Breakaway Brian, de dada van Van Schip en de tranen van een Italiaanse laaienlichter

Elia Viviani zat op het trottoir in Wevelgem. Hij huilde. Het was niet het geluidloze huilen van bij een mooie film, als ze elkaar toch nog vinden, maar eerder het ontroostbare soort van schokkende schouders en zout in je mond en snot in je oog en zo’n hoog hijgje als de tranen op zijn.

Elia Viviani
Elia Viviani (links) slaat op zijn stuur na zijn tweede plaats in Gent-Wevelgem 2018. Beeld: ANP/Bas Czerwinski

Meer wenen dan huilen eigenlijk. Laat ik het zo formuleren: als Elia Viviani een door een Colinfirthachtige glijbaas gepasseerde jonkvrouw in een roman van, pak ‘m beet, Jane Austen was geweest, dan had hij barsten in de loodgrijze wolkenhemel boven Longbourn geschreid.

In de steek gelaten jonkvrouwen mogen huilen dat de stukken eraf vliegen, maar bij sporters ligt dat anders. Sporters mogen huilen van geluk, of van opluchting. Dat wordt altijd erg aangemoedigd.

Hoe omvangrijk ook hun ego of bovenbenen, bij de eerste gelukstranen op een korfbaltenue gaan in alle huiskamers ter wereld alle lichten op groen.

‘Bananeberg’

Bij huilen van teleurstelling ligt dat anders. De meeste mensen worden opgevoed met de gedachte dat huilen uit teleurstelling flauw zou zijn. Huilen uit teleurstelling is ‘niet tegen je verlies kunnen’, wat ongeveer toch wel het ergste verwijt is. Alsof teleurstelling een minderwaardige emotie is. Alsof je elk verlies direct zou moeten wegrelativeren op de schaal van kinderen die sterven aan vervuild drinkwater, terwijl je bij winst (even futiel, goedbeschouwd) de waterlanders vrijelijk over de aarde mag laten stromen. Dus toen ik Elia Viviani op die stoep zag zitten huilen, vlak nadat hij tweede was geworden in Gent-Wevelgem 2018, was het eerste wat ik dacht: tjongejongejonge.
Het is maar wielrennen, zeg.
Doe effe normaal.

Wat ik eigenlijk bedoelde, was: Viviani, doe als Jan-Willem van Schip. Die had ook verloren, nota bene nadat hij de hele dag aan de leiding had gereden. Je had de tv aan kunnen zetten, Jan-Willem op kop kunnen zien rijden, het hele vierde seizoen van The Bridge kunnen bingen, weer kunnen terugschakelen naar Wuyts & De Cauwer en verdomd, daar reed de Schipmeister nog steeds.

Hij werd uiteindelijk twaalfde.
Jan-Willem van Schip huilde niet. Verre van. Hij zat op de rollen uit te fietsen en keek zoals hij wel vaker kijkt: als iemand die even uit een allerminst akoestische showcase van Charly Lownoise & Mental Theo is gehaald om een acuut quootjestekort op te lossen.
Jan-Willem van Schip stelt nooit teleur.
Hij had de ‘Bananeberg’ (Baneberg) overleefd.
Hij was ‘choco’ gegaan.
Jammer dat hij in de sprint ‘van z’n sokken was geblazen’, maar goed.

Ietsje verderop stond Brian van Goethem. Had ook de hele dag voorop gereden. Dat deed hij wel vaker, vandaar zijn bijnaam ‘Breakaway Brian’. (Ik zou willen pleiten voor Braille van Goed, hè – omdat hij altijd zo goed zichtbaar is – maar goed: wie ben ik?)
Verslaggever: “Zo, wat heb jij een koers gereden.”
Van Goethem: “Joooaaaahhhh eeeeeehhhhhh.”

Dat willen we: Zeeuwse keelklanken die, niet of nauwelijks gestut door medeklinkers van belang, vanuit de mond van het uitgewrongen vaatdoekje dat de coureur moet voorstellen een beetje in de wilde weg de ether in zweven. En als dat niet kan willen we een Vanschipoloog, een dada-achtige uitwisseling van woorden, halfslachtig door voorzetjes onderbroken associatieve monologen die zich langzaam loszingen van de actuele situatie en op eigen houtje op zoek gaan naar betekenis.

We willen relativering, vacuüm verpakt in volzinnen van ambachtelijk gebrouwen nuchterheid. We willen Brian van Goethem, en Jan-Willem van Schip, en niet een of andere geparfumeerde Italiaanse laaienlichter die zich op een draagstoel van superknechten naar de finish laat voeren, om dan net niet te winnen en vervolgens te gaan zitten miezemauzen op de stoep.
En toen dacht ik: misschien is er wel iemand dood.

En meteen daarna nog een gedachte: misschien is er wel niemand dood. Misschien was dit niet-winnen voor Elia Viviani op dit moment even het allerergste, het meest onrelativeerbare, het gruwelijkste lot denkbaar. Later, toen de meeste tranen via de Leie naar Armentières gestroomd waren, vertelde Viviani dat er inderdaad niemand dood was. Dat hij gewoon verdrietig was, omdat hij zo graag had willen winnen en dat dat niet was gelukt en wie weet of het ooit nog zou lukken nu…

Suske & Wiske en het voorbijgaan van de tijd

En plots herinnerde ik me hoe ik vroeger eens ontzettend heb moeten huilen toen mijn favoriete Suske & Wiske-bordje op de keukenvloer in zes vrijwel gelijke stukken viel. De paniek die me toen overweldigde, kan ik nog zo terughalen.
“We kopen wel een nieuwe,” zei mijn moeder, vier, vijf, zes keer achter elkaar. De paniek hield aan, want hoe vaak we ook een nieuw bordje zouden kopen, hoe vaak we zelfs een identiek bordje zouden kopen, nooit, nee, nóóit zouden we nog precies dit bordje kunnen kopen. Dat bordje was voorgoed verloren.
Dood, als je wil.

Daaraan dacht ik toen ik Elia Viviani ietwat beschroomd voor de camera zag staan, aan het feit dat hoeveel wedstrijden hij dit seizoen ook nog zou winnen, hoe vaak hij zelfs in de toekomst nog Gent-Wevelgem zou winnen; nooit, nee, nóóit zou hij nog eens de kans krijgen om Gent-Wevelgem 2018 te winnen. Het zou ver gaan te beweren dat Viviani in wezen niet zijn verlies beweende, maar het onomkeerbare voorbijgaan van de tijd, maar ik heb het nu toch maar mooi beweerd.

(Ooit, ooit zal uitkomen dat de teksten van Jan-Willem van Schip de vrucht zijn van de samenwerking van drie copywriters uit New York. Wasserman, Fleinstein & Buck of zo, van reclamebureau Banana Tree op 5h Avenue. Dat wordt een afschuwelijke rel, met schorsingen en Kamervragen en de NOS die nog weigert wielrenners te interviewen en incidenten met microfoons van beton en, uiteindelijk, de Schipblaffer met tranen met tuiten op schoot bij Jeroen Pauw en misschien dat we dan nog eens aan de tranen van Elia Viviani kunnen denken.)

Meer Frank Heinen? Volg ons op Facebook