Spring naar de content
bron: ANP

‘Geen kwaad woord over de Everest-beklimmers’

“De doden kunnen fluisteren. Probeer mij te horen. Ik lig nu zeven jaar, elf maanden en vijf dagen in een ravijn aan de Nepalese kant van de Everest. In het geritsel van de bladeren van alle bomen kun je me horen. Luister; in de wintermaanden ben ik bedekt met een deken van sneeuw, in de zomer schijnt het zonlicht weer op het groen van mijn jas en het zwart van mijn bloed. Ach, een mens leert ook leven met een half graf. In dit zachte relaas gaat het dan ook niet over mij, maar over hoe slecht jullie de laatste dagen over de mannen en de vrouwen in de rij bij deze berg spreken.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Erdal Balci

Toch iets over mij omdat ik me niet kan inhouden: nog even en het is precies acht jaar geleden dat ik in dit dal ben gevallen. Een tragisch ongeluk dat ik met iets meer concentratie had kunnen voorkomen. De eerste paar jaren had ik moeite om mijn situatie te accepteren, maar ja, wat zich heeft voorgedaan is niet meer terug te draaien. Derhalve, dames en heren die de duiding van het dagelijkse nieuws via HP/De Tijd consumeren, neem van mij aan dat ook de onnodig gestorvenen na het verstrijken van drie á vier jaar in hun lot berusten, teneinde troost te zoeken in de fortuinlijke zaken die hen na de val ten deel zijn gevallen.

Om toch bij het persoonlijke te blijven: wie heeft onder de doden en levenden continu het uitzicht op de top van de Everest? Ja, bevoorrecht is deze sterveling met een uitzicht op het dak van de wereld. Ik adem weliswaar niet meer, maar op het ritme van de draaiende aarde kloppen in mijn door de vrieskou nimmer ontbindende vlees nog steeds een miljoen meningen.

Ik weet dat jullie nog leven, dat jullie het druk hebben en dat jullie niet al te veel tijd vrij kunnen maken aan de denkbeelden van een onbeduidende man uit het verleden. Daarom kom ik snel ter zake. Probeer mij goed te horen, ik fluister, spits de oren: die honderden mensen die onder erbarmelijke omstandigheden staan te wachten om door te kunnen lopen naar de bergtop van de aarde, beschouw die zielsverwanten van mij niet als het symbool van idiotie. Die foto die jullie zien is ook geen bewijs van de kwaadaardigheid van de mens die door de drang voor roem en erkenning zelfs de meest maagdelijke deel van de wereld heeft veranderd in een ordinair vakantieoord.

Ik heb van het eten geproefd, de zuurstof tot mij genomen, prachtige vrouwen bemind, liefde gekregen en gegeven, in azuurblauwe zeeën gezwommen. En toch ben ik ook vertrokken naar de bergtop die van de tien beklimmers eentje tot zich neemt. Hoe hartstochtelijker de knuffels van mijn dierbaren waren, des te groter de wil om weg te gaan. Wij, de beklimmers van de Everest, zijn de tranen van deze aarde. De hebben de eerste stappen gezet van een zoektocht zonder einde. Zie onze wandeling van de wanhoop als de prille poging tot de grote vlucht van deze aarde.

Hoe hartstochtelijker de knuffels van mijn dierbaren waren, des te groter de wil om weg te gaan

U zult er aan gewend zijn, maar vergeet niet dat de benzine van de wereld het grote verdriet is. Waar ben je het verst verwijderd van het verdriet, van de pijn, van het immense onrecht? Juist, aan de top van de Everest. Ik heb daar ook gestaan en wist dat als ik nog een paar extra stappen naar boven had kunnen zetten noch God noch natuur mij ooit zouden kunnen vangen. Nog een paar stappen en er zou nooit meer sprake zijn van ernstig zieke kinderen. Of van door mensenhanden geslachte dieren. Nog wat stappen naar boven en ik zou in de armen huilen van een zestigjarige Anne Frank, haar vingers door mijn haren die in deze meimaand gekamd worden door wind, storm en wanklank.   

Kennen jullie het verhaal van Neil Armstrong niet en spreken jullie daarom woorden van hoon uit over de mensen in de rij bij deze berg? Hij heeft zijn kleine dochter begraven en omarmde daarna meer dan ooit het idee om zo ver mogelijk weg te gaan. Stiekem hoopte hij op een remedie. Die trachtte hij te vinden in het eeuwig verdwalen in de donkere ruimte of in de allereerste stap op de maan.

Ik ben dood, dames en heren, in een ravijn aan de Nepalese kant van de berg zoek ik troost in het mijmeren. Weldra zal er een graf van verse sneeuw op mij sneeuwen. Maar nogmaals, ik klaag niet, beste mannen en vrouwen. Alleen had ik me aan de warme stenen bij de fonteinen van Lissabon willen warmen. Of aan de warme adem van mijn geliefde op mijn wangen.”