Arnon Grunberg en het schrijven van ‘stukjes’

Of het lukt is natuurlijk de vraag, maar ik zou wel eens een stukje willen schrijven waar de stukken vanaf vliegen. Zoals Arnon Grunberg!

Ik zit voor het beeldscherm op een wereldprobleem te broeden, en ineens blijf ik aan het woord ‘stuk’ haken. Vier letters slechts, maar een veelvoud aan betekenissen.

Als journalist denk je bij ‘een stuk’ natuurlijk allereerst aan flink artikel, ooit geschreven of nog in de pen. Stukken hebben gemeen dat ze vaak vooraf onhaalbaar en achteraf onherhaalbaar lijken. En ook blijken het uiteindelijk soms stukken van niks.

Na vele jaren van lange stukken schrijf ik vandaag de dag vooral stukjes. Het begrip ‘stukje’ is naar mijn indruk buiten gebruik aan het raken. Van oudsher staat het voor kortjes en cursiefjes, luchtige krabbels in de marge van de krant. Daar zijn er heel veel van gekomen. Volgens de wetten van de economie daalt een overvloedig goed in waarde, maar het stukje is in de loop van de tijd juist opgewaardeerd tot column of blog.

Voetnoot
Of zelfs Voetnoot. Arnon Grunberg is op de voorpagina van de Volkskrant geen stukjesschrijver, maar een columnist op een verhoogje die met één slinger van zijn gouden vulpen democratie, dictatuur, populisme, terreur, conservatisme, haat, seks, moraal, ironie en het menselijk tekort aaneenrijgt, een Wetende Schrijver die een dagelijkse Voetnoot bij het Wereldgebeuren noteert.

Ik heb geen Grunberg in me, geen Voetnoten, slechts stukjes.

Een stukje is geen beetje, maar een stuk, een hele brok. Mannen denken bij ‘stuk’ al gauw aan een adembenemende vrouw, weggelopen uit een zwoele film met sportwagens, stranden en schemerige cocktailbars. Al realiseer ik me dat ik de term in die zin niet zo vaak meer bezig. Of dat komt doordat het aantal adembenemende vrouwen afneemt, valt te betwijfelen – het zal wel vrouwvriendelijke correctheid zijn.

Een andere krachtige betekenis krijgt het woord als we ergens stuk van zijn. Een gebeurtenis heeft ons dermate overrompeld dat we als het ware van schrik uiteen zijn gevallen. Daar liggen we dan, in gruzelementen, een porseleinkast na het bezoek van een olifant. Helemaal het tegenovergestelde van een vent of vrouw uit één stuk: die zijn niet van hun stuk te krijgen.

Stuk mien niks
Toneelspelers voeren stukken op, schakers breken er hun brein op, postbodes bezorgen ze, slordige rijders maken ze, drinkers hebben er één in hun kraag en wie populair is, kan het niet meer. Als we iemand niet lusten, noemen we hem een vuil stuk vreten. De zekeren van hun zaak houden voet bij stuk. De geleerde onderzoekt een vraagstuk, de prelaat een geloofsstuk. Een rechter buigt zich over processtukken. De kunstjesflikker krijgt lik op stuk. En als ze er in Twente niet mee zitten, zeggen ze: “Stuk mien niks.”

Dat stukje uit de aanhef houdt u nog van me tegoed.

Meer leuke content? Like ons op Facebook