ook zij zijn doordesemd van de hedendaagse onderwijsopvattingen. Voorzitter Sjoerd Slagter van de VO-raad bijvoorbeeld heeft zo zijn eigen gedachten over ‘die snel van kleur verschietende zee die “onze postmoderne tijd” is’. Hierin is een docent die feitenkennis verlangt van zijn leerlingen passé. Of in de woorden van Slagter: “De traditionele leraar met zijn ‘eurocentrische, westerse ideeën’ kan niet meer de stuurman zijn op het wankele bootje van de leerling.” (Citaat van de website Beter Onderwijs Nederland.) Inmiddels roept voorzitter Slagter dat hij achter het rapport-Dijsselbloem staat, wat hem de bijnaam ‘draaikont’ heeft bezorgd. Volgens onderwijsexpert Leo Prick zitten de bestuurders van VO-raad, HBO-raad en PO-raad er vooral voor zichzelf. “Het zijn clubs die de belangen van de bestuurders behartigen; dat is ontzettend tragisch, ze zitten er niet voor de sector.”
Zelfs de onderwijsvakbond Algemene Bond voor Onderwijzend Personeel (ABOP) sloot zich aan bij de sektarische onderwijsideologen. Voormalig vakbondsleiders Ella Vogelaar, nu minister van Wonen, Wijken en Integratie, en haar toenmalige opvolger Jacques Tichelaar, inmiddels fractievoorzitter van de PvdA, krijgen van vele kanten het verwijt meer mee te kletsen met de onderwijsdeskundigen dan hun achterban te vertegenwoordigen. “De vakbonden zitten altijd bij de politiek op schoot,” stelt Leo Prick. Neem bijvoorbeeld Marleen Barth. Ze schreef bij Trouw over onderwijs, deed als Tweede-Kamerlid enthousiast mee met de onderwijsvernieuwingen en zit nu bij de onderwijsbond. Vogelaar was zelfs rechter in de leer dan Jacques Wallage. In 1991 sneerde ze naar de staatssecretaris over de basisvorming: “Hoe voelt het nou om zo’n slap aftreksel te moeten presenteren?”
De commissie-Dijsselbloem meent dat de overheid zich bij het verbeteren van het onderwijs alleen nog moet afvragen ‘wat’ beter moet. Het ‘hoe’ mogen we overlaten aan de uitvoerders. Maar dat is een wel erg optimistische, om niet te zeggen naïeve gedachte. Om het onderwijs ten goede te keren, moet de kleilaag aan diggelen. Hoog tijd dat minister Ronald Plasterk wel tijd vrijmaakt voor de ‘hoe’-vraag, bijvoorbeeld door het formuleren van kwaliteitseisen. Het overdragen van kennis moet weer centraal komen te staan, en de invloed van de onderwijsbobo’s moet worden teruggedrongen. Een scherpe bijl verdient daarbij aanbeveling.






