Spring naar de content

Martin Ros: ‘Overal word ik beluisterd!’

Boekbespreker Martin Ros is door de TROS aan de dijk gezet. Volkomen onterecht, vindt hij. ‘Ik schiet nergens in tekort. En dat al 23 jaar!’

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Marcel van Roosmalen

In café-restaurant De Heerdt in Putten zat boekenrecensent Martin Ros (70) achter een enorme kom erwtensoep. Hij at stokbrood en dronk bier. Hij begroette mij enthousiast en pakte me met twee handen vast. “HP/De Tijd! Daar bent u! Hoe bent u hier gekomen? Met de trein? En daarna te voet? Ge-wel-dig! Helemaal door het geteisterde centrum van Putten?

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

“U treft mij hier in strijdtenue. Ik ben gewapend. Het is oorlog! Oor-log! U kent toch dat gevoel? Deze week heb ik de hand nog geschud van een van uw collega’s. Hoe heet die man met bril? Vaessen! Ja, Vaessen… HP/De Tijd is heel belangrijk. Jullie zijn een sterke krant. Wat mij verwondert, is het bericht dat jullie het moeilijk hebben. Neemt u mij in dienst! Ik zou drie stukken per week leveren! Daar draai ik mijn hand niet voor om. U weet toch wat het probleem is? Er zitten er te veel tussen die maar één stuk in de twee maanden leveren! Wat doen die de hele dag?”

Vergaderen.

“Vergaderen? Ze hebben toch een goede vrouw voor de eindredactie? Ti-ne-ke! Ja-haa, die is goed. Die was vroeger met Jan Donkers, wist u dat? Die dweept met mij! Ik zeg jou: meer boeken erin, jochie. En ze hebben Fransen! Die ken ik van de radio. Die man heeft veel van mij geleerd. Ad Fransen met zijn boeken over cocaïne! Ge-wel-dig! Gebruikt hij nog? En u? Gebruikt u? Jullie hebben goede stukken! Veel beter dan Vrij Nederland! Dat blader ik weleens door. Veel te veel foto’s! Wat moet ik daarmee? Jullie zijn rechts, hè? Dat ben ik ook. Dat moeten jullie nog veel sterker doen! De hele TROS-club is links, dat weet u toch? Altijd maar stoken tegen de president van Amerika… Houd toch eens op! Dat is een heel groot man. Die vervolgt de terreur, mag hij misschien? Moet hij dan wachten tot er een wereldoorlog komt? Wil je Perzië dan maar laten gaan met die atoombom? Die gooien ze zo op Rotterdam! Ze aarze- niet, jochie. Echt niet… Ik heb een boek gemaakt…”

De kom erwtensoep werd opzij geschoven. Hij stootte zijn bier om. Ter tafel kwamen twee plastic tassen met boeken. Een voor een smeet Martin Ros zijn boeken op tafel.

“Hier Bloednacht Meijerling, jochie… En hier! Mijn grote boek over winnaars van de Tour. En hier… mijn boek over collaboratie. De Hongaarse collaborateurs gooiden de mensen van de bruggen! Dat weet u toch? Schrijft u dat alsjeblieft op! Het joodse volk werd over de bruggen zo de Donau in gekieperd… En dan de Roemenen… De Roemenen komen nu naar ons, wist u dat? Ze hielden stand met drie divisies bij Stalingrad. De Roemenen waren fout. Ze hingen joden op in de slachthuizen. Dat weet jij niet! De Fransen! Iedereen zegt: ze hebben ons geholpen. Mond dicht houden! Collaboratie!”

Al die jaren moest ik om zeven uur de deur uit. Nooit ben ik te laat gekomen. Nooit heb ik vakantie genomen

Martin Ros ging staan en schreeuwde ‘Col-la-bo-ra-tie!’ door café De Heerdt. Een mevrouw een tafeltje verderop reageerde. Ze zei: “Ik luister altijd naar u. Ik vind u geweldig!”

Martin Ros liep naar haar toe en pakte haar handen.

“Echt waar? Hoort u dat, HP/De Tijd? Schrijft u het even op? Ge-wel-dig, zeg! Ik ben altijd enthousiast, hè?”

“Ja,” zei de vrouw.

Haar man: “Ze luistert altijd naar u…”

Martin Ros tegen het echtpaar: “De Fransen waren fou-out! Geloof dat dan! Pétain drukte de hand van Hitler. Hij heeft alle joden opgeruimd. Zo naar de gaskamer! Kinderen voorop!”

Hij ging weer zitten. Hij fluisterde: “Een slimme vrouw! Zij leest. Hij niet. Hij is er om spijkers in de muren te slaan.”

Hij riep de serveerster. “Tomatensoep! Een grote kom! En nog een bier.”

Hij sloeg een van zijn boeken open. “Dit, jochie, dit is het vaandel van de Franse collaborateurs. Ze vochten mee in de grote strijd in het Oosten. Jahaa… dertigduizend Fransen!”

Hij was gespannen. De volgende dag zou hij voor de rechter staan. Hij ging voor het onderste uit de kan: vier jaarsalarissen. “Ik ga u nu chronologisch vertellen wat er allemaal gebeurd is. U kunt het straks afluisteren en uittypen. Tineke zal het nakijken. Wat heeft u een heerlijk leven! Het was september, of oktober. Prachtig weer. We zaten op zo’n zitje bij Hilversum. Heerlijk. Ze bestelden uitsmijters, drie, vier, en die vraten ze op voor mijn neus. Eten kunnen ze als wolven… Ik dacht dat het een argeloos gesprek was over de toekomst. En toen zeiden ze ineens dat het 22 december allemaal voorbij was. Ze wilden verjongen. Er zou een groot feest komen met televisie erbij. Ik was met stomheid geslagen! ‘Waarom?’ riep ik. ‘Waarom?’ Ze gaven ontslag en een feest! Heel raar.”

“‘Ik ben hier de oudste,’ riep ik. ‘Ik heb nog met die oude man gewerkt die voor de arbeiders was. Ik heb al die jaren vlees gespaard voor jullie!’ Al die jaren moest ik om zeven uur de deur uit. Nooit ben ik te laat gekomen. Nooit. Nooit heb ik vakantie opgenomen. 23 jaar stond ik voor ze op wacht. Ik bedien een zeer groot publiek. Allemaal vrouwen van tussen de veertig en zeventig!”

Hij graaide in een plastic tas en haalde er een bruine envelop uit. Er zaten stickertjes met hartjes en beertjes op. “Een brief van een vrouw uit Rusland!” zei Ros. “Sint-Petersburg! Zij luistert trouw. Overal word ik beluisterd! Er is geen enkel program als het mijne. Ik ben bevattelijk, smeuïg, iedereen kan het volgen en ik bespreek alles! Sport, buitenlandse boeken, het Derde Rijk! Ik schiet nergens in tekort. En dat al 23 jaar! Noteert u dat wel? Ze kregen iedere week een papier waarop ik schreef wat ik ging doen. Dat was om het die vrouw, die Mieke (van der Weij – red.), wat makkelijker te maken. Dan wist zij ook waarover het ging, want die weet van niets. Die vellen hebben zij. Als je die vellen naast elkaar legt, ziet u dat ik de hele Nederlandse literatuur heb besproken. Gaat u naar Hilversum en vraagt u om die vellen! Jahaa, dat doet u! U gaat naar Hilversum om die vellen naast elkaar te leggen!”

U spreekt met iemand die alles weet van de boekenmarkten. Ik bezoek ze allemaal! Drie keer per week

Uit zijn jaszak haalde hij een brief van Maarten ’t Hart. “Geweldige brief van Maarten. Hij zegt: ‘Wat moet ik nu op de zaterdagen? Ik kan Ros niet meer beluisteren.’ We zullen de rechter overrompelen met materiaal. Ik sla ze ermee om de oren! U weet het toch van die Mieke? Dat ze ontslagen is bij de televisie? Daar deed ze van die voordrachten. Ze werd weggestuurd en toen is ze geïnterviewd door De Telegraaf. ‘Ik vond het niet zo erg,’ zei ze, ‘want ik heb een prachtige baan bij de radio. En bij de radio krijg je nooit of te nimmer je ontslag!’ Dat zei die vrouw! De vrouw die altijd zo lelijk doet als je over het Derde Rijk begint. Liefdesromans vindt ze ook niks. Ik mag niet over dat vieze praten. Of over het hele erge. Detectives vindt ze ook niets. We moeten de mensen de misdaad afleren. Het is een juk, meneer.”

“Ik vind het niet erg om te stoppen. Echt niet. Maar ik wil geld zien. Vijftigduizend gulden! 23 jaar ging ik voor een relatief laag bedrag, gratis en voor niks, door de puinhopen van Putten. Nooit te laat geweest! Waarom telt dat niet mee? Mijn uitgeputte gezellin springt een gat in de lucht. Ik heb een gezellin – een heel lieve vrouw –, die voor mij zorgt. Zij zegt al jaren: ik heb geen zaterdag. Mijn zaterdag is weg! Ik lig vrijdagnacht vanaf vier uur op mijn klokje te kijken. Ik slaap enorm, hè? Overal doorheen. Dus ze moet zorgen dat ik wakker word. Je moet wel wakker zien te worden, jahaa… Misschien slaap jij ook wel lang?”

Ja.

“U herkent dat! Dan heb je dat! Ik ga altijd naar boekenmarkten. Mijn gezellin kon daar niet meer van genieten. Welnee… Ze sliep de hele dag. Op de boekenmarkt! Dat kwam door die verschrikkelijke zaterdag… U spreekt met iemand die alles weet van de boekenmarkten. Ik bezoek ze allemaal. Drie tot vier per week. Ik bezoek ze allemaal! Ik ken alle boekverkopers en ze zeggen allemaal: ‘Meneer Ros, wij zien geen jongeren. Ze lopen om de boeken heen.’ Ze zitten achter hun computer, dat weet je toch? En nu komt de crux: de TROS denkt dat als ik wegga, dat ze dan een jonger publiek krijgen. Er komt niemand! Niemand! Ze luisteren niet! Al die meiden met die bustes die eruit steken, weten niets. Ze weten van niets. Ze hebben nooit gehoord van Mussolini! Ziet u die boekhandel?”

We keken door het raam naar de gevel van boekhandel ABC.

“Die man is gek op me! Tuurlijk! Alle boeken die ik bespreek liggen op zijn schappie…”

Het was even stil. We zagen een moeder met twee kinderen de winkel binnen gaan.

“Ziet u dat?” fluisterde Ros. “Bevindelijke vrouwen met lange rokken… Uitgevers lopen met mij weg. Ach, belt u even met de directeur van De Bezige Bij. Die dweept met mij. Belt u die nu maar even op. Heeft u zijn nummer niet? Ik heb dat boek van die Turk groot gemaakt. Dat boek dat gaat over een jongetje dat aan de hand van zijn vader door Barcelona gaat en via die wandeltocht vertelt die vader over de geschiedenis van Barcelona. Over de burgeroorlog. Het was doodstil toen het verscheen, maar ik heb de lof erover gezongen. Ze belden en zeiden: we danken aan u een verkoop van zeshonderdduizend exemplaren. Ik kan de drukgangen niet aan. Heb ik geflikt. Kijk het gaat om de toon, hè? Ik doe het op een geheimzinnige toon. Zodanig dat de mensen denken: ik moet dat boek hebben. Anders mis ik een stuk van het wereldgebeuren.”

In het café liep een jonge vrouw met een kinderwagen. Martin Ros nam een slok bier en stak zijn hoofd in de kinderwagen.

“Dag bevindelijk meisje. Daaa-aaag! Ik ben het: Martin Ros uit Zweden!”

Tegen de moeder: “Ik ken het Zweedse volkslied. Dat heb ik ooit gezongen op een vernissage in New York, voor een gezelschap van drie grote Haïtiaanse negers. U kent mijn werk? Mijn boek over de Haïtiaanse opstand tegen de Fransen?”

De vrouw schudde het hoofd. Ze wilde naar buiten. Martin Ros hield de deur voor haar open.

“Gaat u maar!” riep hij. “Gaat u maar met uw kinderwagen. Uw tijd komt nog!” Toen ze weg was: “Als dat kind volgroeid is, gaat ze lezen. Ze zal boeken verslinden! Zo hongerig zal ze zijn. Echt waar. Zo loopt het altijd af met bevindelijke vrouwen. Ros is er niet voor de gewone man, maar voor de gewone vrouw! Die lezen! Als ze lang bij elkaar zijn, wil de man geen seks meer. Dan zijn die vrouwen van de grootste last van hun leven af. Als de kinderen op leeftijd zijn, zijn die vrouwen eindelijk vrij. Ik sta achter de vrouwen! Ik sta achter alle slachtoffers! Ik ben er voor de TROS-vrouwen! Die hebben verder niets. Bekijkt u hun programma’s maar. Ivo Niehe, verschrikkelijke man…. Huilen moet ik. Die heeft mij nog gebeld. Of ik – ik kreeg niets – met hem mee wilde naar Twente. Voor een interview op locatie. Nooit! En dan die vreselijke dirigent met die muziek uit Duitsland. Die André Rieu… vre-se-lijk! Het is een slechte-mensenomroep. Ik wil naar de Evangelische Omroep. De Eeee-Ooooo! Ik sta te trappelen! Ik wacht tot Knevel belt. Er zijn tientallen stromingen in de kerk, en ze schrijven allemaal boeken. Ik ga met mijn TROS-vrouwen naar de EO en ik zal ze tot dienst zijn.”

Ik ben er voor de TROS-vrouwen. Die hebben verder niets. Bekijkt u hun programma’s maar

“Zo-oo,” zei Martin Ros. “Klaar! Schrijft u het maar allemaal op en brengt u het dan naar Tineke. Die zal het goedkeuren.”

Eerst nog schrijven, zei ik. Martin stak zijn hand in de lucht en riep: “Een kwartier! Dat doet u in een kwartier! Weet u hoelang ik aan mijn boek Bloednacht Meijerling, mijn meesterwerk, heb gezeten? Twintig minuten! In twintig minuten schreef ik een klassieker, echt waar…”

De mevrouw van café-restaurant De Heerdt kwam met de rekening. Martin Ros had een erwtensoep, een tomatensoep, een stokbrood en zes bier op. “Dat is HP/De Tijd,” zei Martin, en hij wees naar mij. “Zij hebben mij gefêteerd. Geeft u hem de rekening maar. Kent u HP/ De Tijd?”

De vrouw schudde het hoofd. “Nee, kent u dat niet? Echt niet? Binnenkort komen ze hier met een fotograaf. Op een woensdag. Dan moet u ze soep geven. Ze komen te voet vanaf het station. Dan zijn ze hongerig. Geeft u ze dan soep en zeg dat ik eraan kom.”

De vrouw van De Heerdt legde haar notitieblok op tafel en zuchtte. “Meneer Ros, ik ben uw secretaresse niet. En dit is niet uw kantoor. Wij worden er gek van. De hele dag gaat de telefoon, wij geven niets meer door…”

Martin Ros: “Ach, bevindelijke vrouw… U moet telefoons opnemen, dat kunt u. Juist u. U kent mij toch? Van de radio? En van de televisie! Vorige week heb ik Vaessen, van de leiding van de HP/De Tijd, nog de hand geschud. Een fatsoenlijk mens! Hij komt naar Putten met zijn toestel om mij vast te leggen. Naar dit café! Ge-wel-dig!”

Dan tegen mij: “Hoe komt Vaessen? Met de trein, denkt u?”

“Op zijn paard,” zei ik.

“Haa!” riep Martin. “U hoort het! Vaessen komt te paard. Vanuit Amsterdam, door de puinhopen van Putten.”

Hij pakte mijn hand. “Zet u mij in de kerstbijlage…? Tussen al die prachtige, lange verhalen… Het zal de verkoop goed doen. Mijn fans zullen het aanschaffen. Vrouwen tussen de veertig en zeventig zullen het verslinden, echt waar.”

De vrouw van De Heerdt: “Mag ik dan nu alstublieft 23 euro 95?” Martin Ros stond op. Hij ging naar het theehuis aan de andere kant van de straat en daarna naar boekhandel ABC. Hij trok zijn jas aan, gaf me een hand en zei tegen de serveerster: “Rekent u maar af met HP/ De Tijd, bevindelijke, Puttense vrouw! Tot ziens!”

De volgende dag ging de rechtszaak niet door. Boekenrecensent Martin Ros nam genoegen met een ‘afkoopsom’ van de TROS van 15.000 euro.