In memoriam Menno Wigman (1966 – 2018): ‘In plaats van te huilen, herlees ik hem’

De veel te jong overleden Menno Wigman is vandaag (donderdag, red.) op begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam begraven. Goede vriend en journalist Joris van Casteren haalt in onderstaand in memoriam herinneringen op aan deze grote dichter.

Menno Wigman
Menno Wigman. Beeld: Bianca Sistermans/Beeldunie

Donderdag om kwart over negen stierf mijn vriend Menno Wigman in het Amsterdamse VU-ziekenhuis. Daar was hij zondagavond opgenomen, toen hij thuis in de Bonairestraat onwel werd. Artsen wisten hem nog drie en halve dag in leven te houden, hij was niet meer bij kennis.

Abys Kovács – weduwe van Rogi Wieg, met wie Menno een prille relatie onderhield – was voor het eerst bij hem op bezoek. Zij belde 112, de melding kwam om 20:57 uur binnen, zie ik op Alarmeringen.nl. Ritnummer 11691 werd ingeboekt, met spoed vertrok een ambulance.

Neeltje Maria Min, zijn dierbaarste vriendin, is donderdag na het overlijden met Menno’s tante naar zijn huis gegaan. Op de mat, schreef ze mij, lag een bericht van Post.nl: ‘Wij hebben u gemist.’

Op het computerscherm in zijn werkkamer las Min de tekst ‘Er is helaas iets fout gegaan’. Ze zag zijn zwarte, goedgepoetste schoenen staan, ‘op een afstand van enkele meters, met de punten naar elkaar toe’.

In plaats van te huilen, dat lukt nog niet, herlees ik hem. Koortsachtig, want alles wat hij schreef is zo geweldig goed. De gedichten natuurlijk, maar ook Het gesticht (2007), een essayistische reportage over zijn verblijf als writer in residence in de Willem Arntsz Hoeve te Den Dolder

Het is een prachtig kleinood, vol bespiegelingen. Over zijn malle jeugd in Santpoort – hij deed aan schermen, viste, vond een kameraad die bankbiljetten verbrandde, raakte in de ban van punk en dood – waar ook al een gesticht stond. Over De Nerval, Achterberg, Benn en ander zwartromantisch gespuis dat hem de literatuur inlokte.

Met valse motieven, beweerde hij in ‘Puber’, uit de bundel Dit is mijn dag (2004): ‘Wat had je in Vergilius te zoeken? / Dat met die Dido leek vooral bedoeld / om een afstandse leerkracht te ontroeren.’

Die afrekening met zijn ambt en zichzelf – zijn werk staat er vol mee – is van zo’n ‘duizelingwekkende precisie’ (zijn definitie van wat poëzie zou moeten zijn) dat de strekking ervan zichzelf onderuit haalt en weer opricht.

Hij was net 51. Een zonderlinge kwaal, het syndroom van Löffler, werd hem fataal. Slechts veertig mensen op de hele wereld hebben het. ‘Hoe krijg ik het voor elkaar dat ik daar uitgerekend mee rondloop?’ vroeg hij zich in 2016 in een interview met De Volkskrant af.

Dankzij die kwaal die hem in 2015 op de rand van de dood had gebracht – ‘Je hart heeft moeten hoesten. Even, / heel even viel de stroom uit in je bast.’ (‘Opname’, uit: Slordig met geluk) – kon hij niet meer schrijven ’s nachts. Want overdag – op normale tijdstippen, als hij sliep – waren er medische controles en onbegrijpelijke onderzoeken.

Sinds die tijd leefde hij, als een mol uit zijn hol verjaagd, noodgedwongen in de wereld van belastingformulieren, bankafschriften en briefpapieren; ‘die inkt van niks die zegt dat we bestaan.’ (Tot besluit, uit Dit is mijn dag).

‘Wie ’s nachts leeft, dacht ik laatst, doet niemand kwaad,’ schrijft hij in Het gesticht. ‘En als je ervoor zorgt dat je overdag amper te bereiken bent zullen je heel wat onzinnige ruzies bespaard blijven.’

Met ruzies – het is Menno ten voeten uit – kon hij niet overweg. Het beste is, inderdaad een wijze les, om altijd ‘sorry’ te zeggen, ‘ook, misschien juist wanneer je er niets van meent’. Het uitspreken van ‘dat domme woord’ heeft hem al ‘voor ik weet niet hoeveel narigheid behoed.’

Aan het einde van zijn verblijf in Den Dolder organiseerde hij een poëziemiddag; patiënten mochten voordragen uit eigen werk. Op dat moment voelde hij zich redelijk op zijn gemak in de kliniek, in het begin was dat anders geweest:

‘Het meest schrok ik nog toen ik op een zondagavond mijn wasgoed uit de wasserette haalde en iemand in het donker – naast mij? achter mij? – een godsgruwelijk harde boer liet. (…) Vanochtend kreeg ik het opnieuw te kwaad: toen ik de gordijnen openschoof, zag ik dat het vannacht gesneeuwd had en dat er op de besneeuwde tuintafel corinthiërs 27:12 stond geschreven.’

In 2014 besloot hij als stadsdichter van Amsterdam in de Bijlmerbajes poëzielessen te geven aan gedetineerden, in de naïeve veronderstelling dat er, net als in de kliniek, Achterberg- of Wildiaans talent zou rondlopen. De gevangene met het mooiste gedicht kreeg van hem een mooie prijs, ‘een aantal belkaarten, zoals ik geleerd heb een van de felst begeerde zaken achter de tralies,’ schreef hij in een zeer grappige reportage voor Het Parool.

Een jaar ervoor had ik samen met hem een vergeten dichters-avond in De Balie georganiseerd, waarbij we enkele uitgewiste talenten opnieuw tot bloei lieten komen. Die avond was net zo onvergetelijk mooi als de vergelijkbare avond die we tien jaar eerder organiseerden in Perdu aan Kloveniersburgwal, toen mijn vergeetboek In de schaduw van de Parnassus (2002) was verschenen.

Weer twee jaar daarvoor, in 2001, presenteerden we gezamenlijk onze dichtbundels; hij zijn tweede, Zwart als kaviaar, ik mijn eerste (en vooralsnog laatste), Grote atomen.

Mijn serie met vergeten dichters, later gebundeld in voornoemd boek, verscheen op dat moment maandelijks in De Groene, en het leek Menno een goed plan om de mysterieuze, verdwenen Zeeuwse bard Peter Simpelaar naar Amsterdam te laten komen.

‘Vrijdag 16 februari 2001,’ lees ik terug in mijn dagboek. ‘Om zes uur sta ik met Menno op Amsterdam CS op perron 13b te wachten op de trein uit Middelburg. Daarin zit als het goed is Peter Simpelaar. Hij heeft korsakov, een beschadiging van het korte termijngeheugen, wat betekent dat hij bij aankomst vermoedelijk niet meer weet dat hij is ingestapt.

De treindeuren gaan open en daar staat Simpelaar, een breekbare gestalte tussen haastige spitsmensen. We geven elkaar een hand en lopen het station uit. Menno vraagt Simpelaar wat hij voor gaat dragen. ‘Iets uit het oude werk. En twee nieuwe gedichten die ik vandaag geschreven heb.’

We lopen over de Zeedijk. ‘Prachtig dat je hier zo ineens in de grote stad bent met al die fraaie bebouwing,’ zegt Simpelaar. ‘Een hele andere wereld.’ ‘En daar begint weer een andere wereld,’ zegt Menno, wijzend op roodverlichte ramen op de Wallen.

We gaan een Chinees restaurant binnen. ‘Ik heb geen cent bij me,’ zegt Simpelaar. ‘Als ik nu dat treinkaartje al vergoed kreeg, kon ik bijdragen aan deze maaltijd maar nu kan dat dus niet.’

In Perdu wachten we in het kantoortje. Ed Leeflang komt binnen, destijds in Zeeland leraar Nederlands, Simpelaar zat in zijn klas. ‘Peter, jongen, hoe is het?’ Hij klopt zijn oud-leerling op de schouder, Simpelaar weet niet veel uit te brengen.

De zaal zit vol, we kunnen nauwelijks naar binnen. Als wij, uit handen van Job Lisman onze bundels in ontvangst hebben genomen, Neeltje Maria Min en Pieter Boskma hebben voorgelezen en de band van F. Starik heeft gezongen, een bozig nummer over Stefan Hertmans, kondigen we Simpelaar aan.

Vastberaden en veel minder zenuwachtig dan wij loopt hij naar de microfoon en leest rustig, op prachtige wijze voor uit Verzamel de wolken op je gemak, zijn beroemde bundel uit 1975. Na afloop signeert hij onze exemplaren: ‘dertig jaar is niets, vanavond is alles’.

Pas geleden werd mijn zoon Egon tien, ik organiseerde in het Rembrandtpark, bij ons om de hoek, een vossenjacht en vroeg Menno of hij vos wilde zijn. Dat ging niet, hij leed aan Grote Somberte, liet hij weten. Dat was niet raar bij hem, dat was normaal. We gaan binnenkort wandelen, zei ik toen, desnoods sleur ik je je woning uit.

Toen ik het donderdag hoorde heb ik zijn nummer gedraaid, uit gewoonte, ongeloof, onnozelheid of verzet. Anders dan meestal nam hij niet op. Antwoordapparaat van Menno Wigman, klonk het. Dat klonk wel vaker maar dan belde hij terug.

Joris van Casteren is schrijver, dichter en journalist.  

Joris van Casteren