Bedoelen we hetzelfde met ‘identiteitspolitiek’?

Ik lees de afgelopen tijd overal over zogenaamde ‘identity politics’. Sterker nog, ik word er zelfs van verweten.

Als ik Eddy Terstall et. al. moet geloven splijt deze ‘uit Amerika overgewaaide trend’ ons land door mensen met groepsdenken te definiëren middels religie, achtergrond, geslacht, geaardheid of ras. Als ik Tom-Jan Meeus moet geloven zorgt identiteitspolitiek ervoor dat mensen niet meer beoordeeld mogen worden op hun talent, maar in plaats daarvan alleen nog maar op hun afkomst worden veroordeeld.

Er worden zo veel indianenverhalen verteld over identiteitspolitiek, dat je kunt begrijpen dat het op een scheldwoord begint te lijken. Het probleem is alleen dat deze verhalen keer op keer worden opgeschreven door mensen die de klok hebben horen luiden, maar zich nooit hebben verdiept waar die klepel nou echt hing. Het lijkt me, zoals Claudia de Breij al zo elegant opmerkte, handig als we dezelfde dingen blijven bedoelen als we woorden gebruiken. Dat dat helpt, om te zorgen dat je dezelfde werkelijkheid ziet.

Structuren van macht worden langs tegenstellingen ingedeeld. Als je bijvoorbeeld rijk bent, krijg je 1.4 miljard euro cadeau van onze regering. Als je arm bent, komt Klaas Dijkhoff langs om te kijken of je wel ‘nuttig’ genoeg bent om je uitkering te. Dik, dun. Homo, hetero. Man, vrouw. Ziek, gezond. Wit, zwart. Het werkt allemaal op dezelfde manier. We delen als mensen het liefst dingen op in goed en slecht, en daarom waarderen we de ene kant van de tegenstelling als goed, en de ander als lui, zwak, dom, slecht, lelijk en minder.

Je kunt geloven dat alle macht bij het individu ligt, die in zijn eentje verantwoordelijk is voor zijn leven en eigen schuld dikke bult als het niet lukt. Of je kunt geloven dat je een vrij individu bent, maar dat je ook gevormd wordt door de structuren waar je onderdeel van uitmaakt en dat je af en toe gewoon domme pech hebt. Het is een beetje als die tekening van de haas die tegelijkertijd een eend is. Het ligt eraan hoe je ernaar kijkt.

Waar het interessant wordt, is dat identiteitspolitiek aandacht heeft voor meerdere tegenstellingen tegelijkertijd. Intersectionaliteit noemen de kenners dat, of kruispuntdenken. Je kunt het geluk hebben rijk geboren te worden, met alle voordelen van dien. Maar als je een rijke homo bent, heb je nog steeds de kans dat je in elkaar geslagen wordt. Ewald Engelen kan wel roepen dat we eerst naar klasse moeten kijken, en dan pas naar identiteit, maar mensen zijn niet alleen hun klasse. En zo worden ze ook niet naar behandeld. Je zult als arme, witte vrouw altijd nog meer betaald worden dan een arme, zwarte vrouw.

Het maakt dat mensen bevoordeeld en achtergesteld tegelijk kunnen zijn. En dat is niemands schuld, niemand heeft invloed op de omstandigheden waarin ze geboren worden. Hier wordt het moeilijk. Want als je aangesproken wordt op je privilege, zeggen mensen eigenlijk dat je wat je bereikt hebt in de wereld misschien niet alleen aan jezelf te danken hebt. En dat is niet leuk om te horen. Maar als je naar een eerlijke, gelijke maatschappij wilt, moeten we eerst erkennen dat die tegenstellingen er zijn en dat er ongelijkheid ís. En dat is vaak makkelijker om te zien als je het zelf hebt meegemaakt.

Niemand zegt dat identiteit allesbepalend is, maar het is een factor die meegewogen moet worden. Niemand zegt dat een journalist met een Groningse achtergrond alleen nog maar over Groningen mag praten. Maar het helpt wel om Groningers aan het woord te laten als je het over Groningen hebt. En het is nog handiger als er een Groninger in je redactie hebt die al een netwerk heeft. En misschien is het ook wel eens van toegevoegde waarde om vanuit een Gronings perspectief naar Den Haag te kijken in plaats van dat alleen maar aan Amsterdammers over te laten.

Je kunt het tellen en het kwantificeren van ongelijkheid irritant vinden, omdat je liever niet in hokjes denkt. Maar als blijkt dat 94,6 procent van de journalisten op grote redacties wit zijn, en je zegt vervolgens dat mensen niet moeten kijken naar kleur maar naar kwaliteit, dan zeg je eigenlijk dat zwarte mensen niet genoeg kwaliteit bezitten. Want anders waren ze er wel, toch?

Vorig weekend zouden er drie vrouwen vanwege hun expertise bij Buitenhof aanwezig zijn, maar moest een van hen van de redactie per sé wijken voor een man omdat het anders te veel ‘een vrouwenonderwerp zou worden’. Omgekeerd zou Buitenhof nooit een tafel vol met mannen dwingen om plaats te maken voor een vrouw, omdat ze bang zouden zijn dat het anders een ‘mannenonderwerp’ zou worden, alsof dat iets minders is.

Toen ik hier aandacht aan besteedde, zaaide ik volgens critici alleen maar wat ik met mijn identity politics geoogst had. Namelijk: een redactie die bezig was met geslacht in plaats van kwaliteit. Een van hen reageerde: “Misschien is het een bizarre gedachte, maar als we nu eens mensen gaan uitnodigen die ergens verstand van hebben. Ongeacht geslacht, huidskleur of religie.”

“Dat zou een fantastisch idee zijn,” antwoordde ik. “Volgens mij willen we daar allemaal heen.” Het verschil is alleen dat ik niet geloof dat we er al zijn.

Meer opinie van Meredith Greer? Volg ons op Facebook