Bij De Telegraaf klotste het geld tegen de plinten

‘SJUUL, DEZE KRANT IS VOOR JOU! Redactie verbijsterd, overvallen en verdrietig.’

De krant van Wakker Nederland rouwt. De redactie is haar sterke leider, hoofdredacteur Sjuul Paradijs, kwijt en lijkt nu overgeleverd aan grillen van grootaandeelhouder Dasym, die de krant in stukken wil hakken en – hoogstwaarschijnlijk – vervolgens in delen wil verkopen. Dat doet pijn, getuige de chocoladeletters op de voorpagina van de krant van vandaag. Maar ‘verbijsterd’ en ‘verdrietig’: dat klinkt ietwat merkwaardig. Zeker voor wie, zoals ik, ooit stage heeft gelopen bij De Telegraaf.

Ergens in 1986 moet dat zijn geweest, het jaar waarin ook Paradijs bij de krant begon. Ik zat destijds in het derde jaar van de Academie voor de Journalistiek in Kampen (CAJK) – de ‘journalistenmavo’ in de woorden van toenmalig Volkskrant-columnist Jan Blokker.

De Telegraaf was destijds taboe onder journalisten in spe. Een rechts-populistische sensatiekrant. Daar ging je geen stage lopen, laat staan werken. Onze stagecoördinator zat er lelijk mee in zijn maag. Had hij met zijn collega’s van de andere twee grote journalistenopleidingen (Tilburg, Utrecht) na lang zeuren eindelijk voor elkaar gekregen dat stagiair(e)s welkom waren in het doorgaans nogal gesloten bolwerk aan de Basisweg, wilde er niemand heen!

Ik had nog geen stageplek. Was De Telegraaf dan niets voor mij?, smeekte de coördinator mij. Als er helemaal niemand ging, was dat niet alleen vooroordeelbevestigend – “Zie je wel, die luie linkse studenten blieven ons niet.” Grote kans dat de deur dan voorgoed dicht zou gaan. En dat wilde de CAJK koste wat kost voorkomen.

De Telegraaf? Toegegeven, het was en ís niet mijn krant. Maar er drie maanden rondsnuffelen, daar voelde ik wel wat voor. Het was en is per slot van rekening wel de grootste krant van Nederland. Op zijn minst een interessante ervaring. Ik zei ‘ja’. Zo belandde ik op een maandagochtend op de kamer bij toenmalig adjunct-hoofdredacteur en de latere hoofdredacteur Johan Olde Kalter. Samen met onder meer de latere ‘sterreporter’ Martijn Koolhoven, destijds student aan de School voor de Journalistiek in Utrecht.

Olde Kalter sprak ons vaderlijk toe. We waren welkom. Maar tegelijkertijd hield hij zijn hart vast. Misschien schuilde er in een van ons wel een Nederlandse Gunter Wallraff, opperde hij, refererend aan de Duitse undercoverjournalist die eind jaren zeventig de soms mensonterende praktijken bij de Duitse krant Bild Zeitung had blootgelegd en in 1985 veel furore maakte met Ik, Ali, zijn boek over zijn onthutsende ervaringen als vermomd gastarbeider in Duitsland.

Om dit risico uit te sluiten had Olde Kalter nog even overwogen ons een geheimhoudingsovereenkomst te laten tekenen. Maar na ampel beraad – stel die overeenkomst zou uitlekken – had de adjunct daar toch vanaf gezien. Hij hoopte dat wij het vertrouwen niet zouden beschamen.

Kwispelstaartend gingen we aan de slag. Koolhoven bij Stan Huygens Journaal, de societyrubriek, ik bij De Courant/Nieuws van de Dag, de op Amsterdam gerichte kopkrant van De Telegraaf en later bij Telesport, de sportredactie.

Bij De Courant/Nieuws van de Dag kreeg ik alle ruimte. Op de sportredactie was ik de krullenjongen. Iedere verslaggever had zijn eigen toko. Die werd fel verdedigd. Ik herinner me hoe twee van hen – Frits Huis, inmiddels wethouder in Almere, en autosportverslaggever Coo Dijkman – elkaar op een middag ten overstaan van de gehele redactie op beschamende wijze totaal verrot scholden. Een ding was mij al snel duidelijk: op deze apenrots was een stagiaire aangewezen op verhalen in de marge van de marge.

Mijn grootste wapenfeit: een reportage over Dennis van Wijk, een voormalig Ajax-talent dat na een aantal jaren in Engeland was neergestreken bij FC Brugge in België. Een leuke klus. Ik mocht ervoor naar Antwerpen, waar de schoonouders van Van Wijk een donkerbruine kroeg runden.

Aan het eind van de maand schreef ik mijn onkostendeclaratie. Bij elkaar 90 gulden – voornamelijk reis- en verblijfskosten in Antwerpen. Ik liep naar Charles Taylor, de toenmalige chef sport. Die moest het formulier ondertekenen. Hij wierp er een blik op, pakte een pen en zette er in een haal een groot kruis doorheen. Ik schrok me rot. Wat had ik nu aan mijn fiets hangen… Had ik teveel gedeclareerd?

Taylor: “Joh, dit kan echt niet, dit moet opnieuw. Anders krijgen wij problemen met boven. Kom maar terug als je op duizend zit.”
“Maar… duizend gulden. Hoe moet dat dan?,” antwoordde ik in paniek.
“Loop maar even langs de jongens. Die helpen je wel verder.”

Voetbalverslaggever Henk Evenblij, een van de ‘jongens’, wist raad. Nadat ik hem mijn probleem had voorgelegd, trok hij direct zijn la los en toverde een stapel onbeschreven bonnenboekjes tevoorschijn. ‘Een lunch, 25 gulden’, krabbelde hij op een briefje. “Zo: dat is een.”
Een half uur en bijna de complete sportredactie later zat ik op 950 gulden. Taylor tekende. Stoïcijns.
Mij, als 22-jarige blaag, totaal verbijsterd achterlatend.

Meer leuke content? Like ons op Facebook