Jarige Jan Siebelink: ‘Misschien komt er wel een herkerstening van het land’

Een verjaardagsbelletje naar Ede

Jan Siebelink is vandaag tachtig jaar geworden. In de aanloop naar zijn verjaardag overwon Siebelink de nodige obstakels. Hij werd getroffen door een TIA en kreeg een nieuwe heup. Wij belden naar Ede, waar Siebelink inmiddels weer achter de schrijfmachine zit.

U bent aan de beterende hand?
“Ik voel mij heel goed, al is zo’n heupoperatie vrij ingrijpend. Er wordt nogal eens bagatelliserend over gesproken. En na de ingreep kreeg ik morfine-achtige tabletten, te veel, waardoor ik in de war raakte en door het ziekenhuis ben gaan zwerven op dat net geopereerde been. Mentaal was ik even van de kaart. Ik had plots een nieuw lichaamsdeel, van titanium.”

Hoe viert u het vandaag?
“Ik vier het op de uitgeverij (De Bezige Bij — KvV) met vrienden, kinderen en kleinkinderen. Er zullen daar twee boeken worden gepresenteerd: een geïllustreerde uitgave van Knielen op een bed violen met houtsnedes van Klaas Gubbels en een bloemenboek: De bloemen van Jan Siebelink.”

Waar doen we u meer plezier mee: chrysanten of violen?
“Tja… Witte chrysanten was de titel van mijn allereerste verhaal en Knielen op een bed violen is ook een belangrijk werk voor mij, dus ik kan geen keuze maken. Al is een viooltje een aardiger bloempje om te zien dan een chrysant. En trouwens, die chrysanten van vandaag de dag, je ziet ze weleens in de stationskiosk liggen, zijn erg lelijk.”

Hoeveel romans volgen er nog?
“Ik denk nog zeker één. Ik ben bezig met een nieuw verhaal. Het is goed dat ik ben gedwongen rust te nemen. Die rust maakt dat ik nu hyperactief ben.”

Wijsheid komt met de jaren. Wat leerde u de laatste jaren zoal?
“Ik weet dat ik niet kwistig met mijn tijd moet omgaan. Ik ervaar de weken, maanden, misschien wel jaren die ik nog voor mij heb als eeuwigheden. Ik heb nog onwaarschijnlijk veel tijd voor de boeg zolang ik gezond blijf.”

Denkt u vaak aan de dood?
“Ik denk er elk moment van de dag aan, en elk moment van de dag niet aan. Daarmee bedoel ik: over een jaar wil ik een mooie roman af hebben, en tegelijkertijd realiseer ik mij dat het een keer afgelopen is.
“Ik moet nu aan mijn moeder denken. Zij was heel ziek, mijn vader was al dood, en ze wilde in de voortuin zo graag een mooi boompje hebben, waarnaar ze vanuit de voorkamer kon kijken. Een paarse sering, of zoiets. Ik heb dat boompje geplant en een week later was ze overleden. Mijn moeder leefde alsof ze heel lang te leven had, wil ik maar zeggen.”

U groeide op in een streng hervormd gezin. Put u nog iets uit dat geloof?
“Ik ben een kind van deze tijd, dus ik twijfel. Tegelijkertijd heb ik geen verklaring voor al het leed in de wereld. Ik wil religie en religieuzen echter niet honend en denigrerend wegzetten. Waarom mag een mens zijn verbeelding niet gebruiken om te denken dat er een God is en troost halen uit de gedachte dat er een eeuwig leven is? Natuurlijk zijn er uitwassen van religie, dat spreekt vanzelf, maar waarom mag iemand geen gebruik maken van de symbolen, de tradities, de religieuze omgang met de dood?” Luchtig: “Ik hoop nog eens een stem te horen.”

Jan Siebelink
Uitgever: De Bezige Bij

U heeft weleens gezegd: we zijn iets kwijtgeraakt in Nederland.
“Ja. Sinds de secularisatie zijn we een anker kwijt. Het calvinisme heeft ons land en onze nationale identiteit gevormd. We staan op het punt dat calvinisme kwijt te raken. Ik merkte ten tijde van Knielen pas hoe groot dat gemis is. Ik geloofde niet meer, mijn kinderen kon ik geen geloof meer aanpraten, en toch raakte het boek atheïsten, katholieken en protestanten. Veel lezers hebben troost aan het boek. Het gaat nog steeds in de kist mee de grond in, en er wordt nog weleens uit voorgelezen op begrafenissen.

“Voor het calvinisme is nooit iets in de plaats gekomen. We hebben geen God meer, geen ideologie. Van dat humanisme word je volgens mij ook niet heel blij als je stervende bent.
“Alhoewel, er zijn vreemde dingen aan de gang in deze wereld. Hier vlakbij, in Lunteren, is een nieuwe kerk geopend met ruimte voor 1200 mensen. Die is nu al te klein. Misschien komt er ooit wel een herkerstening van het land, denk ik dan. Wie weet.
“Mensen hebben de behoefte om bij elkaar te komen, aan warmte. Ik denk dat we mekaar uiteindelijk altijd weer opzoeken.”

Dit interview verscheen in kortere versie in het februarinummer van HP/De Tijd.