Histoire de l’étape 14: De grijns van Tom Dumoulin en de chasse patate van Johnny Hoogerland

In een Tour waarin de grootse etappes en legendarische momenten elkaar opvolgen als gemarineerde ribbetjes in een all you can eat-vreetschuur, is de dagelijks terugkerende grijns van Tom Dumoulin niet meer dan het saladebuffetje in een vergeten hoek van de zaak: het is natuurlijk maar bijzaak, maar je moet het beslist niet overslaan.

Tot deze Tour was Tom Dumoulin voor mij alleen nog een naam zonder gezicht. Samuel Dumoulin, ja, die kende ik wel. Een Franse kabouter die al een leven lang tegen beter weten in mee sprintte in de Tour. En appartementenverhuur Dumoulin in Reijmerstok (Zuid-Limburg), die kende ik ook. Maar van Tom Dumoulin wist ik weinig. Ik wist niet waar hij vandaan kwam, wat z’n sterke punten waren en of hij meer een sperziebonen- of een kapucijner-man was.

Een Elsevier op de keukentafel
Ik wist niet eens hoe hij eruit zag: misschien was Tom Dumoulin een door een Fries schippersechtpaar geadopteerde Chinees met een houten been, een gesjeesde student antropologie uit Almere-Buiten met van dat mottige rastahaar tot zijn middel en een houten neussierraad dat de vruchtbaarheid van de tapir symboliseert, of een advocatenzoontje uit Blaricum, opgegroeid in zo’n groot houten huis met een tuin rondom, een trampoline, een pingpongtafel in de kelder en een Elsevier op de keukentafel. Had allemaal gekund.
In feite wist ik niet veel meer van Tom Dumoulin dan dat hij een belofte was. Maar ach, er zijn zoveel beloftes, en een belofte is bovendien zo gebroken.

In deze Tour heb ik hem dan eindelijk leren kennen, Tom Dumulin.
En ik heb besloten fan te worden. Die intelligente ogen, die oprechte grijns, die vrolijke kuif dat koersen zonder inhouden; er is maar weinig wat me niet aanstaat aan Tom Dumoulin. Nu ja, dat hij zich ten allen tijde schikt in de stalorders, misschien dat. Leert-ie vanzelf wel af.


Geen fijne dag, nee
Bovenstaand stukje schreef ik tijdens de veertiende etappe, een etappe waarin Dumoulin werkloos moest toezien hoe vergelijkbare renners uit andere ploegen om de zege gingen strijden. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat hij met een beetje meer burgerlijke ongehoorzaamheid de etappe had kunnen winnen.
Na de finish zag ik Johnny Hoogerland bij de NOS. Johnny, burgerlijke ongehoorzaamheid in eigen persoon. Rood-wit-blauwe tegendraadsheid.
Hij stond bij de bus van Vacansoleil.
Hij huilde niet, maar het scheelde niet veel.
‘Nee, dit is geen fijne dag nee.’
Johnny had een kutdag gehad. Teamgenoten die zich niet aan de afspraken hielden, een gemiste kans en een klassieke chasse patate. De dagen dat Johnny geen ontsnapping miste, liggen achter hem, aan de andere kant van het prikkeldraad dat hem en zijn afgetrainde rennerskont een stamplaats in de geschiedenisboeken van morgen garandeerde.

Nu, als Neerlands beste, wil het allemaal niet meer vlotten. Zijn timing is als die van een toondove zanger, zijn getaande kop heeft iets onmiskenbaar dofs gekregen, als een splinternieuwe auto die iets te lang over zandpaadjes gereden heeft.
Zijn aanvallen dienen al lang niet meer om te winnen, maar om de totale leegte op te vullen. Wegrijden van het peloton is demarreren bij de depressie.
‘Lukt ’t nie, lukt ’t nie. Lukt ‘t, lukt ‘t.’
Het lukte nie.

Nu stond hij hier, alles om zeep.
Berustend: ‘Ze zullen me wel dom vinden. Dat is dan maar zo.’
De verslaggever vroeg of hij zijn frustratie eruit had kunnen trappen.
Johnny: ‘Welke frustratie?!’
Precies, Johnny. Die frustratie.

Het allerbeste
Johnny Hoogerland en Tom Dumoulin.
De staar en de grijns.
Allebei met lege handen.
Het zal vermoedelijk niet veel helpen, maar ik gun ze het beste.