De moordenaar van het modderland

Negen jaar lang hield hij vol dat Hannie was weggelopen. Maar toen haar lijk werd gevonden, bekende hij dat hij haar had vermoord. Was het zijn ellendige jeugd, zijn drankmisbruik of zijn killersmentaliteit uit het Vreemdelingenlegioen die hem tot die daad bracht? Op bezoek bij Richard Klinkhamer in het Huis van Bewaring te Leeuwarden.

De verstikte, dode klei waar vroeger het schuurtje stond, moest maar eens omgespit worden om mooie grond naar boven te halen. Na het middageten begon Jan Dijkstra van loonbedrijf Venema met zijn zware rupskraan de klei tot zo’n anderhalve meter onder het maaiveld om te woelen. Toen kwam de bak omhoog, en tussen de tanden hing een lap plastic. Er viel een stuk bot naar beneden, misschien wel 25 centimeter lang. Jan Dijkstra keek in het gat. Er lag iets dat op het heupgewricht van een mens leek. Jan belde zijn baas. Die kwam direct. Ze vonden nog meer botten onder het gescheurde plastic en een glazen pot met, naar later bleek, krantenknipsels over de verdwijning van Hannie Klinkhamer.

Er kwam een vieze geur uit het gat. Venema belde de politie. Die was razendsnel present. Eindelijk, na negen jaar, werd in de namiddag van 3 februari 2000 het lichaam van Hannelore Laurentia Klinkhamer-Godfrinon gevonden. Gewoon, onder de grond van het schuurtje bij het huis waar ze samen met de schrijver Richard Klinkhamer dertien jaar had geleefd, liefgehad en ruzie had gemaakt.

Aan de noordoostkant van Finsterwolde staat het bord Modderland. Daar begint de laatste weg van Nederland naar de buurtschappen Ganzedijk en Hongerige Wolf, om daarna dood te lopen tegen de zeedijk van het Dollardgebied. Het stuk tussen Ganzedijk en Hongerige Wolf heet de G. Gernaatweg. Een paar plukjes kleine, lage arbeiderswoningen en een handvol eenvoudige plattelandshuizen. Een vaart erlangs, een landschap van vette klei, tarwe, aardappelen en bieten tot waar hemel en aarde elkaar raken. Voor en achter niets dan ruimte, maar tussen de huizen kijken de buren bij elkaar op het pad en in de kamer.


In 1978 trouwden Richard Klinkhamer en Hannie Godfrinon en kochten ze nummer 21 aan de G. Gernaatweg. Richard wilde de ruimte en de rust om te schrijven. Via via hoorden ze dat het simpele huis met een lange, smalle tuin te koop was. Het huis kwam op Hannies naam te staan; ze leefde er tot 30 januari 1991. Het was hartje winter, strenge vorst. Hannie had gewinkeld. Ze kwam die namiddag thuis; de buren hoorden later het geschreeuw en gegil van een ziedende ruzie. Toen werd het stil. Na die dag heeft niemand Hannie ooit nog gezien.

Als een ongelukkige jeugd een goudmijn voor een schrijver is, dan is de goudmijn van Klinkhamer heel groot. Zijn moeder, Maria Vogelauer, is een Oostenrijkse die met de golf dienstmeisjes tussen de wereldoorlogen in Noord-Holland aanspoelt. Zijn moeder heeft, zoals Klinkhamer zegt, ‘das gewisse Etwas’, een sensuele uitstraling die alle mannenharten op hol doet slaan. Ze trouwt met Jacob Klinkhamer, de groenteboer en kruidenier die aan de deur kwam waar zij haar dienstje had.

Richard is het derde kind, geboren op 15 maart 1937. Jacob is gek op Maria, maar zij is hem niet trouw. Vader vergeeft het haar bijna altijd, zelfs als ze zwanger raakt van de dorpsveldwachter, de biologische vader van Richard. Toch scheiden ze later, en Richard wordt aan moeder toegewezen, maar zij kan of wil niet voor hem zorgen en geeft de kleine van drie met verlofgangers mee op de trein naar familie in Oostenrijk.

In de Tweede Wereldoorlog woont moeder in Amsterdam, en ze verloochent haar nationaliteit niet; Duitse soldaten zijn haar beste vrienden. Als Oostenrijk valt, verkrachten de Russen de tante bij wie Richard woont en vermoorden ze een aantal mensen in het dorp. De achtjarige Richard wordt weer op de trein gezet, nu de andere kant op. Zijn moeder zit in Nederland als kaalgeschoren moffenhoer in de gevangenis. Het Rode Kruis zorgt voor een opvanggezin. Richard spreekt Duits, geen taal waarmee hij in Amsterdam makkelijk vriendjes maakt; het lijkt alsof de oorlog voor hem dan pas begint.


Als zijn moeder vrijkomt, gaat hij bij haar wonen. Ze speelt de hoer om in leven te blijven; ze zwerven van het ene adres naar het andere. Uiteindelijk vindt ze werk bij een Russische familie in Zwitserland. Maar de heer des huizes kan haar gewisse Etwas niet weerstaan; de verhouding komt uit en moeder en kind worden op straat gezet.

Het kind krijgt onderdak bij een pastoor; moeder knoopt een relatie aan met een joodse zakenman. Die mag niet van haar verleden en van haar zoontje afweten, en Richard wordt wederom op de trein gezet en afgeleverd bij een ‘tante’: de weduwe van de veldwachter. Tante leeft nog maar een half jaar; de kleine Richard is er getuige van als zij op een morgen bij het ontbijt voorover valt met haar hoofd in haar bord pap. Dood.

Dan wordt Richard ‘afgeleverd’ bij Jacob Klinkhamer en zijn twee oudere halfbroers. Vader is inmiddels hertrouwd met een labiele, zeurende stiefmoeder aan wie alle drie de broers een bloedhekel hebben. Pas dan, op zijn elfde, hoort Richard van zijn broers dat Jacob Klinkhamer niet zijn echte vader is.

Vader maakt geen onderscheid tussen de drie jongens; ze zijn hem even lief. De jaren die komen, lijken Richards meest stabiele jaren. De broers zijn straatschoffies; ze gokken, handelen en stelen wat. Richard wordt slagersleerling, een kastekort wordt hem verweten, ook hij gokt en steelt. Op zijn achttiende gaat hij ervandoor om te tekenen bij het Vreemdelingenlegioen. Hij zal er van 1956 tot 1960 dienen en ingezet worden tegen de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders. De eerste desertiepoging levert hem een paar maanden strafkamp op; pas bij zijn tweede vlucht haalt hij veilig Italië. In Amsterdam trekt hij weer in bij zijn vader en halfbroers.


Na het Vreemdelingenlegioen kan Klinkhamer niet makkelijk een baan vinden; een ex-legionair is zoiets als een crimineel. Met list en bedrog wordt hij koksmaat op de grote vaart. Na anderhalf jaar beginnen zijn broers en hij in de Amsterdamse binnenstad een slagerij, en al snel hebben ze drie winkels. In die tijd leert Klinkhamer zijn eerste vrouw kennen, Leontien, enig kind uit een gegoed burgerlijk milieu. Zijn schoonouders vinden Richard een rare snuiter, maar toch heeft hij ook een charmante aantrekkingskracht.

De verkering tussen Leontien en Richard vertoont trekken van een knipperbolrelatie. Hij maakt het twee keer uit, zij komt steeds terug. Uiteindelijk raakt ze zwanger. Klinkhamer kent zijn verantwoordelijkheid en ze trouwen op 5 april 1962; Richard is 25, Leontien 22 jaar. Een half jaar later wordt hun eerste zoon geboren, twee jaar later de tweede.

Richard slagert nog zes jaar door, dan laat hij zich uitkopen en gaat hij in de horeca werken. Leontien haalt haar horecadiploma en rond 1970 kopen ze een groot huis in een Noord-Hollandse kustplaats om een pension te beginnen. Klinkhamers moeder heeft het intussen goed in Zwitserland; vlak na zijn trouwen stuurt ze Richard en zijn broers een brief met een vliegticket. Als haar jongens haar komen opzoeken, ligt er duizend gulden voor ieder van hen klaar. Vader wordt heel boos als blijkt dat ze weer contact hebben. Richard trekt zich er niets van aan en blijft moeder bezoeken. Jacob wil hem daarom niet meer zien; het contact wordt verbroken. Hij overlijdt als hij 82 is; Richard hoort dat pas jaren later.


Moeder leeft tot 1984. Als zij 74 jaar oud is, pijnigen de reuma en andere ouderdomskwalen haar zo dat zij er een einde aan wil maken. Richard gaat op bezoek; ze bespreken haar plannen. Als zij het gedaan heeft, schrijft hij in haar trouwboekje: “Mutti ‘nam’ de trein van Locarno naar Bellinzona. Ze legde zich vlak bij de uitgang van de tunnel met het hoofd op de rails en was op slag dood.”

Richard wilde haar niet tegenhouden, hij vond dat ze recht had op haar eigen beslissing. Wel raadde hij haar aan om dikke kleding aan te trekken; het scherpe puin langs de spoorbaan zou haar anders pijn doen. Ondanks alles had Klinkhamer een goede band met zijn moeder; hij had haar al het geschuif en gesjoemel, het gereis en het af- en aanstoten uit zijn jeugd vergeven.

Richard kent Hannie vrijwel net zo lang als hij Leontien kent. Leontien beschouwt Hannie als haar pleegzusje. Als Hannie tien is en haar broertje bijna twaalf, komen ze in het gezin van Leontien te wonen. De moeder van Hannie is door haar man vermoord. Vader Godfrinon, bankbediende, herstelde van een operatie. De familie woonde op een bovenhuis in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Vader Godfrinon had psychische problemen. ‘s Middags breekt er ruzie uit, vader pakt een hamer en slaat de moeder van Hannie de schedel in. Als Hannie die middag van school komt, wordt ze door een tante en een buurvrouw opgevangen. Vader belandt in een gesloten psychiatrische instelling.

Voor Hannie zullen die gebeurtenissen later nauwelijks een onderwerp van gesprek zijn. Haar oudste zus is ten tijde van het familiedrama al achttien en trouwt snel. Hannie leert in haar pleeggezin Klinkhamer kennen, en later – ze is vijftien als Leontien en Richard trouwen – komt ze vaak naar hen toe omdat ze met Leontiens ouders niet zo goed kan opschieten.


Hannie toont een meer dan alleen vriendschappelijke belangstelling voor Richard. Die merkt dat wel en hij heeft er fantasieën over, maar geeft er eerst niet aan toe, al ziet hij dat Hannie datzelfde gewisse Etwas heeft als zijn moeder. Pas als Hannie negentien is, slaat de vlam in de pan. Na die eerste keer is en blijft het raak; ze beginnen een stiekeme verhouding waarvan ze eerst denken dat Leontien het niet doorheeft. Als het uitkomt, blijkt dat Leontien het al een tijd zwijgend aan heeft gezien. Ze heeft altijd gezegd het voorvoeld te hebben, ook omdat Hannie op de trouwdag van Richard en Leontien gezegd zou hebben: “Ik maak je huwelijk kapot, hij is voor mij.” Klinkhamer gelooft nog steeds niet dat Hannie, toen veertien, dat echt gezegd heeft.

Hannie heeft Richard veroverd, zo ziet hij dat; zo gebeurt het tussen hem en vrouwen altijd. Klinkhamer is in zijn eerste huwelijk niet bijster gelukkig. De relatie met Leontien is zakelijk en organisatorisch, maar seksueel houdt het niet over en de liefde komt ook meer van haar kant dan van de zijne. Toch probeert hij er het beste van te maken. Ook als de relatie met Hannie uitkomt, gaat hij niet weg. Ze hebben kinderen samen, ze drijven een zaak.

Om de vrede te bewaren stelt Leontien een ménage à trois voor. Klinkhamer slaapt wisselend in het echtelijke bed en in een klein kamertje boven dat als logeerkamer voor familie en kennissen in het pension wordt vrijgehouden. De vrouwen kijven elkaar echter zowat het huis uit, en drie maanden later vertrekt Hannie. Klinkhamer heeft dan al tegen Leontien gezegd haar te zullen verlaten als de kinderen groter zijn. Als Hannie is vertrokken, raakt Leontien zwanger van hun derde kind; het zal een meisje worden.


Het huwelijk van Leontien en Richard suddert nog drie jaar door. De eerste maanden bezoekt Richard Hannie elke week in Amsterdam. Weer blijft Hannie stoken. Over die tijd vertelt Leontien nu dat als Richard terug in de trein naar huis zat, Hannie haar belde om haar te pesten met allerlei details over ‘hoe lekker ze het gedaan hadden’. Richard gelooft Leontien niet.

Richard ziet het als wraakneming van Leontien omdat hij indertijd wegliep. Hij zou gedreigd hebben de boel in de fik te steken; hij zou haar hebben geslagen. Klinkhamer ontkent dat in alle toonaarden. Hij heeft juist in alle redelijkheid willen scheiden, zonder advocaten, zonder toestanden. Hij heeft haar het pension laten houden en genoegen genomen met een voor hem karige financiële regeling. Leontien heeft hem voortdurend dwarsgezeten. Hij mocht geen contact met de kinderen hebben, vooral zijn dochter heeft Leontien altijd bij hem weggehouden. Bezoekregelingen werden door haar gechicaneerd.

Hannie vertrekt in 1975 naar Israël. Richard verlaat in 1977 Leontien. Hij trekt in bij een Duitse vriend en daarna bij zijn moeder in Zwitserland. Na elkaar bijna drie jaar niet gezien te hebben, belt hij Hannie. Ze komt onmiddellijk naar hem toe. “Hannie is het mooiste wat mij ooit is overkomen,” schrijft Richard. Terug in Nederland vinden ze het huisje aan de Gernaatweg. Ze trouwen, leggen een moestuin aan en Klinkhamer slacht schapen en kippen om de vriezer vol te krijgen. Zijn lamsbouten zijn beroemd; hij kan koken als de beste.

Christine Inderwisch zit in 1983 met haar man en zoon naar Sonja Barend te kijken die in haar programma Klinkhamer ontvangt. Christine heeft iets met schrijvers. Zij is de kapster die in De vierde man de schrijver Gerard Reve na een lezing in Vlissingen liefdevol te logeren ontvangt, had in de jaren zeventig een verhouding met Simon Vinkenoog, was bevriend met Johnny van Doorn, kende Adriaan Morriën heel goed en was verliefd op Theun de Winter.


Klinkhamer heeft net zijn debuut op de markt: Gehoorzaam als een hond over zijn tijd als legionair. Ondanks het feit dat Sonja Klinkhamer kapittelt vanwege zijn visie op Noord-Afrikanen en joden, zijn de echtgenoot van Christine, haar zoon en een huisvriend zeer onder de indruk. Christine: “Dat Vreemdelingenlegioen heeft iets mythisch voor mannen. Ze zijn bijna jaloers op dat ‘heldendom’, terwijl het eigenlijk een verschrikking is voor een jongen van achttien, tussen al die psychopaten. In die tijd is de killer ontwikkeld die in iedere man woont.”

Toch is ook Christine geïntrigeerd door Klinkhamer en ze schrijft hem een brief. Richard antwoordt per kerende post. Ze raken bevriend; Richard vraagt haar een keer te komen op een bijeenkomst van zijn eerste uitgever, Nijgh & Van Ditmar. “Van het begin af aan was het alsof we al heel lang vrienden waren. Hij is zo rechtstreeks, bijzonder openhartig en aardig. Een ‘gewone’ jongen, heel direct, zonder omwegen. Knap om te zien ook.”

Ze schrijven elkaar, en Christine nodigt Richard ook uit. Hij komt een keer met zijn vriend, de beeldhouwer Stefan Berkhemer, naar Vlissingen, en later ook (“Wel minstens een dag of tien”) met Hannie naar Vlissingen. Christine: “Hannie was mooi, aardig, bescheiden, wat haar iets kwetsbaars verleende. Maar ik vond die vrouw verschrikkelijk. Nee, absoluut niet uit jaloezie, ik heb niets anders met Klink dan een vriendschap in praten over schrijven en leven. Het kan best zijn, dat ze geïrriteerd was door onze vriendschap.

“Je zag dat Hannie lief was, dat ze veel van elkaar hielden, dat Klink en zij teder en zorgzaam met elkaar omgingen. Maar die vrouw léék alleen maar bescheiden. Ze kon in een gewone discussie die niets om het lijf had ontstellend uithalen en agressief zijn. Werkelijk buitensporig hatelijk en aanmatigend. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Dat was zo gek voor zo’n klein, mooi vrouwtje.”


Klinkhamer begint in Finsterwolde vol goede moed. Ze zijn anders; dat zie je al aan het yin-en-yangteken aan hun gevel. Ze lijken een harmonieus echtpaar, ze houden van de tuin, van het buitenleven, van elkaar, van vrienden en van het goede leven. Klinkhamer zoekt die vriendschappen snel bij andere westerlingen, kunstenaars en wat meer belezen, al of niet alternatieve types die in die uithoek zijn neergestreken vanwege veel huis voor weinig geld. Over de autochtonen heeft hij al gauw zijn mening klaar. “Ze zijn befaamd om hun brede akkers en hun smalle geesten.”

Maar ook diegenen met wie het eerst goed zuipen en kletsen leek, worden langzamerhand door Klinkhamer gewogen, te licht bevonden en afgeserveerd. Ze hebben nauwelijks boeken gelezen, en van wat ze gelezen hebben, is weinig blijven hangen. Zuipen is goed, daar houdt Klink ook van, maar alleen maar slap uit je nek lullen gaat snel vervelen. Zij, op hun beurt, eens maten en drinkgasten, een van hen zelfs getuige op het huwelijk van Hannie en Richard, staan nu graag de pers te woord en roepen dan dat Klinkhamer langzamerhand uitgekotst werd vanwege zijn grote bek, zijn eigenwijsheid, zijn harde, confronterende discussiemethoden, zijn provocerende maatschappelijke meningen. Kortom, zijn bravoure en opschepperij.

Daar komen nog de verhalen bij over zijn fascinatie met de Tweede Wereldoorlog. In het aangebouwde ‘schrijvershuis’ waar hij werkte, hing het vol met affiches van de Wehrmacht en andere fascistische parafernalia die Klinkhamer als kunst omschreef. En hij at spinnen, stal kippen van de buurman, en hoewel hij nooit bloter dan in onderbroek tot aan zijn voorgevel is geweest, gaat het verhaal dat het zijn gewoonte is om naakt door de buurtschap te fietsen.


Hannie werkt in het ziekenhuis van Winschoten; Klinkhamer schrijft en gokt op de beurs.

Zijn boek verkoopt redelijk en wordt heel behoorlijk ontvangen; een enkele recensent ging zelfs de vergelijking met een Nederlandse Céline niet uit de weg. Op de beurs lijkt Klinkhamer een gouden hand te hebben; er zijn dagen dat hij vijftigduizend gulden verdient. Hij fteert er zijn Hannie mee. Ze mag mooie dingen kopen, dat doet ze graag, ze streeft ernaar om in het verre noorden de chic van de modebladen te evenaren. Hannie krijgt regelmatig een handvol bankbiljetten voor haar ‘geheime’ zwarte potje, een doos met geld verstopt achter de pannen onder het aanrecht.

Ze kopen een huis in Portugal en berekenen dat ze, als Hannie vijftig is, kunnen ophouden met werken om onder de Portugese zon te gaan rentenieren.

Klinkhamer neemt op de optiebeurs de krankzinnigste risico’s, en lang gaat dat goed. Tot de eerste grote klap komt. Klinkhamer koopt kortlopende opties KLM. Reagan bombardeert Tripoli. “Stilzitten,” denkt Klink. Dan breekt er brand uit in Tsjernobyl, geen Amerikaan vliegt nog KLM, de aandelenkoersen storten in. Jammer, er is nog wel wat over, maar het gat dat plotseling geslagen is, is zo groot dat Richard moet beloven niet meer te speculeren. Ze zouden van het restant nog steeds aangenaam kunnen leven. Klinkhamer koopt blue chips, de sterke aandelen om op terug te vallen. De beurskrach van 1987 slaat weer bijna de helft van de waarde weg.

Dan denkt Klinkhamer dat de beurs niet meer lager kan. Hij kan het gokken niet laten, verhypotheekt alles, zet ook de blue chips in als onderpand voor een groot pakket korte calls. De veertien dagen daarop zakt de beurs nog verder weg en de bank liquideert zijn portefeuille. Richard Klinkhamer is blut. Het huis in Portugal is weg, het geld op, meer dan acht ton weggewaaid. Hij heeft zelfs het geheime potje van Hannie moeten gebruiken. “Ik wilde Hannie verrassen, en dat heb ik gedaan.”


Alle eerdere verliezen hadden al tot ruzies geleid. Als Hannie de lege doos vindt, kijkt ze Klinkhamer verwijtend aan en spreekt dagenlang geen woord tegen hem.

Het volgende boek van Klinkhamer, de verhalenbundel De hotelrat, is niet zo succesvol als zijn debuut. Hoewel de kwaliteit niet zozeer slechter wordt bevonden, zijn de onderwerpen van de korte verhalen kennelijk minder aansprekend dan het Vreemdelingenlegioen. Klinkhamer maakt bovendien allerminst deel uit van het westerse circuit.

Zijn leven met Hannie aan de Gernaatweg begint excentriekere vormen aan te nemen. Als hij niet schrijft, of drinkt, metselt hij in zijn tuin een Noord-Afrikaanse stad van bouwafval. De tuin is hun beider hobby. Klinkhamer bouwt, legt paden aan, graaft vijvers en poelen voor padden en kikkers en diept hier en daar gaten uit waarin precies een kratje Grolsch-pijpjes koel blijft. In het schuurtje graaft hij ook zo’n gat. Daar komen scherven uit en botten van begraven dieren. Klinkhamer raakt gefascineerd en graaft verder. Het lijkt een bevlieging; het gat in het schuurtje wordt een diepe put. Hij stopt pas met graven als hij diep in het grondwater staat. Hij laat het gat liggen; het zal nog van pas komen.

Na de beursverliezen gaat Klinkhamer steeds meer drinken. Een kratje per dag is normaal, de jenever wordt niet meegeteld. Hannie is de enige die een salaris binnenbrengt. Ze verwijt Klinkhamer steeds meer dat hij van haar geld zuipt. Klinkhamer neemt een baantje als nachtportier in een hotel in Nieuweschans.

De ruzies worden er niet minder om. Als het Hannie te veel wordt, loopt ze weg. Wandelen of fietsen, de polder in. Wanneer ze terugkomt, is ze verdrietig, en als hij haar dan ziet, wordt Klinkhamer door spijt overmand. Elke keer weer leggen ze het bij, elke keer weer lijkt dat moeilijker te gaan.


Een week voor de fatale dag blijft Hannie uren weg. Als ze thuiskomt, volgt er geen verzoening. “Haar besluit stond vast,” zegt Klinkhamer, “ik moest weg.” Die 30ste januari komt Hannie ‘s middags thuis. Klinkhamer heeft stevig zitten drinken. Ze krijgen ruzie. Hannie pakt een koffer met kleren in. Niet voor haarzelf, voor hem. Het kan haar niet schelen, hij moet oprotten, desnoods naar het Leger des Heils. Het zijn haar laatste woorden. Wat breekt er in Klinkhamers hoofd? Wat ziet hij? Het kind dat met een kaartje om de nek van hot naar her gestuurd wordt op zoek naar geborgenheid? Ze ruziën, vechten, trekken en duwen. Er ligt een breekijzer op de wasmachine. Hannie slaat ermee naar Richard. Richard pakt het af en slaat, slaat, slaat.

Enige dagen later doet Richard Klinkhamer aangifte van de mysterieuze verdwijning van zijn vrouw. Haar fiets wordt teruggevonden bij het station van Winschoten. Klinkhamer looft beloningen uit voor elke aanwijzing en in het tv-programma Opsporing verzocht wordt gevraagd om tips. Klinkhamer wordt verdacht en uitvoerig gehoord, maar er komt geen bekentenis, er wordt geen lijk gevonden, dus de schrijver mag naar huis. Hij krijgt zijn inbeslaggenomen huishoudgehaktmolentje, zijn vleesbijl, zijn slagershakblok en het losse ondergebit weer terug.

Hannie was officieel kostwinner. De instanties wijzen hem erop dat hij recht heeft op weduwnaarspensioen. Hij vraagt het aan en krijgt het, met terugwerkende kracht. Na de wettelijke termijn van vijf jaar wordt Hannie doodverklaard en komt het huis weer op zijn naam te staan, zodat hij het kan verkopen. De nieuwe eigenaren laten de tuin zo veel mogelijk intact. De kopers daarna hebben niets met al die bouwsels. Als ze horen dat aan het huis een mysterie kleeft, willen ze zelfs het liefst van de koop af. Dat kan niet meer. Dan maar de tuin omspitten. Pas dan, negen jaar later, wordt de ingeslagen schedel gevonden.


De jaren na die januaridag in 1991 verglijden voor Klinkhamer in rusteloos drinken en schrijven. Hij schrijft aan het manuscript over de gebeurtenissen. Hij noemt het Woensdag gehaktdag, vanwege de absurde verdenking dat hij Hannie in stukjes heeft gesneden om haar daarna door zijn gehaktmolen te draaien. Maar hij kan de waarheid niet opschrijven en verstopt zich achter allerlei toespelingen en scenario’s hoe Hannie verdwenen of vermoord zou kunnen zijn. Woensdag gehaktdag blijft door die vaagheid warrig, een uitgever kan hij niet vinden. Een paar hoofdstukken uit Woensdag gehaktdag breidt hij uit tot Losgeld. Nog een boek, Kruis of munt, met in de hoofdrol een Wehrmachtofficier, krijgt goede recensies in Oostenrijk, Duitsland en Zwitserland.

In Nederland breekt hij als schrijver niet verder door; het lijkt of iedereen alleen maar in de mythe geïnteresseerd is. Hij mist een vrouw en probeert het op de markt van kennismakingsadvertenties, maar haat vervolgens de ‘oude taarten’ in dat circuit waar altijd veel mis aan is: ze drinken niet, of ze roken niet, ze eten geen vlees. En het ergste van alles is nog dat ze geen geld hebben of, als ze het wel hebben, absoluut onuitstaanbaar zijn.

Stefan Berkhemer, de bevriende beeldhouwer die de cover voor zijn eerste twee boeken ontwierp, ziet Richard versomberen. Voor die tijd animeerden ze elkaar in hun werk. Richard kwam vaak binnenlopen en begon spontaan voor te lezen wat hij geschreven had. Nadat Hannie weg was, zat hij vaak uren stil te drinken. Soms liepen de tranen over zijn wangen. “Wat stelt het leven nog voor,” zei hij dan.


Stefan wist niet wat hij aan moest met de situatie. Hij zweeg ook en besefte dat Klinkhamer voor de buitenwereld de rol van de ruwe legionair speelde die het allemaal niet kon schelen, maar dat hij van binnen verteerd werd door verdriet. Stefan praatte niet met Klinkhamer over de verdwijning van Hannie. En Klinkhamer begon er ook niet over. Stefan wilde het niet weten, en hij denkt dat Klinkhamer dat goed vond. “Hij wist dat mijn vrouw en ik Hannie graag mochten, we waren gek op haar. Hij wilde mij dat verdriet besparen.”

Als het huis weer op naam van Klinkhamer staat, kan hij het niet langer volhouden en vertrekt hij naar Amsterdam. Natuurlijk heeft hij erover nagedacht, later, om alsnog alle sporen uit te wissen. Maar hij komt er niet toe. De plek in het schuurtje is al een plek die hij mijdt, en aan het opgraven van de botten van zijn grootste liefde moet hij niet denken, daar begin je zomaar niet aan. Hij laat het op zijn beloop.

In Amsterdam verandert zijn leven. Een nieuwe vriendin. Margreet is jong en afgestudeerd theologe. Ze schreef Klinkhamer toen ze in een interview las dat hij een jonge meid zocht met een vadercomplex. Ze vrijen samen, drinken samen en schuimen de Amsterdamse kroegen af. En ze laat zich naakt in zijn armen fotograferen. Klinkhamer is verzot op haar mooie lijf, en trots op zijn relatie met een meisje van 24. Ze kunnen goed met elkaar opschieten, maar ze weet dat Hannie zijn grote liefde was en nog steeds is. Klinkhamer zit thuis in zijn benedenwoning in de Tweede Boerhavestraat als er ‘s avonds wordt aangebeld. Hij ziet twee schimmen voor het raam, loopt naar de deur en pakt voor alle zekerheid een stuk ijzer dat hij in de gang heeft staan. Hij doet de deur open en ziet de uniformen. “Weet u waarvoor u wordt opgehaald?” vragen de agenten. “Ja,” zegt Klinkhamer.


In Groningen blijkt de volgende ochtend dat de gevonden kaakresten overeenstemmen met de röntgenfoto’s van Hannies gebit. Klinkhamer bekent. In het Huis van Bewaring herschrijft Klinkhamer Woensdag gehaktdag. De zaak haalt de wereldpers, Klinkhamer is plotseling onderwerp van een NBC-reportage en Margreet onderhandelt met een Amerikaanse uitgever over de rechten op het boek en de film.

In het Huis van Bewaring De Wielingen in Leeuwarden gaat Klinkhamer er steeds gezonder uitzien. Hij drinkt niet, hij sport, hij leest en hij schrijft. Hij vindt niet dat hij nu aan het boeten is of zo. De vergelding die gevangenisstraf moet zijn, heeft niets te maken met wat hij zelf voelt over zijn daad. Hij laat het allemaal over zich heen komen als iets onvermijdelijks, zoals je ook de wisseling van de seizoenen moet accepteren. De nachtmerries, de knagende schuld, de beeltenis van Hannie, haar schreeuw, haar bloed, daarna het stille, plotseling zo zware lichaam dat hem altijd zo bekoorde, het wordt niet opgelost door een deur die achter je dichtslaat of een werktherapie van doosjes vouwen met een zootje aso’s en randdebielen.

Aan de Gernaatweg zeggen ze allemaal: “Zie je wel!” en ook vrienden en kennissen van Richard knikken wijs met het hoofd. Christine Inderwisch: “Ik was er zeker van dat hij het gedaan had, omdat ik haar had meegemaakt en hem zo goed ken. Niet omdat hij een beest is. Dat maken de mensen nu van hem. Dat heb ik hem ook geschreven. De mensen willen een monster. Ze knabbelen aan een biologisch geteeld lamskoteletje en ondertussen gruwen ze van de moordenaar die zelf zijn schapen slachtte.

“Dat stel is ‘verongelukt’. Hij heeft dat mannelijke dat niet opgewassen is tegen een vrouw die op oorlogspad is. Hij is zo’n archetypische man die daar gek van wordt, daar had hij geen antwoord op. Hij wist niet hoe het anders moest; hij had alles voor Hannie geofferd, zijn geld, zelfs zijn gezin en zijn dochtertje dat hij niet meer mocht zien. Zo moet hij gedacht hebben. Ik weet ook zeker dat het Hannies wens niet is dat hij vastzit, daar is zij het absoluut niet mee eens.”


In 2001 werd Klinkhamer in hoger beroep veroordeeld tot zeven jaar cel wegens doodslag op zijn vrouw, Hannie Godfrinon. In 2003 werd hij vervroegd vrijgelaten. Woensdag gehaktdag verscheen in 2007. In 2008 was Klinkhamer te gast in het VPRO-programma 24 uur met… van Wilfried de Jong. Hij sprak toen openlijk over zijn misdrijf.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Ton van Dijk