De berichten logen er niet om. Grapperhaus noemde onderwijsminister Arie Slob van de ChristenUnie een ‘soepjurkje’ en een ‘jankerd’, schreef dat de Nijmeegse burgemeester Hubert Bruls ‘de ziekte’ kon krijgen en dat zijn Bredase collega Paul Depla ‘geen ruggengraat’ had. Over een debat in de Eerste Kamer noteerde hij zijn ‘diepe minachting’ voor wat hij ‘geriatrische beunhazerij’ noemde. De Jonge was niet veel milder: hij omschreef minister Kajsa Ollongren van D66 als ‘een bak grind in de machine van ieder besluitvormingsproces’ en vond dat kritische senatoren ‘de brandweer’ hinderden. Beiden verklaarden in de verhoren dat het ging om het afreageren van frustratie onder grote druk. Grapperhaus gniffelde toen de commissie de berichten voorlas.
Voor Van Fenema is dat afreageren allereerst herkenbaar en menselijk. Zij ziet het als een manier om met immense stress om te gaan, en benadrukt dat zij het daarmee niet goedkeurt. Ook artsen wisselen in hun eigen appgroepen weleens dingen uit die het daglicht niet verdragen, zegt zij, want emoties onder druk moeten ergens heen. De vraag die haar bezighoudt, is niet of je iemands binnenwereld mag veroordelen, maar of het verstandig was dat deze berichten in de openbaarheid belandden. En vooral: of het gedrag van de bewindslieden eronder heeft geleden. Bleven zij zich houden aan de grenzen van de democratische rechtsstaat? Als het antwoord daarop nee is, zegt zij, dan pas is er een echt probleem.
Voor Van Dijk ligt daar juist de kern, en hij trekt een hardere conclusie. Een minister die de Eerste Kamer, het orgaan waaraan hij verantwoording schuldig is, wegzet als geriatrische beunhazerij, verraadt daarmee hoe hij over de democratie zelf denkt.
‘Een minister die diepe minachting heeft voor het parlement, hoort geen minister te zijn.’
Ton F. van Dijk
Van Fenema brengt daartegen in dat een uitspraak in een moment van hevige stress niet meteen iets fundamenteels hoeft te zeggen over iemands respect voor de democratie. Wie wordt overspoeld door druk, kan iets roepen waarvan hij achteraf beseft dat het onverstandig was. Van Dijk pareert dat het hier niet om één ontsnapping gaat, maar om een patroon. Slob een soepjurkje, Bruls die de ziekte kan krijgen, de senaat een bejaardeninstelling: dat is volgens hem structureel, en het zegt iets over de houding waarmee deze mannen in de ministerraad zaten, juist op het moment dat zij moesten bewaken of de grondrechten van burgers niet werden geschonden.
Waar de twee elkaar wél vinden, is de bruiloft van Grapperhaus. De minister die de anderhalvemeterregel handhaafde en zelf zijn huwelijk vierde, waarna foto’s opdoken waarop diezelfde regels werden geschonden, is voor beiden onverdedigbaar. Van Fenema noemt het een schrijnend gebrek aan voorbeeldgedrag en wijst op het beeld dat daaruit oprijst, waarin wat voor het gewone volk geldt kennelijk niet voor de elite opgaat. Dat een gezagsdrager anderen regels oplegt en zich er zelf niet aan houdt, weegt voor haar veel zwaarder dan welk onaardig appje ook.
Wat haar daarnaast steekt, is de laksheid. Deze politici zijn door de wol geverfd en wisten dat hun communicatie onder een onderzoek kon vallen en op straat kon komen te liggen. Dat zij dat niet hebben willen voorkomen, terwijl het vertrouwen in de politiek toch al zo laag is, rekent zij hun aan. Toch vindt zij Van Dijks eindoordeel te stellig. Om werkelijk te begrijpen wat de appjes betekenen, zou je met beide mannen in gesprek moeten, niet in een gepolijste verantwoording voor de commissie, maar in een openhartig gesprek over hun integriteit.
Van Dijk houdt voet bij stuk. Een minister is geen privépersoon, maar een instituut. Wat Grapperhaus thuis tegen zijn echtgenote zegt, is aan hem, maar wie op een werktelefoon zo over democratische instituties schrijft, is naar zijn overtuiging niet geschikt voor het ambt. Voor beide bewindslieden komt hij tot dezelfde slotsom: ongeschikt.
Wekelijks bespreken Ton F. van Dijk en Esther van Fenema de meest spraakmakende kwesties van de week. De X! Factor is een podcast over politiek, media en menselijk gedrag.






