Wielerliefde in tijden van Astana

Frank Heinen 17 mei 2015 Sport

Zondagmiddag, zo rond half vijf, begonnen de renners in de Giro d’Italia aan de laatste hellende stroken in de laatste etappe voor de rustdag. Op kop reed Tom-Jelte Slagter, een van de leukste dingen die ooit uit Slochteren zijn gekomen – en dan reken ik die miljoenen kubieke meters gas mee.
Tom-Jelte reed al een tijdje op kop, hij was er vroeg aan begonnen en de energievoorraad leek langzaam uitgeput te raken. Maar de voorsprong was geruststellend en de eerste achtervolgers, een ratjetoe aan middelmatige klimmers in topvorm en topklimmers in middelmatige vorm, waren de achtervolging beu, zo leek het.
En toen kwam Paolo Tiralongo (Astana).

Twee hevig rokende koekenbakkers
Paolo Tiralongo (Astana) is 73, hij rijdt sinds begin jaren zestig in het peloton. Toch begon hij pas in de herfst van zijn wielerleven te winnen: een Giro-etappe in 2011 en nog eentje in 2012. Daarna viel de bron droog. Voorgoed, zo leek het.
Dit voorjaar won Tiralongo (Astana) een zware etappe in de Ronde van Trentino en zondag bleek hij min of meer twee keer zo snel als Slagter. Hij jaste maar door, op de steilste delen van de klim, alsof hij niet een hele week op kop had moeten rijden voor het Astana-opperhoofd Aru (Astana), alsof er niet gereden was als krankzinnigen, alsof er geen oud-Girowinnaar was (Hesjedal) die niets anders hoefde te doen dan zijn aanval verijdelen, alsof hij niet bijna 38 was, alsof er de afgelopen vijftien jaar in het wielrennen gewoon helemaal niets veranderd was.
Tiralongo kwam bij Slagter, schudde hem af als een hond dat doet met een blaadje dat op zijn rug gedwarreld is en jakkerde voort naar de zege.
Achter Tiralongo (Astana) eindigde Kruijswijk, die met zo onvoorstelbaar veel durf en lust koerst dat je wel een zege voor hem zou willen kopen, of crowdfunden of Joost-mag-weten hoe dat tegenwoordig werkt, in het Nieuwe Wielrennen, als tweede. Niet veel later kwam een groepje met de vierde beste klimmers van het moment aan de streep: nadat Landa (Astana) de voorsprong van het groepje min of meer op eigen houtje naar een minuut had gereden, sprintten Contador, Porte en Aru (Astana) uit alle macht om, ja, om wat eigenlijk? Contador zette aan, Porte deed een halfzachte poging en toen kwam Aru, die met een paar rukken aan zijn stuur de anderen de andere twee uit zijn wiel trapte alsof het niet ging om twee van de beste ronderenners van hun generatie, maar om twee hevig rokende koekenbakkers met een zak aardappelen op de bagagedrager.

Op Twitter schreef ik: Ik vind alle renners die niet bij Astana rijden erg tegenvallen, een opmerking die nogal wat bijval kreeg. Gelukkig, dacht ik, ik ben niet de enige die zo naar de koers zit te kijken: als iemand die op z’n hoede is. Wie wil de toerist zijn die zich op de Ramblas afvraagt hoe die Roemenen dat toch doen, met die balletjes onder die hoedjes – liever zit je verderop op een terrasje minzaam te glimlachen om zoveel naïviteit.
Ironie is geen medicijn, maar als pijnstiller voldoet het over het algemeen prima.

Je kunt cynische grapjes over trainingsmethoden en verbeterd materiaal maken, zoals je ook kunt zeggen dat de wielerfan diep van binnen bedrogen wil worden, dat bedrog een onlosmakelijk (en, laten we wel wezen, hartstikke spannend) onderdeel van de sport is, dat sport per definitie oneerlijk is, dat dopinglijsten onvolledig en belachelijk zijn en dat sommige vormen van verboden medische begeleiding de gezondheid van de sporter waarborgen.
Je kunt ook je vingers in je oren doen en je iedere dag weer laten verbazen door zoveel verbijsterende koersontwikkelingen. Heb je een hoop lol van, maar aan ieders vermogen om zich ironisch te laten verbazen zit een grens en die grens heeft de Astana-ploeg (drie man bij de eerste vijf, zeven bij de eerste dertig van het klassement) in de eerste week van de Giro wat mij betreft ruimschoots overschreden.

Schitterende illusie
Ik vind niet dat alle sport eerlijk en schoon moet zijn – integendeel zelfs: ik ben erg voor slinksigheden en smerige trucs. Zolang de veiligheid en de gezondheid van renners niet buitensporig in het geding komt, hoef ik niet te weten wat er zich allemaal in de coulissen afspeelt, zolang het gebodene op de fiets de moeite waard is.
Koers is theater, entertainment, en de eerste week van de Giro was theater van het aller-, allerentertainendste niveau, al werd de boel allengs wel steeds een beetje ongeloofwaardiger, tot we zondag uiteindelijk naar een volstrekt absurdistische eenakter zaten te kijken, het soort toneel waar er ieder moment een koe uit de lucht kan vallen en waar sommige acteurs niet eens meer de moeite hebben genomen hun kostuums aan te trekken, omdat ‘het toch niet echt is’.
Wielrennen is een schitterende illusie, altijd, wat je ziet, is nooit wat er werkelijk gebeurt. Als het maar de schijn van echtheid bezit.
In die schijn kan ik nu even niet geloven. Toch jammer.

Reageer op artikel:
Wielerliefde in tijden van Astana
Sluiten