De Ronde van Vlaanderen: leve de verrassing, leve de koers!

Frank Heinen 8 apr 2019 Mening

Er zijn mensen die vinden dat de Ronde van Vlaanderen 2019 een beetje tegenviel. Te mooi weer, te weinig strijd en vooral: verkeerde winnaar.
Gelukkig voor die mensen ben ik er, om die mensen te vertellen dat zij er helemaal naast zitten.

De Ronde van Vlaanderen 2019 was een schitterende wedstrijd. Sowieso: het feit dat er zoiets bestaat als de Ronde van Vlaanderen, een totaalbeleving van alles wat wielrennen de moeite van het volgen waard maakt (bergjes, kasseien, Valverde, Bram Tankink in een colbert, ontsnappingen, valpartijen zonder erg, ploegtactiek, gebrek aan ploegtactiek, uitputting, José de Cauwer), plus een opgewonden aanloop van ruim een week, waarin elke, nog levende oud-renner in elke nog levende krant elk nog overgebleven detail uit de Ronde een keer of vijf heeft opgepakt en tegen het licht gehouden. Op zondag rond half zes is er van al die voorspellingen praktisch niets in de praktijk gebracht, maar dat maakt ze wat mij betreft niet minder waar. Volslagen belachelijke voorspellingen zijn een bewijs hoe vreemd wielrennen is, en dat er slechts één ding mooier is dan verwachtingen die uitkomen, en dat is verwachtingen die totaal niet uitkomen.
Mensen die willen dat hun verwachtingen uitkomen, die willen dat de werkelijkheid zich volgens duidelijk vooraf uitgetekende patronen voltrekt, raad ik aan voortaan op zondagmiddag naar het wolprogramma van hun wasmachine kijken.

Mattentaarttrappers
En het begon nog zo voorspelbaar, in Antwerpen, ’s ochtends, met Karl en Bram en Eddy Planckaert verderop in Oudenaarde aan de jaarlijkse paastafel (twee weken te vroeg, maar ach) vol muf uitziende chocoladecroissants en Maarten Vangramberen die verslag deed van de ploegvooorstelling. Uit Maartens hoofd groeiden twee onderzetters, en ook dat was precies zo als andere jaren, en de verwachtingen van de kanshebbers verschilden ook niet erg veel met de voorgaande edities. Mads Pedersen zag er nog altijd uit als een reuzenbaby en de meeste Vlaamse kanshebbers waren wat ziekjes, net ziek geweest (Oliver Naesen had zelfs een ‘bronchitiske’, maar bleef lachen, een prestatie die – terecht!!! – met louter bewondering besproken werd) of ziek aan het worden. Wout van Aert kwam zeggen dat de Ronde wat hem betrof ‘een niet te onderschatten koers’ betrof en Tim Wellens greep nog vóór er een meter was gekoerst de driemouwentrui voor Meest Filosofische Uitspraak van de Dag en nam een behoorlijke voorsprong in Zijn en Tijd op zijn concurrenten: “Ofwel is het goed of slecht, maar als het goed is, zou het goed kunnen zijn.” Daarmee liet Wellens in Antwerpen al Sep Vanmarcke achter zich. Vanmarcke, mijn favoriete tactisch onbenul, had het over zijn gekwetste knie toen hij zei: “Er bestaat een verschil tussen voelen en pijn hebben.”
Ja Sep, zoals er ook een verschil bestaat tussen hard fietsen en wielrennen. Leg dat anders ‘ns uit.
Oliver Naesen mocht de starthoest geven, en daar gingen ze. Op weg naar de vaantjes, naar de haaien en naar de kloten. 270 kilometer, zeven uur verwachtingen. Hoogm-…
Wat ruik ik daar, vader? Het zijn de cliché’s die aanbranden, jongen.

Ach ja, verwachtingen. Ook maar verachtingen met een w ertussen.
Zo had ik verwacht dat Niki Terpstra tussen Kwaremont en Paterberg zou aanvallen, mt die blik op oneindig van ‘m, en dat Van Aert hem zou nakijken en Van Avermaet ook en Sagan en dat Naesen zou moeten hoesten en dat het dan gepiept zou zijn.
Maar ja: nog voor ik lag (op de bank), lag Terpstra al, op de bitumineuze voegvullingsmassa. Doodstil. Beangstigend stil. Het zou reglementair verboden moeten worden om er zo stil bij te liggen, want ik vind er niks aan. Pas toen Niki een filmpje op Instagram zette, vanaf de brancard, terwijl hij ‘I’ll be back’ zei, op z’n Schwarzeneggers (maar dan wel een Terminator uit Assendelft, wat toch niet erg klinkt als een humanoïde cyborg, meer als ‘half mens, half snorscooter’, maar goed), durfde iedereen zich weer op de wedstrijd te concentreren.
Nou ja, wedstrijd… Er reden wat types vooraan (waaronder iemand die tot voor kort fulltime in een carwash werkte, wat me deed denken aan het boek Spijt van Carry Slee, waarin het hoofdpersonage ook in een carwash werkt, maar dan niet fulltime, want hij zit nog op school, dus besloot ik die gedachte niet verder uit te diepen), het peloton slingerde door de Vlaamse velden als een regiobus zonder passagiers en het zonnetje scheen zo weldadig dat zelfs Briek Schotte liever met een sudoku op het terras was gaan zitten.
Klang! Klang! Wat waren dat, moeder? O, dat waren verwachtingen die sneuvelen.
Zelfs Michel Wuyts en José de Cauwer temporiseerden. Om de haverklap schakelden ze naar Renaat op de motor die dan dingen riep als ‘Ik hang nu letterlijk aan de staart van het peloton,’ en ‘Niemand weet nu van welk hout pijlen maken.’ Het mooie aan de bijdragen van Renaat is dat ze meestal vanuit het holst van de wedstrijd komen, alwaar de gebeurtenissen, met dank aan zijn vocale ondersteuning, klinken als de eerste nieuwtjes na een raketaanval.
“Er is iemand in de gracht gesukkeld en Renaat is ter plekke.”

“JA! Dat klopt! Het gebeurde! Hier! Recht! Voor mijn ogen! Laurens de Vreese! In de gracht! Hier, in de Moeren/na de Haaghoek/op de Kanarieberg in het Muziekbos!”
Wielergoddank volgt dan altijd de stem van José de Cauwer, de man wiens stem zelfs van de Apocalyps nog een aantrekkelijke semiklassieker kan maken.
“Laurens de Vreese. Die woont hier in de buurt. Toen hij nog hier woonde.”
Aanvulling van M. Wuyts, de Winkler Prins onder de wielerencyclopedieen: “Zo’n beetje de leidsman van de Mattentaartentrappers.”
Dát, dat maakt de Ronde van Vlaanderen de Ronde van Vlaanderen. De combinatie
van topsport aan de voorzijde en even verderop de leidsman van de Mattentaartentrappers in een drooggevallen sloot. Wij zijn allen klungels, wij hebben allemaal wel eens een bronchitiske onder de leden of sukkelen al dan niet figuurlijk in een drooggevallen sloot. Zijn wij daarmee allemaal potentiële Ronde van Vlaanderen-kanshebbers? We mogen niets uitsluiten.
En voort raasde de Ronde, alle verwachtingen op zijn weg vernietigend, als een killer robot uit de Zaanstreek. En alles bleef samen en iedereen leek te kunnen winnen en favorieten bakten er niks van (of kookten over, al naar gelang hun culinaire pretenties) en vreemdelingen belandden voorop en – o god, daar lag-ie.
De zoon van de vader en Poulidors heilige geest.
Half Valverde, half Boonen.
Luitenant van de wittebroekenbrigade.
Gelanceerd door een bloemperk. Getorpedeerd door een putje. Daar lag-ie, aan de voet van de Mount Everest van de Vlaamse Ardennen. Op een stoepje van niets. Op zijn buik, als een nog terug naar de kust te duwen zeebeest. Een verfrommeld supertalent. Mathieu van der Poel, volgesnoten tissue in kermiskleuren.
Hand op de arm, of arm in de hand – net hoe je het bekeek. Hoe dan ook: foute boel. Breukje hier of daar. Mathiexit. Geestelijk verplaatste ik mijn eieren al van Mathieus mandje naar dat van Van Baarle. Want wie valt, bestaat niet meer. Wie valt, speelt niet meer mee. Als je bij Monopoly niet meer meespeelt, kun je beter alvast gaan afwassen – aan tafel ben je geen factor meer.
En Mathieu van der Poel, de halfgod van de pratsj, zat daar maar, op een stoep te klein voor zijn status. Even confronteerde hij me met de futiliteit van wielrennen, van het zo hard mogelijk van de ene plek naar de andere plek fietsen, niet omdat je daar een afspraak hebt, maar gewóón. Als ik een wielrenner naast zijn fiets zie staan, word ik altijd overweldigd door de vraag waarom je nog zou opstappen, waarom je je weg zou kunnen volgen. Ja, waarom eigenlijk? En waarheen leidt die weg, Mieke Telkamp?
Belangrijk bij filosofische vragen is dat je ze onbeantwoord laat  – behalve als je Tim Wellens bent. Dus verlegde ik mijn aandacht naar de Kwaremont, naar Van Avermaet in zijn Haribo-tenue en naar Stuyven, die van plan leek de ‘boel wat uiteen te gaan ritselen met de grote hark’ en naar Tiesj Benoot, die er altijd uitziet als iemand van wie je vermoedt dat hij een imponerende geschiedenis voor zich heeft, maar dat die historie elk voorjaar een beetje verder krimpt.
Van der Poel was ondertussen aan een inhaalrace begonnen.
Sympathiek, maar zinloos natuurlijk.
Aandoenlijk bijna.
(Wat ik nog niet wist, toen: dat er na die val van Mathieu iets bovennatuurlijks was gebeurd. Namelijk dat Mathieu van der Poel op dat stoepje daar in twee stukken was gesplitst. De ene helft, de rationele, slimme, bekeken koersende en bedachtzaam sprekende helft bleef achter, voorzichtig de gekwetste arm betastend. De andere helft, een slordig dichtgeknoopte zak spieren en talent, raasde door, als een maniak op de vlucht voor de stemmen in zijn hoofd, zoals de ik-persoon in ‘Manuscript in een kliniek gevonden’, maar dan op een fiets.
En hij keerde terug. En hij reed naar voren. En hij viel aan. Zijn verstand lag nog altijd op straat. Misschien had een jongetje het inmiddels opgeraapt en in zijn zak gestoken, ondanks zijn moeder, die het vies vond.
En hij was ongelofelijk, de sterkste, vermoedelijk, al doet dat in het wielrennen niet veel ter zake, wielrennen is geen touwtrekken. Je moet de beste zijn, en wie de beste is valt eenvoudig te meten, dat is namelijk die vrouw of vent die als eerste over de finish komt.)

Als een Ronde van Vlaanderen niet aan de verwachtingen van de mensen voldoet, dan ligt dat aan de verwachtingen, of aan de mensen. Niet aan de Ronde. Soms is een Ronde een gezicht zonder duidelijke trekken. Dat betekent niet dat hij daarom minder knap is, maar dat je iets langer moet kijken om de schoonheid te ontwaren.
Gisteren bestond de climax uit een verrassing. Veel mensen eisen de climax die ze is voorspeld, zij beschouwen de verrassing als verborgen gebrek. Hen raad ik aan eens een show van Youp van ’t Hek te bezoeken, of een boek van Dan Brown ter hand te nemen. Zolang ze zich verder maar niet meer met de koers bemoeien.
De winst van de onbekende Italiaan Alberto Bettiol, de sterkste/slimste/verrassendste man in koers, toonde dat in sport veel mogelijk is. Dat voorspellen niet meer is dan een aardig tijdverdrijf. Dat hoop niet altijd vergeefs is.
‘Het is pas zijn eerste profoverwinning,’ simde Wuyts. Ik stelde me hem voor, naast José, in die bezemkast aan de finish, de ramen beslagen van zweet, valse hoop en bijna ingehouden windjes. Michel het gezicht bleek als een geschoren winterkuit, José met vertrokken mond, een verbogen frame tussen neus en kin. Er werd actief gezwegen, die laatste meters. Het zwijgen dat vanuit de commentaarcabine de wielergemeenschap werd ingestraald, was de stilte in een spelersbus na een met 8-0 verloren wedstrijd.
Ze konden zo door naar Slachtofferhulp.

Fuck de verwachtingen
Bettiol, die me deed denken aan die frisse Italiaanse politici die het nooit lang volhouden, trok zich er weinig van aan. Hij praatte maar en praatte maar, als iemand die zich wel vaker het middelpunt van de wereld waant en dat nu opeens ook echt ís. Pas toen hij zijn vriendin aan de telefoon kreeg, onderweg van erepodium naar tv-studio, begon hij te huilen. Heel hard, en heel lief. Daarna, bij Karl aan de dis, veegde hij zijn tranen weg, dronk een glas Kwaremont-bier en begon aan een monoloog die vermoedelijk nu nog bezig is. Onderwijl waarde op Twitter een fragmentje uit een interview met Ronde-baas Wouter Vandenhaute rond. Toen een journalist van Het Laatste Nieuws Vandenhaute (een derde John de Mol, een derde Kees Jansma, een derde Bart Peeters) vroeg of hij zou vloeken als ‘een renner als Langeveld of Bettiol’ zou winnen, antwoordde die: ‘Die winnen niet.’

Daarvoor was het parkoers, het parkoers dat Hij bedacht had, te selectief. In zijn wedstrijd alleen toppers op het podium, asjeblieft dankjewel. Arrogantie van World Tour-niveau, de domheid van mensen die zoveel geld hebben dat ze vergeten zijn dat niet alles te koop is. Als Vandenhaute een discotheek zou uitbaten, zou aan de deur iedereen geweigerd worden, behalve die paar sneupruiken met precies de goede broek en de juiste connecties. Het zou de saaiste uitgaansgelegenheid van Europa zijn. Vandenhaute is een verkoper wiens product de verwachtingen van zijn klanten moet inlossen, zodat ze de volgende keer weer komen kopen.

Het feit dat Alberto Bettiol zich niets gelegen liet liggen aan verwachtingen en voorspellingen en consumentenverlangens, maakte van de Ronde van Vlaanderen 2019 een wereldwedstrijd. Wie wil dat sport alleen maar bestaat uit voorspelbare een-tweetjes tussen Bekende Namen, kan zich wenden tot boksen of de Champions League. In de koers is de beste niet altijd de sterkste, en andersom. Fuck de verwachtingen, leve de verrassing.

Reageer op artikel:
De Ronde van Vlaanderen: leve de verrassing, leve de koers!
Sluiten