Eva Rovers: ‘Na twee biografieën is het tijd voor mijn eigen stem’

Eva Rovers (38) won met haar biografie De eeuwigheid verzameld Helene Kröller-Müller 1869-1939 de Erik Hazelhoff Biografieprijs 2012. Recent verscheen van haar de onthullende biografie Boud: het verzameld leven van Boudewijn Büch. Een gesprek over waarheid, leugens en oordelen. “Begrijpen is niet hetzelfde als goedkeuren, net zo min als uitleggen hetzelfde is als goedpraten.”

U schreef de biografieën De eeuwigheid verzameld en Het verzameld leven van Boudewijn Büch. Waar komt uw fascinatie voor verzamelen vandaan?
“De overeenkomst tussen deze twee personen is eigenlijk toevallig. Tijdens het schrijven aan het boek over Helene Kröller-Müller had ik niet het plan om nóg een boek over een verzamelaar te schrijven. Toen ik met het onderzoek naar Büch begon en steeds meer over zijn manier van verzamelen te weten kwam, zag ik wel een duidelijke parallel. Het zijn allebei mensen die eigenlijk niet goed kunnen aarden in het leven en daarom een eigen wereld creëren met behulp van hun verzameling. Bij de een zijn dat schilderijen en bij de ander zijn dat boeken, maar het motief is hetzelfde.”

Zoals de titel aangeeft verzamelend Büch letterlijk zijn leven bij elkaar. 
“Hij sprokkelde overal verhalen vandaan. Die gebruikte hij voor zijn boeken, maar ook om zijn leven meer kleur te geven, waardoor dat leven een soort collage van verhalen werd. Hij moest die verhalen vertellen, net zoals hij móest verzamelen. Beide hielpen hem om grip te krijgen op het leven. Helene Kröller-Müller was veel rationeler. Ze had een duidelijk doel voor ogen met haar verzameling, namelijk een monument voor cultuur nalaten. Het ging haar om de verzameling als geheel: ze werd niet geleid door een jachtinstinct dat haar van de ene aankoop naar de volgende dreef. Büch had dat wel. Zijn verzamelwoede kwam veel meer uit emotie voort. Hij rustte niet voordat hij een bepaald boek in zijn bezit had.”

Heeft u meer overeenkomsten ontdekt?
“Het waren allebei liefhebbers van Goethe. Beide op een heel andere manier. Bij Büch was dat pure heldenverering, terwijl het voor Kröller-Müller meer een intellectuele exercitie was. Zij ontdekte Goethes werk toen zij in Düsseldorf op de middelbare school zat: dat behoorde tot de Bildung van ieder kind. Haar leven lang hield zij een fascinatie voor hem, wat wel blijkt uit de vele aantekeningen en overdenkingen over Goethe in haar dagboeken en brieven.”

Hier vertelt Eva Rovers over Helene Kröller-Müller.

In NRC vond u een vacature waarin werd gezocht naar een biograaf voor Boudewijn Büch. Waarom hebt u gereageerd? 
“Er was na de dood van Büch zoveel over hem gezegd en geschreven, maar het was naar mijn idee allemaal nogal eenzijdig en oppervlakkig. Ik wilde het hele verhaal vertellen. In die vacature stond dat de biograaf exclusief toegang zou krijgen tot het persoonlijk archief van Büch, dat eigenlijk tot 2030 gesloten zou zijn. Dat is voor een biograaf natuurlijk een geschenk uit de hemel. Zijn dagboeken en brieven geven een beeld van zijn drijfveren, ook al – of juist omdat – omdat hij zelfs daarin de werkelijkheid fictionaliseerde. Via die bronnen zie je hoe hij zijn leven vormgaf door verhalen te vertellen, hoe hij van zichzelf een personage maakte. Op die manier kan je iemand meer doorgronden dan door alleen alle verzinsels op een rijtje te zetten.”

Moet je niet een beetje gek zijn om aan zo’n project te beginnen?  
“Haha, ik weet het niet. Iemand die vijf jaar lang met een overleden persoon leeft, zal redelijk afwijken van het normale. Er zijn mensen die überhaupt niet snappen wat je in een archief te zoeken hebt. Ik vind het steeds opnieuw een ontdekkingstocht. Al die mappen en dozen die je opentrekt, niet wetende wat je tegenkomt. Je bent detective, psycholoog en schrijver. Al die facetten van jezelf worden aangesproken tijdens zo’n zoektocht.

Bent u uit op de kick die een ontdekking oplevert? 
“Ik ben vooral nieuwsgierig. Wat speelt zich in zo’n hoofd af? Wat bezielt iemand? Anderen lezen slechts het eindresultaat, maar de tocht daarnaartoe vind ik interessanter. Stapsgewijs loop je iedere dag verder een leven in. Hoe iemand zich ontwikkelt, waar de verbanden liggen en hoe tegenstrijdigheden in een karakter zich uiten. Waar gekte zich schuilhoudt. Er zijn mensen die kicken op de scoop, om te delen en snel te scoren. Dat heb ik totaal niet, mijn kick zit in het doorgronden van een persoon.”

Boudewijn Büch tijdens het televisieprogramma Waku Waku. ANP/Herman Pieterse

Welke vraag heeft u zich gesteld, voordat u begon aan uw onderzoek naar Büch? 
“Na zijn de dood ontstond al snel een beeld van hem als dwangmatige leugenaar. Maar waarom hij die leugens vertelde? Die vraag werd nooit gesteld. Hij verzon bijvoorbeeld een zoon en liet die vervolgens overlijden. Ja, vreselijk inderdaad. Maar de enige conclusie die men daaruit trok was: ‘Hij was een leugenaar. Einde verhaal.’ Maar een kind verzinnen en laten overlijden lijkt mij toch net iets te gecompliceerd en extreem om zo simpel af te doen. Daar zit een veel groter verhaal achter. Dat verhaal wilde ik vertellen.”

Was het moeilijk om u een weg te banen door zijn labyrint van waarheid en leugens?

“Natuurlijk duurde het even om inzicht te krijgen in het spel dat hij speelde. Iedereen die ik sprak had zijn of haar eigen Büch, en ook in zijn persoonlijke archief had hij veel verschillende gezichten. Maar op een gegeven moment ga je de patronen zien. Moeilijker was het vastgeroeste oordeel over Büch. ‘Maar hij was toch gewoon een leugenaar?’ Büch heeft zijn jongensdroom om een beroemd schrijver te worden tot de uiterste consequentie nagestreefd; hij vond zichzelf opnieuw uit, wat hem inderdaad succes bracht, maar niet zozeer erkenning als schrijver.”

“Hij stootte mensen van zich af die achter zijn masker dreigden te kijken en werd uiteindelijk een romanpersonage die van zichzelf vervreemdde. Dat is interessant en tragisch, maar niet in een makkelijke oneliner te vatten. Vooral in de media vindt men het etiketje ‘leugenaar’ dan toch handiger: dat is overzichtelijk en eenduidig. Alsof een mensenleven dat überhaupt kan zijn”

Helene Kröller-Müller leefde van 1869 tot 1939. U kon daarom minder ooggetuigen spreken en minder interviews afnemen dan bij Büch. Was Kröller-Müller in die zin makkelijker te omschrijven? 
“Op een bepaalde manier wel. Het maakt veel uit of je te maken hebt met mensen die nog een sterke emotionele band met iemand hebben of niet. Zij koesteren een bepaald beeld van die persoon, maar dat beeld strookt niet altijd met de andere facetten uit dat leven. Ik sprak voor mijn onderzoek naar Büch met ruim 150 mensen, terwijl ik bij Kröller-Müller nog slechts met drie kleindochters en een enkele oud-medewerker kon spreken. Zij waren al ver in de 90 en hadden nog enkele herinneringen. Natuurlijk voelden zij emoties bij die herinneringen, maar het is anders wanneer het gaat om iemand die je jarenlang goed denkt te hebben gekend en die bovendien pas redelijk recent is overleden. De herinnering heeft voor hen dan een veel zwaardere lading.”

En was het moeilijk om een beeld te krijgen van haar jeugd in de negentiende eeuw? 
“Nee, totaal niet. Helene was ook in die zin gemakkelijker, omdat zij zulke uitgebreide en behoorlijk betrouwbare brieven schreef. Ik kon meegaan in haar gedachtegang. Haar beschrijvingen waren meer gedetailleerd dan die van Büch. Ze beschreef hoe haar dag was, wat ze meemaakte en met wie ze sprak. Door die beschrijvingen had ik minder moeite om me in te leven. Bijvoorbeeld hoe het was om als Duitse tijdens de Eerste Wereldoorlog in het neutrale Nederland te leven. Op Kröller-Müller maakte die periode een diepe indruk, zozeer dat zij zich weer volkomen Duits voelde en zich voornam om met haar museum een beetje Duitse trots in Nederland te planten. Die emotionele ontwikkeling beschreef ze heel helder.”

Eva Rovers in 2013. (Foto: Eva Rovers)

Eind vorig jaar besprak Maarten ‘t Hart uw biografie over Boudewijn Büch. Hij zei: ‘Eva is tijdens het schrijven gaandeweg verliefd op hem geworden.’ 
“Haha, nou integendeel. Nee, ik vond hem zeker charmant, maar gaandeweg bleek hij een moeilijke man, voor zichzelf en voor zijn omgeving. Hij had geen zelfreflectie en werd met de jaren steeds starder. Maar ik begrijp wel waarom hij zich zo ontwikkelde, daar zat ook de tragiek van zijn leven. Misschien vinden mensen het ongemakkelijk dat ik als jonge vrouw een boek schrijf over een man: ‘Dan moet ze wel verliefd zijn’. Kortzichtig, maar dat is misschien een oudemannenkwaaltje, haha.”

Volgens ’t Hart ontdekt u dat zijn verhalen op allemaal leugens zijn gebaseerd, maar praat u die goed: ‘Alles wat hij slecht gedaan heeft wordt gewoon vergoelijkt’.
“Dat is zijn interpretatie. Andere recensenten prijzen het boek juist vanwege de objectieve blik. De reacties lopen sowieso sterk uiteen: de een vindt het ontroerend, de ander hilarisch, weer een ander moet het boek wegleggen omdat hij het allemaal zo verschrikkelijk vindt en weer anderen interpreteren het inderdaad als goedpraten van mijn kant. Ik denk dat die laatste groep liever had gelezen dat ik met opgeheven vingertje had gezegd: ‘Foei Boudewijn, dat mag je niet doen!’ Dat heb ik met opzet niet gedaan, maar dat betekent niet dat ik het allemaal goedkeur.”

“Hij heeft best wat rotstreken uitgehaald, men hoopt misschien dat ik als biograaf daarover mijn afkeur laat blijken. Maar dat vind ik niet de taak van de biograaf. Iedere lezer moet zijn eigen oordeel kunnen vellen. Dat gebeurt nu afgaande op die uiteenlopende reacties, dus mijn opzet is geslaagd.”

Maar het zijn niet de minste onderwerpen waar hij over loog. Pedofilie, kanker, homoseksualiteit, een overleden zoon.  
“Het was een oefening voor mij dit niet te veroordelen. Als iemand liegt over het hebben van kanker, dan is het voor mij nogal moeilijk om er geen oordeel over te vellen. Je bent niet goed bij je hoofd, heb ik vaak gedacht. Maar meteen vroeg ik me dan af: waarom doet iemand dat? Hij had een wanhopige, misschien zelfs klunzige manier om aandacht en liefde te vragen. Voor hem was dat nooit genoeg. Daarom moesten die verhalen steeds mooier worden, zodat hij zich verzekerd wist van de compassie van zijn omgeving. Naar dat soort mechanismen ben ik nieuwsgierig, die wil ik begrijpen en aan de lezer laten zien. Begrijpen is niet hetzelfde als goedkeuren, net zo min als uitleggen hetzelfde is als goedpraten.”

Zijn er onderwerpen waar u niet over hebt willen schrijven?
“Ik heb geen onderwerpen vermeden omdat ze aanstootgevend zouden zijn. Dat moge duidelijk zijn. Ik schreef namelijk een heel hoofdstuk over Büchs vermeende pedofilie. Nee, je moet alles vertellen, hoe ongemakkelijk het ook is. Tenminste, als het relevant is voor het verhaal. Er zijn natuurlijk talloze anekdotes die ik graag had willen vertellen, maar dan was het een veertiendelige encyclopedie geworden en dat komt het inzicht niet ten goede. De essentie wordt vaak pas duidelijk als je niet te veel opschrijft, anders verdwijnt iemand achter een haag van details.

Wanneer weet u of iets relevant is voor het verhaal?
“Dat weet je niet altijd. Als biograaf sta je midden in het verhaal. Je ziet vaak pas na verloop van tijd welke verhaallijnen relevant zijn. Schrijven is schrappen: veel alinea’s en anekdotes zijn gesneuveld omdat ze later een zijpad bleken te zijn. Ieder zin is een keuze. Op basis van mijn onderzoek bepaal ik als biograaf wat ik relevant acht voor het verhaal: wat dat betreft blijft het een subjectieve keuze.”

“Een andere biograaf zou ongetwijfeld andere keuzes maken. Het was bijvoorbeeld onmogelijk om alle geïnterviewde personen aan het woord te laten in het boek, dus daar maak je al een keuze in. Büch heeft veel vriendinnen gehad. Hoe mooi die verhalen ook zijn, ik kan niet steeds opschrijven hoe hij ze het hof maakte en ze bezong in gedichten om vervolgens een punt achter die relaties te zetten. Je pakt een paar voorbeelden uit verschillende periodes van zijn leven, om zo een representatief beeld te geven.”

Wim Hazeu vertelde me dat er een bepaalde mate van levenservaring nodig is om een biografie te schrijven. Dat je moet weten hoe emoties als verdriet, een gebroken hart of depressie voelt. Een 20-jarige zou daar minder goed toe in staat zijn. 
“Je kan het ook omdraaien en zeggen: hoe ouder je wordt, hoe meer je vastraakt in je eigen overtuigingen. Het gaat volgens mij meer om inlevingsvermogen en een open geest. Je hoeft niet iedere situatie zelf meegemaakt te hebben om hem te begrijpen of na te voelen. Dan zou je als man ook niet over feminisme kunnen schrijven. Je hebt toch inlevingsvermogen en algemene ontwikkeling? Het heeft in ieder geval weinig met leeftijd te maken. Toen ik aan Kröller-Müller begon was ik 27, en zeiden mensen: daar ben je veel te jong voor. Eenmaal klaar met het boek was er niemand meer die daarover viel.”

Büch was een fervent boekenverzamelaar. Welke boeken hebben uw beeld van de wereld beïnvloed? 
“Het oeuvre van Michel Houellebecq, de schrijver van onder andere Elementaire Deeltjes en De wereld als markt en strijd. Briljante boeken. Ik bewonder het werk van Virginia Woolf en haar stream of consciousness-techniek. De manier waarop zij personages beschrijft is ongelooflijk knap. Zij kruipt echt in de huid van haar personage, iets wat een biograaf eigenlijk ook doet. Virginia Woolf zei: ‘Een biografie schrijven is het graniet versmelten met de regenboog’. Daarmee bedoelt ze dat de harde feiten verweven moeten worden met de verbeelding die nodig is om een verhaal te vertellen. Een goede omschrijving. Een biografie blijft gebaseerd op feiten, dus ik verzin er niks bij. Maar de manier waarop je die feiten opschrijft, maakt veel uit voor de strekking van het verhaal. Je kan feiten droog opsommen, maar je kan ze ook zeggingskracht geven door middel van je stijl.’’

In een interview met Theodoor Holman vertelde u te zijn begonnen aan The Fountainhead van Ayn Rand.
“Dat boek is absoluut in mijn top drie gekomen. Inmiddels ben ik bezig in Atlas Shrugged van dezelfde auteur. Ik moest een vervolg hebben op dat geweldige boek, zevenhonderd pagina’s was bij lange na niet genoeg.”

Volgens veel mensen is het boek een pleidooi voor egoïsme.
“Dat is het, maar niet zoals egoïsme meestal wordt opgevat. Ik denk dat veel van die mensen het boek niet hebben gelezen.  Zij kennen vooral de discussie over dat boek en haar oeuvre als geheel, de reputatie dus – niet het werk zelf. The Fountainhead is een boek over creativiteit, karakter en het belang van oorspronkelijkheid in iemands werk. Niet met de massa meegaan en je niets aantrekken van wat men van jou of je werkt denkt. Ga te werk vanuit je eigen ‘eeuwige bron’, is de krachtige boodschap van dat boek. Ayn Rand wordt gezien als de godmother van het neoliberalisme. Als ik iets verwerpelijk vind is dat het wel, mede daarom ben ik het gaan lezen, omdat ik het zelf wilde kunnen beoordelen. En echt, The Fountainhead is een pleidooi voor vrije geesten, ongeacht of je financieel of maatschappelijk geslaagd bent.”

Ik vroeg u twee jaar geleden tijdens een gesprek wat een eventuele geschikte ondertitel voor ‘Eva Rovers, de biografie’ zou zijn.
“Haha, wat zei ik ook weer?”

‘De Parasiet’, u vond dat een biograaf ten koste van zijn onderwerp leefde. Hoe zou uw biografie nu heten? 
“Dat is een lastige. Net als toen verbeeld ik me niet dat er ooit een biografie over mij zal verschijnen. Het zou in ieder geval niet meer ‘De Parasiet’ gaan heten, omdat ik weet dat mijn volgende boek geen biografie zal zijn. Misschien na twee of drie boeken weer. Ik wil graag andere genres beoefenen. Dat maakt je als schrijver volgens mij beter. Er lopen momenteel wat projecten waar ik nog niet veel over kan zeggen. En ik heb plannen voor een roman. Ik wil weten hoe het is om geen parasiet te zijn, hoe het is om niet alles uit archieven en interviews te halen. Ik wil in mezelf graven. Na twee dikke biografieën is het tijd voor mijn eigen stem.”

HP/De Tijd in gesprek met biografen

We spreken over hun liefde voor het genre, ethische overwegingen en lichten alvast een tipje van de sluier op over hun te verschijnen biografieën. Eerder spraken we met Marita Mathijsen , Maaike Meijer en Wim Hazeu.

Foto Eva Rovers: Koen van Someren Gréve, met dank aan Teylers Museum.