De Tour win je in bed

Als je wielrenster bent en je vriend degene is die je deze sport ingesleurd heeft, dan zou je denken dat ‘samen sportieve dingen doen’ hoog op het activiteitenlijstje staat. Nou nee. Niet dus. Integendeel: ondanks dat we allebei dol zijn op een potje sport, leidt samen sportieve dingen doen steevast tot een – bij gebrek aan huwelijk – samenlevingscontractcrisis. Of op z’n minst tot slaande ruzie.

Samen fietsen doen we nooit. Eigenlijk hadden we daar na onze allereerste fietstocht samen al toe moeten besluiten. We hadden allebei een racefiets gekocht, J. een nieuwe, en ik mijn eerste. We hadden de fietsen achter op de auto gebonden en we waren naar Italië gereden, om daar fijn een vakantie lang te fietsen. Nou, dat hebben we geweten.

De eerste dag gingen we meteen de meest uitdagende pas in de omgeving op, te weten de Passo di Cento Croci. Ik stond al tien minuten ongeduldig met mijn vingers op het bordje ‘1.055 s.l.m’ te trommelen, toen meneer pas met een zeer overtuigende ‘achter deze steen wil ik sterven’-act de laatste bocht om kwam kruipen. De rest van de vakantie was hij een beetje ‘weeïg op de maag’ door de onmenselijke inspanning op die eerste dag. Maar eigenlijk vroeg hij zich af wat er in vredesnaam aan de hand was. Hij dacht altijd dat hij een aardige klimmer was, namelijk. Dat is hij ook. Maar nu werd hij er faliekant uit gefietst door zijn op fietsgebied grasgroene vriendin.

Rot op met die stomme kutweggetjes
We zouden dus beter moeten weten. Desalniettemin trappen we nog wel eens in de val, want het klinkt na een tijdje toch wel weer leuk: samen fietsen. Maar het is nooit leuk. Ik fiets te hard. Of hij fietst gewoon te sloom, het is maar hoe je het ziet. Zelfs als ik een herstelritje doe, vindt hij al dat ik er een moordend tempo op nahoud. Hij houdt gewoon niet van zweten. J. is een avonturier op de fiets, hij wil foto’s maken, om zich heen kijken en nieuwe weggetjes ontdekken, en staat dus ook rustig uren op een straathoek op zijn eeuwige kaart te turen. Terwijl! Argh! Ik wil gewoon doorfietsen! Rot op met die stomme kaart en je nieuwe kutweggetjes!

Sterker: we hadden het al moeten weten toen we in een van de eerste maanden van onze relatie op een onzalige zondagmiddag besloten te gaan kanoën op de Vecht, in zo’n duokano – volgens mijn vriendin Nynke niet voor niets de ultieme relatietest. Voor die test zijn wij gezakt. Big time. Slaande ruzie, al binnen vijf minuten. Gillen (ik dan), schreeuwen (hij), gooien met peddels en het liefst de andere kant op willen varen. Maar ja. We zaten aan elkaar vast. Qua kano dan.

Gedoemd te mislukken
Eigenlijk is elke gezamenlijke sportieve activiteit gedoemd te mislukken. Vorige week bijvoorbeeld gingen we samen snorkelen, op Curaçao. Het toppunt van relaxte vakantie-activiteit en romantiek, zou je zeggen. Wat kan daar nou misgaan? Dit dus: J. wilde van fascinatie heel die glasheldere zee nooit meer uit (tot hij een rog die hij voor een duiker hield, zo groot, tegenkwam, toen was hij wel genezen, maar dat terzijde), terwijl ik op de boot zat omdat ik het koud had. Uhuh. Koud. In zeewater van 28 graden, bij een luchttemperatuurtje van 33 graden. Stiekem vond ik het snorkelen gewoon eng. Ik ben in veel dingen een held, maar niet in zwemmen in zee. Ik bedoel, waterdieren, ieuw!

We waren al lang uit elkaar geweest als er niet – godzijdank – één sportieve activiteit is waar we allebei enorm goed in zijn. Die ons bindt. Die we – het is ongelooflijk – enorm eensgezind samen kunnen uitvoeren. Uren en uren zijn we er zoet mee. Zonder ruzie, zonder zelfs maar een onvertogen woord. Zwijgend voelen we elkaar aan en blijven we maar trainen, Joop Zoetemelk indachtig. Met onze ogen dicht, heerlijk onder het warme dekbed, liggen we samen enorm sportief te slapen. Want de Tour win je in bed, immers.