Ode aan de Giro d’Italia, het oogverblindend knappe zusje van de Tour

Vandaag begint in Napels de Ronde van Italië  Als de Tour de oudste, grootste, iets te dikke zus is, dan is de Giro het knappe zusje met amandelogen. Het is een van de mooiste wielerkoersen die er bestaan. Maar waarom toch?

De bergen zijn er steiler, het asfalt slechter, de zon onbarmhartiger, de regendruppels natter, de modder kleveriger, de olieplekken gladder, de eeuwige sneeuw eeuwiger, de schaafwonden schrijnender, de massasprints linker, de bochten in de afdalingen onoverzichtelijker, de organisatie ongeorganiseerder, de aandacht kariger, de vluchters kanslozer, het tempo lager, het deelnemersveld zwakker, de rustdagen drukker en de wedstrijddagen rustiger.

Maar ook: de missen zijn er mooier, de oude dorpjes ouder, de tifosi vuriger, de etappes spannender, de wedstrijd opener, de beelden fraaier, de intriges intrigerender, de winnaars verrassender, de vreugdetranen zouter, de monumenten langs de route monumentaler, de taal opwindender, de sfeer losser, het parkoers verrassender, de olijfolie laxerender, de wijn roder, de namen welluidender, de drie weken korter.

De Giro is een vrouw
De Giro, de Giro… Hoezeer taalkundigen ons ook proberen te overtuigen van het feit dat ‘Giro’ masculien is, weet de ware liefhebber wel beter: De Giro is een vrouw, een onneembare vesting van intimiderende schoonheid. Geen Tour, geen lellebel die met iedere boerenlul het maisveld in duikt, maar een vrouw die je nauwelijks lijkt op te merken als ze op metershoge hakken voorbij trippelt. Reusachtige zonnebril steunend op een smal neusje. Ze doet vast iets artistieks, de Giro. Of iets met mensen, maar dan wel op hoog niveau. Ze woont in een smaakvol appartement – voor haar geen protserige villa, zoals de Tour. Geen zwembad in de tuin, maar rozen.

De Giro is zacht meilicht dat fris beregend groen beschijnt, de Tour de schaamteloze felheid van een zon die als een stadionlamp in hoog tempo verdorrende velden beschijnt.

De Giro… Man, de Giro…
Uren staar ik naar de deelnemerslijst. De ene naam nog onbekender en veelbelovender dan de andere. Namen waarvan ik nooit gehoord heb, maar die mijn fantasie meevoeren naar levens die ik nooit leiden zal.

Giairo Ermeti (knecht bij Androni Giocattoli – die naam alleen al…).
Waarom is hij wielrenner geworden, Giairo? Waarom geen protestdichter te Ferrara? Thrillerschrijver in Sardinië? Waarom geen meesterchef in Amsterdam-Zuid? ‘Da Giairo, de beste houtovenpizza’s van 020.’

Fabio Felline (sprinter bij Androni Giocattoli)
Zijn naam doet me denken aan zijn ouders. Hoe ze thuis zitten, in hun tweekamerappartement in een buitenwijk van Viareggio. IJszaak aan de boulevard gesloten na de slechte zomer van 2011. Nu draait hun leven om Fabio. Iedere dag branden zij een kaars voor zijn successen. Vaak tevergeefs. Hij heeft veel pech in het leven. Net als zijn ouders.

Francesco Manuel Bongiorgno (Bardiani Volvole CSF)
Aaahh, Francesco. Zie hoe hij zijn vier vingers tegen zijn duim drukt en zijn hand vervolgens een paar keer kort op en neer beweegt, om zijn vinnige zinnetjes kracht bij te zetten. Hoe hij, leunend aan de bar, trots op zijn professionele outfit, drie espresso’s achter elkaar bestelt bij de mooiste meid van het dorp, Manuela, de dochter van de eigenaar van Bar Centrale. Ze kijkt hem stiekem na als hij wegklikklakt op zijn wielerschoentjes, nieuwe avonturen tegemoet.

Tiziano Dall’Antonia (Cannondale)
Veel van de mensen uit zijn geboortedorp San Quirico d’Orcia kunnen zich Tiziano Dall’Antonia nauwelijks herinneren. Altijd binnen, altijd met z’n neus in de boeken, altijd lezen, altijd op die donkere zolderkamer die uitkeek op een grauwe binnenplaats waar ratten, hoeren en verweesden elkaars gezelschap zochten. Pas toen hij de hele buurtbibliotheek van voor naar achter had gelezen, stapte Tiziano voor het eerst op een racefiets. Het was een donderdag.
Voortaan zagen zijn buurtgenoten hem tweemaal per dag langsrazen.

Darwin Atapuma Hurtado (Colombia)
Zoon van een professor aan de universiteit van Medellin. Wilde niet deugen. Werd meermaals thuisgebracht door de politie. Hij heeft gewoon wat teveel energie, zei moeder Hurtado. Het is een rotjongen, zei professor Atapuma. Tot Darwin op de fiets stapte, en er nooit meer af kwam.
Toen hij voor het eerst in het vliegtuig naar Europa stapte, werd hij door de hele familie uitgezwaaid. Pa Atapuma veegde vlug een traan achter zijn brillenglazen weg.

Ioannis Tamouridis (Euskaltel).
‘s Zomers propper bij de populairste tent van Chersonissos, de Mambo Jive. ‘s Winters metselaar. Tot hij op een rondreis door Europa in Munkzwalm belandde. Ioannis bewonderde de kasseien, rook de klei, voelde de winterkou in zijn botten trekken en zag een wielrenner passeren. Die renner, die man; die wilde hij worden. Daarna wandelde hij een kroeg binnen, belde de Mambo Jive om zijn baantje voor de komende zomer op te zeggen en bestelde een Westmalle Tripel.

Ji Cheng (Argos)
In China vertelt men graag het verhaal dat Ji Cheng eerder kon fietsen dan dat hij kon lopen. Dat verhaal klopt. Men vertelt er echter zelden bij dat Ji Cheng nadat hij eenmaal kon fietsen er geen brood meer in zag om überhaupt nog te leren lopen. Wat dus ook nooit gebeurde. Ji Cheng fietst altijd, overal. Hij fietst van de keuken naar de WC en van de koelafdeling naar de versafdeling. Zijn huis heeft geen trappen, wel mini-Muren van Huy die hij iedere avond moet beklimmen als hij naar bed gaat. Dat naar bed gaan gaat als volgt: Ji manoeuvreert zich naast zijn bed, zet zijn fiets stil in surplace en laat zich vervolgens gewoonweg opzij vallen.
Het verhaal dat Ji Cheng niet op een matras slaapt, maar op een zadel van twee meter bij 1.40, is tot op heden niet meer dan een onbevestigd gerucht.

Meer leuke content? Like ons op Facebook