De dag was al bijna voorbij toen het bericht kwam. Het was een heerlijke dag geweest met Parijs-Roubaix, een dag vol leven, de lente en zo. Een lome, trage zondag. Zelfs de zon oogde langzaam. “Kom spelen,” straalde die, “kom onder me zitten, dan bezorg ik je een rooie kop en een zweetvijver in je navel.”
Aanlokkelijk maar nee, er moest gewerkt worden.
Het was een heerlijke dag, tot-ie voorgoed bedorven werd.Binnen, veilig achter de rolgordijnen, hing ik op de bank, Wuyts en Vannieuwkerke op de speakers, als de Kendrick Lamar en Anderson Paak van de drek.“We gaan nu van knuffelrock naar heavy metal.” Dat ging over Noord-Franse kasseien, over Parijs-Roubaix, de mooiste koers van het jaar. Op de kasseien vernauwt het bestaan zich tot het achterwiel van degene voor je.Op de tweede zondag van april lijkt het altijd of de tijd sinds Albert Champion – een van de eerste winnaars, die na zijn exploten op de fiets naar Amerika trok, een fortuin verdiende in de auto-industrie en uiteindelijk doodgeslagen werd door een bokser, tevens de minnaar van zijn vrouw – er niet erg veel vaart achter heeft gezet. Tussen Parijs en Roubaix is het altijd eind negentiende eeuw.
De keien lagen er vettig bij, vanwege de regen van de nacht ervoor.“Belabberd en belebberd,” mompelde Wuyts, die er tijdens een gemiddelde commentaardienst minstens vijf nieuwe woorden of uitdrukkingen introduceert. Wuyts, die na een halfuur wapenstilstand in een peloton dat stapvoets tussen Franse akkers door boemelt, opeens iets kan zeggen als: “De grotsen, zie ze peulen. Zie. Ze. Peulen. Met op kop Burghardt, de forstate janpiemelaar uit het brukke deel van ons continent.”Belebberd. Je hoort het één keer en je vraagt je af hoe je ooit zonder hebt gekund. Een woord als een te lang gebruikt vaatdoekje. Te lang gekookte spinazie is belebberd, en bananenhapjes voor baby’s, maar mijn financiële administratie (die schoenendoos vol bonnetjes van de Thai, met koffiekringen en curryvlekken) ook. Mensen kunnen trouwens ook belebberd zijn (Rob Geus).En voort ging het, de zon buiten en de koers binnen. Van strook naar strook, van ellende naar miserie. Linksboven telde een tellertje af hoe veel kilometer het nog was tot de finish. 140. 139. 138,2.
Nadat we een tijdje zwijgend hadden gekeken naar een Spaanse renner die na een val in de berm door ploeggenoten ledemaat voor ledemaat weer in elkaar werd gezet terwijl een koe een sjekkie draaide, zei Karl Vannieuwkerke onaangedaan: “Ook dat is Parijs-Roubaix.”Vallen, zo is de algemene opinie, hoort erbij.
Wuyts: “En er gebeuren nog duizend dingen die we niet zien.”
Vannieuwkerke: “Het verhaal wordt vaak pas achteraf geschreven.”Er werd gekoerst. Er werd gevallen. Nog vóór het Bos van Wallers had de helft van het peloton al eens door de pratsj gerold. Matteo Trentin lag in de berm amechtig te ademen. Drinkbussen vlogen uit hun houders. En door ging het. Er schoof een renner door het beeld met dikke klonten modder op zijn rug. Er werd in drooggevallen sloten getuimeld, over kasseien gegleden en in putten verdwenen. In een strook tussen niets en nergens lag een slanke jongen in een blauw shirt, een ploeggenoot van Van Aert. Hij lag languit. De benen verstrengeld in zijn fiets, rechterarm uitgestrekt op het gruis.En door weer, de menigte tegemoet, racen tegen de vettigheid, de rotzooi en tegen het tellertje linksboven.
133. 131,7. 129.Aan de horizon verscheen een stalen schaduw, de mijnschacht van de mijnen van Arenberg.
“Ik vrees dat dit fout loopt,” zei Wuyts. En daar ging het, ogen dicht, helm vooruit en ieder voor zich en Frank Vandenbroucke voor allen.En Michel Wuyts zei wat we allemaal al vermoedden: “Er zijn er nu die letterlijk recht door hun broek plassen.”
En door ging het, en door, en door. Het was hotsen, het was botsen, het was bonken, flonken, janken, zbranken, soleren en foteren. Het was hels – daar was het dan ook de Hel voor. En ook in het Vagevuur is er iemand nodig die ons af en toe een actuele stand van zaken doorbelt. Kom er maar in Renaat-op-de-motor.“Renaat? Doe maar.”
“Renaat?”
“Renaat heeft nieuws.”
Geluid van een motor, en dronken Vlamingen langs de kant van de weg.
“Renaat?”
“Alleen maar even om te zeggen dat kggghhhhhh…. De Clercq, Theunissen, Ganna kggghhhhhh en dan bij de mesthoop linksaf.”








