Column Frank Heinen: Zondag

De Haagse Post bestaat 100 jaar, en ter gelegenheid van dit unieke journalistieke jubileum werd 9 december jongstleden in De Balie in Amsterdam de HP-Eeuwprijs uitgereikt. De deelnemers aan deze columnistenwedstrijd moesten zo treffend mogelijk een ‘Verhaal van alledaagse waanzin’ beschrijven, naar een rubriek die begin jaren tachtig een stilistisch memorabel onderdeel was van de Haagse Post. De komende weken publiceren we op onze website de inzendingen. Na de bijdrages van Hans JansenTon van Dijk en Emma Brunt, nu Frank Heinen.

Iedere zondag zit hij voor het raam. In zijn hand heeft hij een geplastificeerde, gedateerde foto van haar, waarop het lijkt alsof ze uit haar humeur is, maar zo kijkt ze gewoon. Als zij dan, geflankeerd door twee grote tassen vol schone truien het pad op gelopen komt, schenkt hij haar een lachje dat met het blote oog nauwelijks waarneembaar is.

Sinds een tijdje zit hij in een rolstoel, die hij voortbeweegt door z’n voeten over de grond te bewegen. Vroeger, ja… Vroeger liep hij harder dan wie dan ook, maar dat gaat niet meer. Veel dingen die vroeger nog lukten, gaan niet meer.

Maar dat geldt niet alleen voor hem. Met haar komt ook de buitenlucht mee naar binnen. Een frisse, niet onaangename lucht. Als ze hem zoent, drukt haar koude neus in z’n wang. Hij ziet hoe ze iedereen gedag zegt. Aan de andere kant van het glas zit een vogel op de stoep. Hij houdt van dieren, hij houdt van alle kleine wezens. Lammetjes, kinderen, dwergen.

Er was een poes, maar die is dood. Op zijn kamer staat nog een foto in een lijstje, een foto van toen de poes al ziek was. Een foto is niet zacht, een foto zet z’n nagels niet in je handen.

Opeens duwt iemand zijn rolstoel voort, door de cleane gang. Omdraaien heeft geen zin, protesteren evenmin, dus doet hij maar niets.

Naast de deuren in de gang hangen foto’s en namen.
Hij wordt de deur naast zijn foto binnengeduwd, de kamer in.
De donkerblauwe gordijnen zijn tot halverwege de ramen naar beneden gerold.
Samen hangen ze zijn schone truien in de kast. Zij helpt hem uit de stoel, haar linkerhand drukt in zijn rug, hij wankelt, maar valt niet.

Soms, als zijn voeten niet meewerken, valt hij wel. Vroeger kon hij dan zijn handen uitsteken, zijn val breken. Maar dat gaat al lang niet meer. Zij haalt de hangers uit de tassen, rijgt ze aan de hangers en drukt de hangers tussen zijn vingers. Het enige wat hij hoeft te doen, is knijpen en de krul van de hanger aan de ijzeren stang in de kast te haken.

Soms mist hij er eentje, die hangt zij dan op.
Als alle truien hangen, trekken ze samen zijn jas aan. De voering werkt tegen, z’n gebalde vingers duwen tegen een opening die er niet is. Wanneer hij warm aangekleed is, rijdt zij hem naar de gang. Dan verdwijnt ze weer even, waarheen weet hij niet. Hij staart naar de lamp aan het plafond, die nu weer hele dagen brandt.

Samen ronden ze de wandeling om het meertje naast de instelling. Af en toe hapert de rolstoel, dan ligt er zand op het pad. Of een stokje tussen de spaken. Bij aankomst in de kantine wrijft zij zijn handen warm en duwt haar koude neus nog eens in z’n wang, die rood is van de buitenlucht.

Ze opent een rugzak, ze legt een muffin op tafel, een bakje frambozen. Terwijl hij met een vork in de chocola prikt, volgen zijn ogen de koplampen in het bos. Pas als de koffie voldoende is afgekoeld, mag hij wat drinken. Terug op de groep loopt hij zijn rolstoel naar het raam en kijkt naar de wind.

Als zij zwaait, ziet hij het niet, of hij doet alsof.