Spring naar de content
bron: ANP/Jerry Lampen

Hoe Rob de Wijk het orakel uit het Westen kon worden

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: De Redactie
Al ruim twintig jaar is hij veelgevraagd expert in de media bij kwesties van defensie en internationale betrekkingen. In welke kringen verkeert Rob de Wijk (63)? Sinds 2007 bestiert deze Dwarse Denker zijn eigen denktank. “De meeste debatten gaan over wenselijkheden. Ik kijk naar wat haalbaar is.” [caption id="attachment_583453" align="alignright" width="300"]Rob de Wijk Beeld:[/caption] De tien jaar geleden door hem opgerichte denktank is rond Prinsjesdag verhuisd, van de ene kant van het Haagse Lange Voorhout naar de andere. Aan het vorstelijke uitzicht op de jaarlijkse koninklijke processie wordt door die verhuizing dus geen afbreuk gedaan. Het oude onderkomen aan de kant van de Britse ambassade en hotel Des Indes mocht er al zijn, maar het nieuwe, rigoureus gerestaureerde pand ademt óók chic en prestige en is beter ingericht op de groei. Alleen ontbreekt er op de dag dat wij ons aandienen nog een bel. Het gebouw waarin het nieuwe hoofdkwartier van het The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) is gevestigd, kan bogen op een rijk verleden. Beneden herinneren kluizen aan een verleden als locatie van Bank Mees & Hope. Maar het is ook een onderkomen van de familie Kröller-Müller geweest, die er vooral veel kunst had opgeslagen. Een deel van het pand moet, eerder nog, in gebruik zijn geweest als logement, van waaruit Vincent van Gogh een zeegezicht zou hebben geschilderd. Een paar panden verderop herinnert een na al die jaren nogal slecht leesbare plaquette aan het gegeven dat anno 1940 opperbevelhebber Winkelman vanaf hier leidinggaf aan de landsverdediging. Van HCSS is prof. dr. Rob de Wijk – ook alweer 63, al zou je dat niet direct zeggen – nog steeds het uithangbord, maar hij heeft inmiddels wat meer afstand genomen van de dagelijkse, uitvoerende gang van zaken. Die stap terug naar een ‘non-executive directorship’ biedt hem meer ruimte voor het soort onderzoek dat hem bij de oprichting voor ogen stond. Daarnaast is er zijn Leidse hoogleraarschap internationale betrekkingen – aan zijn professorale bemoeienis met de KMA heeft hij in 2008 zelf een eind gemaakt – in combinatie met het onderhoud van een groot internationaal relatienetwerk. De Wijk is – to put it mildly – niet gezegend met zoiets als valse bescheidenheid. Hij laat, gevraagd en ongevraagd, volgaarne doorschemeren dikke mik te zijn met mensen die er nog meer toe doen dan hijzelf. Vertel hem niets over de Amerikaanse minister van Defensie James (‘Mad Dog’) Mattis, of Trumps nationale veiligheidsadviseur ‘HR’ (wat staat voor Herbert Raymond) McMaster. Het zijn het soort spelers op het wereldtoneel met wie hij zich denkt te kunnen meten; dat is althans de indruk die hij wekt. Nee, het is hem niet komen aanwaaien. Hij gelooft eerder in het afdwingen van succes dan in mazzel en werkt, zei hij eens in een interview, ‘zeker zestig tot zeventig uur per week’. Van al zijn invloed getuigen ook zijn lidmaatschappen van de Strategic Advisors Group van de Atlantic Council in Washington en de Senior Steering Group van de NATO Special Forces Headquarters. Zijn betrokkenheid bij het laatstgenoemde gremium, in de vorm van een briefing in het Intelligence Fusion Center in Afghanistan, zou kunnen verklaren waardoor hij in zijn wekelijkse column in dagblad Trouw kon claimen al enige maanden voor de dood van Osama bin Laden in mei 2011 ongeveer op de hoogte te zijn geweest van diens Pakistaanse onderduikadres. Hij zegt destijds nogal te hebben opgekeken van alle rumoer over het stukje waarin hij zijn wetenschap vervatte. Door invoering van de zoektermen ‘Rob de Wijk’ en ‘Special Forces’ hadden al die geïntrigeerde reaguurders, vooral afkomstig uit de mediasector, snel kunnen achterhalen hoe het zat, maar in plaats daarvan hadden ze zijn voicemail zo ongeveer doen ontploffen, juist toen hij zich in de Bourgogne in zijn tweede huis ver weg van het wereldgewoel waande. Hij voelde zich in dat wereldgewoel overigens wel op zijn gemak. Inzake onze betrokkenheid bij Afghanistan heeft hij zich na ‘die chaotische afgang in Uruzgan’ bepaald niet onbetuigd gelaten. Uit een eerder interview: “Achter de schermen heb ik nog geprobeerd daar wat aan te doen, maar dat is allemaal mislukt. In Washington heb ik besproken of er een nieuwe missie kon komen. Uiteindelijk heeft dat geleid tot de halfbakken missie in Kunduz.” Ach, typisch Rob, luidden soms de wat smalende reacties binnen de branche. Men heeft daar niet zelden zijn bekomst van wat soms wordt gepercipieerd als een ‘oversized ego’, met het daarmee samenhangende verzengende ambitieniveau, gekoppeld aan een onbegrensde scoringsdrift, waarbij niet onverdienstelijke verrichtingen worden uitvergroot tot heroïsche megaprestaties. Ja, hij mag er dan een niet te onderschatten netwerk op nahouden (“Met Jim Jones, de vorige voorzitter van de Strategic Advisors Group, hebben wij het Afghanistan-beleid van Obama gemaakt,” zo lezen we in een tamelijk typerend oud interview), in de loop van een nogal voorwaarts mars-achtig verlopen loopbaan hebben zich in dat netwerk behalve friends ook de nodige foes genesteld. Als denker over internationale verhoudingen, gepokt en gemazeld in strategische zaken, alwaar ‘friend or foe’ een standaardbegrip is, moet De Wijk daar niet van opkijken. Zowel vriend als vijand kwamen afgelopen zomer op de late zaterdagavond royaal aan hun trekken in het door WNL uitgezonden televisieprogramma Weg van de wereld. Daarin verkenden De Wijk en collega-historicus (en voor een blauwe maandag VVD-parlementariër) Arend Jan Boekestijn (58) als weldenkend duo aan de hand van enkele thema’s de veranderende internationale betrekkingen. Samen maken ze al een paar jaar een radioprogramma voor BNR (het nieuwe seizoen van Boekestijn en De Wijk is in oktober begonnen), waarin ze onder leiding van een presentator op de zaterdagochtend verbaal tegen elkaar opbieden. In Weg van de wereld werden de internationale kwesties besproken met telkens een andere prominente logé (de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders was de eerste) op een daartoe afgehuurd visueel verleidelijk Utrechts landgoed. De twee waren kundig gecast, want niet alleen voerden de gastheren tegenover elkaar het hoogste woord, we kregen hen ook nog te zien terwijl ze boodschappen deden, kruiden plukten, de maaltijd bereidden, pianospeelden, wijntjes schonken, een motorfiets bereden dan wel een baantje trokken in het zwembad (waarbij met name aan de hand van de beeld- en badvullende Boekestijn bleek dat de wereld van de internationale betrekkingen bepaald geen slankmakertje is). Het programma werd redelijk bekeken en, minstens zo relevant volgens De Wijk en WNL-voorman Bert Huisjes, hoog gewaardeerd. Beiden bevestigen dat het streven gericht is op een nieuwe serie, maar omdat die niet nog eens uit de experimentenpot kan worden gefinancierd, is het aan de Hilversumse bovenbazen of er al dan niet een vervolg komt. De Wijk: “Wie het heeft bedacht? Ik. Vijf jaar geleden heb ik eens met de toenmalige top van de NPO gesproken naar aanleiding van de publicatie van mijn boek Vijf over twaalf, waardoor we in gesprek raakten. Toen eind vorig jaar het vervolg daarop, De laatste revolutionaire golf, uitkwam en de wereld zo langzamerhand echt aan het veranderen was, hebben we dat project gerichter benaderd, onder andere door zelf een producent te vinden. Ja, het deed denken aan dat programma Villa Felderhof, daarvan heb ik het afgekeken, daar ben ik eerlijk in. Aanvankelijk was het mijn bedoeling om mijn huis in Frankrijk als decor te gebruiken, maar dat idee moest ik al snel laten varen omdat de aanvoer van gasten een logistieke nachtmerrie zou hebben betekend. “We stelden ons ten doel een programma te maken waarin ingewikkelde zaken aan de orde kwamen, maar dan niet in een Buitenhof-achtige setting en waarnaar wél zou worden gekeken. Ik wilde het graag met Arend Jan doen omdat onze interactie bleek te werken bij BNR.” Hun samenwerking kreeg gestalte naar aanleiding van een – in De Wijks woorden – ‘vete, tussen aanhalingstekens, over de Amerikaanse inval in Irak’. Arend Jan was voor, Rob tegen (‘en ik heb daarin achteraf gelijk gekregen’). Hoewel er dus het nodige is wat hen (nog steeds) scheidt – “Arend Jan zit meer op het spoor van de politieke duiding, hij is dan ook niet voor niets even politicus geweest, ik meer op dat van de zakelijke haalbaarheid” –, zijn ze ‘toch een soort van maten’ geworden. In interviews komt De Wijks aversie tegen wensdenken veelvuldig aan de orde. Een voorbeeld: “In de politiek lopen wensdenken en haalbaarheden dwars door elkaar heen. Negentig procent van de debatten gaat over wenselijkheden. Wat ik doe is precies het tegenovergestelde. Ik hoor bij de tien procent die kijkt hoe de situatie in elkaar zit, wat haalbaar is. Ik zit dichter tegen de realistische school van internationale betrekkingen aan die je in de VS tegenkomt. In Europa is het allemaal moreel-ethisch wensdenken. Dat gaat altijd fout.” Het zijn dit soort kordate geluiden (haaks staand op het beeld van dr. Clavan, de beroepsdeskundoloog, zoals Kees van Kooten die vormgaf op basis van de toenmalige televisiepraktijk) die De Wijk maken tot een veelgevraagde leverancier van ter zake doende soundbites voor radio, televisie en andere media. Maar in de conversatie blijft hij zijn rol als mediapersoonlijkheid met een zekere hardnekkigheid relativeren. “Als je veel in de media komt, geeft dat een enorme druk om op een gegeven moment de hele dag doende te zijn met die media. Daar wilde ik vanaf. Wat ik doe is ook zoveel breder dan het beeld dat daarvan in de media is ontstaan. Op een gegeven moment werd ik aangekondigd als defensiedeskundige, maar dat beeld van mij dateert van dertig jaar geleden. Mijn scope is inmiddels veel groter: daarna ben ik deskundige geworden op het gebied van terrorisme en ten slotte specialist in de internationale betrekkingen, waarin ik hoogleraar ben in Leiden. “Vooral dat ‘defensie-expert’ beklijft, maar ik heb nog nooit een boek over defensiezaken geschreven, en wel een heel aantal over internationale betrekkingen. Ja, het klopt dat mijn afstudeerscriptie toen ik in Groningen eigentijdse geschiedenis studeerde wel over defensie ging, net als later mijn proefschrift in Leiden (Flexibility in Response – Attempts to Construct a Plausible Strategy for NATO). Voor dat scriptieonderzoek kwam ik indertijd, eind jaren zeventig, terecht bij het Polemologisch Instituut, destijds een begrip. De oprichter professor Bert Röling verkeerde in zijn nadagen. Zijn collega Hylke Tromp zei toen – en ik herinner me zijn woorden letterlijk – dat ik bij mijn onderzoek wel moest bedenken dat we er ook waren om de vredesbeweging te ondersteunen. Ik wist niet wat ik hoorde. Ik had ook toen al helemaal niets met het idee van activistische wetenschap. Onderzoek moest gewoon uitwijzen wat er aan de hand was. Curieus genoeg kon Röling mijn neutrale aanpak wel waarderen en hij heeft er toen nog voor gezorgd dat ik een prijs voor die scriptie heb gekregen.” Niet gek voor iemand die zijn schoolcarrière maar moeizaam was begonnen. Hetgeen kan worden geïllustreerd met het gegeven dat hij twee keer op de mavo bleef zitten. Als naar zijn zeggen door zijn tamelijk vooruitstrevende ouders hogelijk gestimuleerde ‘stapelaar’ haalde hij vervolgens havo en atheneum, om daarna dus geschiedenis te gaan studeren in Groningen. Van voor zijn veertiende jaar heeft hij door een ongeluk overigens geen eigen herinneringen, zo legde hij eens uit in een interview: “Amnesie. Er schoot een veer met grote snelheid tegen mijn hoofd bij het uit elkaar halen van een bed.” Op jeugdige leeftijd zette hij aanvankelijk in op een loopbaan in de door hem fanatiek beoefende zeilerij, waarbij hij samen met een vriend een nog bestaande uitgeverij op watersportgebied opzette. Hij legde daarbij ook technische handigheid aan de dag. Vervolgens koos hij een tijd voor de journalistiek, onder andere freelance voor de VPRO-radio. Via journalistiek contact met de toenmalige minister van Defensie Frits Bolkestein kreeg hij een baan op diens ministerie als ‘hoofd conceptuele zaken’ van de Directie Algemene Beleidsaangelegenheden. Opmerkelijk voor een gewezen dienstplichtige ‘hospik’ die het niet had weten te brengen tot soldaat 1, om uiteindelijk voortijdig te mogen vertrekken: “Nee, het leger was niets voor mij.” Op Plein 4 maakte hij in die jaren na de val van de Muur naam als een scherpe, zij het niet altijd geliefde geest. (Defensie werd in deze tijd zo ongeveer gehalveerd: van de 927 Nederlandse Leopard-tanks bijvoorbeeld bleef er niet één over.) Hij manifesteerde er een uitgesproken hekel aan de irrationaliteit en inhoudelijke gemakzucht waartoe de politiek zichzelf zo vaak veroordeelde, en waarvan het drama Srebrenica het schrijnendste voorbeeld vormt. Hoewel hij onmiskenbaar verstand heeft gekregen van militaire aangelegenheden in brede zin, weigert hij zichzelf als een typische defensiedeskudige te zien: “Ik weet er wel wat van en kan nog wel een pantservoertuig van een grasmaaier onderscheiden, maar ik ben meer van de concepten dan van de schroeven en bouten.” In zijn tijd op Defensie overwoog hij (eerst actief op lokaal politiek niveau en later in de programmacommissie) ook een politieke carrière, maar de hem in 1994 door de achterban verleende plek op nummer 72 van de D66-lijst vormde voor zo’n switch niet echt een gedroomd mandaat. Sinds hij een kleine twintig jaar terug door presentator Paul Witteman in Het Lagerhuis werd begroet als ‘de nieuwe minister van Defensie’ is dat verhaal blijven rondzingen. De Wijk: “Maar ten onrechte. Ik schijn dan wel genoeg van een aantal onderwerpen te weten om weleens op een lijstje te belanden, maar dat zegt meer over de media die die lijstjes levendig houden dan over mijn affiniteit of ambitie inzake de politiek. Ik probeer eerlijk gezegd mijn politieke voorkeur zoveel mogelijk buiten beeld te houden, omdat ik vind dat het vooral om de argumenten moet gaan. Ik heb wél een pasje voor de Kamer en kom er vaak.” Zij het niet zo frequent als Dorien van Lent, zijn partner sinds een decennium of drie. Haar vader, een generaal, was voor het CDA lang staatssecretaris van Defensie. Zij stond als fractiemedewerker Bram Stemerdink, PvdA-defensiewoordvoerder in de Tweede Kamer terzijde. Vervolgens vertrok zij in het kielzog van Tineke Netelenbos naar het ministerie van OCW, waar zij tot op de dag van vandaag verantwoordelijk is voor de contacten van de minister met de Tweede Kamer. Het maakt ‘Rob en Dorien’ tot een perfect politiek ingespeeld power couple. Nadat Defensie en De Wijk min of meer op elkaar uitgekeken waren geraakt, volgden vanaf 1997 een tiental jaren op Instituut Clingendael. Hij vervolmaakte er onder andere zijn praktijk als voor de media op afroep beschikbare allesweter, maar voegde zich op basis van zijn karakter soms maar moeilijk in het daar dominante denktank-gareel. Het verbaasde dan ook niet dat De Wijk ook weleens zelf de baas wilde zijn (in de politiek, dan wel elders) en anno 2007 begon met een eigen denktank(je), HCSS. De reserve waarmee De Wijk tegenwoordig zijn veelgevraagdheid als soundbite-leverancier bejegent, is een duidelijk geval van voortschrijdend inzicht. “Ik ben nu eenmaal mediageil,” viel er achttien jaar geleden nog uit de mond van De Wijk te lezen in een NRC Handelsblad-profiel, verschenen naar aanleiding van zijn enorm gegroeide media-presentie inzake het toen spelende conflict in Kosovo. Hij had van al die manifestatie van ambitie en aanzwellende roem een overzichtje bijgehouden. Daaruit bleek dat zijn deskundigheid, gekoppeld aan een vertrouwenwekkende flux de paroles, zich had vertaald in maar liefst 72 televisieoptredens. Een jaar eerder was hij 63 keer op de televisie geweest (en 55 keer op de radio): “Ik heb me laten vertellen dat ik toen vaker op de buis ben geweest dan enig andere Nederlander. Afgezien van de presentatoren dan.” Maar heus, we moeten van hem aannemen dat hij niets heeft met het hierboven omschreven soort roem. Het hoorde er toen bij, als een soort broodwinning, en het ging vervelen. “Overexposure is ook een gevaar. Er wordt gedacht dat je het doet omdat het bevredigend is voor je ego. Maar het gaat mij om het publieke debat, dat vind ik het mooiste wat er is. Dat is wat mij drijft. Het klinkt misschien gek, maar ik heb helemaal niets met bekendheid. Stopt de belangstelling voor wat ik te beweren heb, dan ga ik toch lekker naar de Bourgogne?” Maar zover is het nog niet en vooralsnog blijft hij dan ook met overgave aan de weg timmeren. We hadden De Wijks sparringpartner in Weg van de wereld, de niet minder egomaan ogende Arend Jan Boekestijn, graag naar zijn opvattingen gevraagd inzake de samenwerking en de pikorde in de wereld van de internationale betrekkingen. Maar de historicus, docent aan de Universiteit Utrecht en Elsevier-columnist blijkt van dat voornemen nauwelijks gediend: “Of we bevriend zijn? Waarom wilt u dat weten?” Noem het nieuwsgierigheid. Geërgerd klinkend (en vervolgens de verbinding verbrekend): “Dan ga ik nu maar weer verder met mijn werk.” Ook oud-Clingendael-directeur Fred van Staden (destijds medeverantwoordelijk voor de geleidelijke transfer van De Wijk van de ambtenarij op het departement van Defensie naar detachering op Instituut Clingendael), oud secretaris-generaal van de NAVO Jaap de Hoop Scheffer en oud-minister van Defensie Joris Voorhoeve (alle drie drager van de professorstitel en alle drie nog actief in de op BZ kantoorhoudende en in deze sfeer niet van relevantie gespeende Adviesraad Internationale Vraagstukken) laten via het AIV-secretariaat weten geen medewerking te kunnen verlenen aan een publicatie inzake De Wijk en diens HCSS-denktank. Jammer, temeer daar de naam van Van Staden als bron in een De Wijk-profiel was gesuggereerd door De Wijk zelf. Bij de oprichting van zijn eigen HCSS had De Wijk – toen nog in samenwerking met TNO – een lichtend voorbeeld voor ogen gestaan: The Rand Corporation. Dat is een in Californië gevestigde denktank die niet alleen doet aan kwalitatief onderzoek, zoals Clingendael, maar vooral ook op kwantitatieve (‘evidencebased’) research. ‘Kwantitatief’ wil zeggen dat het gebaseerd is op een enorme hoeveelheid data; bij kwalitatief onderzoek wordt er sterker geleund op literatuur en interviews. Nee, die Nederlandse Rand Corporation is er dus niet gekomen, ook al omdat TNO als participant afhaakte. En Instituut Clingendael is nog altijd een paar keer zo groot als HCSS. Die tegenstelling tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek wordt in de branche overigens vaak als nogal kunstmatig ervaren. De sterke nadruk op ‘kwantitatief en breed’, waarbij de data worden verkregen met behulp van de modernste computertechniek, wordt vooral ervaren als unique selling proposition-achtige beeldvorming, bedoeld om HCSS een goede niche in een moeilijke markt te bezorgen. Met dezelfde scepsis wordt er soms gekeken naar het beeld dat HCSS zou kunnen bogen op een klinkende buitenlandse clientèle. “Ach, typisch Rob,” luidt ook daarop nogal eens de reactie. Want het denktankwezen is steeds meer een vechtmarkt geworden, met steeds meer aanbieders (bijvoorbeeld universiteiten) en met een beperkt aantal, almaar meer noten op hun zang hebbende, opdrachtgevers. De tijd dat Clingendael zo’n beetje zelf besloot wat en hoe te onderzoeken is allang voorbij. Clingendael en De Wijks HCSS zijn zelfs tot vergaande samenwerking veroordeeld op het vlak van de sinds jaar en dag verschijnende zogenaamde Strategische Monitor waarin BZ en Defensie de toestand in de wereld krijgen aangeleverd. De presentatie ervan was in handen van Monika Sie Dhian Ho (de nieuwe directeur van Clingendael) en Rob de Wijk. De Wijk en Ko Colijn – de voorganger van Sie – waren nooit vrienden geweest, maar nu verliep het allemaal harmonieus. Nieuw in het HCSS-onderzoek is dat er nu ook serieus rekening mee wordt gehouden dat zelfs Amerika, de grote pijler van ons veiligheidsbeleid, door politiek geweld zou kunnen wegzinken in chaos. In tijden van bezuiniging hadden de voornaamste opdrachtgevende ministeries (vooral BZ en Defensie) hun eigen ambtelijke denktankachtige activiteiten zo goed als afgebouwd. Dat heeft wel geleid tot meer uitbesteding van onderzoek. Maar tegelijkertijd geschiedt het gunnen van adviesopdrachten tegenwoordig tegen almaar stringentere, concurrentiebevorderende en daarmee krappere voorwaarden. Maar wellicht valt er de komende jaren op basis van het door het kabinet Rutte III aangekondigde defensiebeleid nog een centje te verdienen bij het ontwerpen daarvan. De naar een toekomstbestendige visie hunkerende Rob de Wijk is er he-le-maal klaar voor.

Onderwerpen