Spring naar de content
bron: Tessa Posthuma de Boer

P.F. Thomése: ‘Onverdraagzaamheid is heel slecht voor de literatuur’

In Vaderliefde ontrafelt P.F. Thomése (Doetinchem, 1958) de raadselachtige familiegeschiedenis van zijn overleden ouders. Een roman mag het niet heten. Noem het een herinneringsboek.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Kevin van Vliet

Waar gaat Vaderliefde over?
“Het verhaal begint met de dood van mijn moeder en het leegruimen van het familiehuis. Ik wil achterhalen waar ik vandaan kom, aan de hand van een verleden dat mijn vader mij op de mouw heeft gespeld en dat ik braaf heb onthouden. Dat spoor volg ik terug en dan blijkt het natuurlijk heel anders te zitten.”

Hoe gaat het schrijven bij u in zijn werk?
“Het eigenaardige van schrijven is: je denkt ergens naar toe te gaan en je komt heel ergens anders uit. Vestdijk zei dan: ‘Ik schrijf een boek snel omdat ik wil weten hoe het afloopt.’ Dan heb je natuurlijk nog de detectiveschrijvers, die van A naar B moeten komen, een omweg aanleggen en dat een plot noemen, maar dat heeft niets te maken met wat ik ‘het echte schrijven’ noem.”

Hoe gaat dat in zijn werk, echt schrijven?
“Ik begon bij mijn vader, op de rand van mijn jongensbed, en voor ik het wist zat ik ergens in de achttiende eeuw. Schrijven is een ongewisse reis. Je kunt die niet boeken bij Transavia. Schrijven is eerder een dwaaltocht, met een vaak verrassend einde.”

Wat is de ergste tegenslag die u onderweg te verduren hebt gekregen?
“Ik ben van uitgever veranderd, dat was een tegenslag, tot die overstap een geschenk bleek te zijn. Ik zit nu bij Prometheus en daar geven ze m’n werk werkelijk voorbeeldig uit.”

En innerlijke tegenslag? 
“Je botst altijd op je eigen onmacht, maar dat is een voorwaarde om tot iets te komen. Als alles van een leien dakje gaat, dan moet je je als schrijver eens achter de oren krabben. Je bestrijdt je innerlijke demonen. Én als schrijver ben je in wezen een kannibaal. Je eigent je andere levens toe, je vreet ze met huid en haar op en spuugt ze weer uit. Dat is, in psychologische zin, een ingrijpend proces. Ik denk dat veel schrijvers daarom liever fictie schrijven – dan veranderen ze de namen en de adressen en kunnen ze hun gang gaan.”

Is het niet heel akelig, dat opvreten en uitspugen?
“Nee. Door meedogenloos te schrijven kom je toch tot iets wat je voorzichtig ‘waarheid’ zou kunnen noemen. Uiteindelijk ben ik allerlei dingen over mijn ouders te weten gekomen die ik anders nooit geweten had, en heb ik ze kunnen aanschouwen in betere tijden. Dat waren vooral de tijden waarin ze mij niet hoefden op te voeden.”

Het is rouwverwerking.
“Rouwverwerking vind ik zo’n lelijk, industrieel woord. In het Duits heb je het woord Trauerarbeit. En ja, je komt in een gemoedstoestand terecht waarin je iets wat weg is niet wil loslaten, terwijl je ook niet meer terug kunt. Dat is toch de betekenis van schrijven: het onbereikbare oproepen.”

Schrijft u nog met pen en papier?
“Ik ben heel ouderwets, zo heb ik nog geen smartphone. Qua beeldschermen ben ik helemaal geoutilleerd. Ik vind het heerlijk op een scherm te werken. Ik denk dat ik net zo snel typ als ik dat met de hand schrijf.”

Er steekt ’s nachts een enorme schacht blauw licht uw huis uit.
“Net zoals bij de pornokijkers.”

Hoe houdt u de afleiding buiten? 
“Het verhaal werk ik uit op een offline computer. Schrijven is immers onthechten.”

Hoeveel voorschot heeft u gekregen van Mai Spijkers?
“Niet meer dan ik van Mizzi van der Pluijm zou hebben gekregen.”

Kunt u leven van uw inkomsten als auteur?
“Ik kan niet zeggen dat ik heel rijk van mijn boeken ben geworden maar ik hoef er geen ander beroep naast te hebben. Ik heb bestsellers gehad en flops – het is vrij wisselend. En dan is er nog het Fonds van de Letteren, voor als je het echt niet zelf kunt bolwerken. Ik doe zo’n aanvraag met enige regelmaat. Voor Vaderliefde en De onderwaterzwemmer heb ik zo’n beurs aangevraagd, en gekregen.”

Cultuur is een links-liberaal propagandamiddel geworden en dat is een gekke situatie.

U debuteerde in 1991. Is er in die drie decennia veel veranderd in de uitgeefwereld?
“Ja. Uitgevers zijn meer gaan uitgeven. Het boek is goedkoper geworden om te produceren dus is het aantal titels enorm toegenomen. Toen ik debuteerde was ik bij Querido de enige debutant. Ik kende alle debutanten die dat jaar werden uitgegeven. Connie Palmen was de debutant van Prometheus, Marcel Möring was de debutant van Meulenhoff. De rest ben ik eerlijk gezegd alweer vergeten. Je werd enorm gefeliciteerd en overal besproken. Nu moet je als debutant maar afwachten of een recensent zin in je krijgt. Als je geen lekker wijf bent of een ingewikkeld identiteitsvraagstuk met je meezeult, dan wordt het moeilijk om op te vallen.”

Voor uw debuut ontving u lovende recensies en de AKO Literatuurprijs. U was de grote literaire belofte. Heeft u zich later weleens miskend gevoeld?
“Nee, niet miskend, dat klinkt zo sneu, al is het toch wel vervelend dat er naar verhouding veel aandacht naar andere schrijvers uitgaat. En het is jammer dat de ontvangst van het werk steeds kariger wordt. De omvang van recensies en achtergrondartikelen… er is nauwelijks ruimte meer om iets boeiends in te vernemen. En er zijn maar weinig recensenten naar wie ik nog reikhalzend uitzie.”

Naar wie wel?
“Naar Arnold Heumakers keek ik vroeger altijd uit, maar ik kan niet zeggen dat er nog een recensent is die mij trouw volgt en al mijn boeken heel goed leest. De kritiek is vluchtiger en oppervlakkiger. Dat is jammer.”

Hoe komt dat?
“Het heeft vooral te maken met iets wat Bret Easton Ellis beschreef in zijn essaybundel White, waarin hij uitlegt waarom hij met schrijven is gestopt. De lezer van nu – hij bedoelt dan de jongere lezer – is belangrijk geworden, net als de consument. En die lezer wil zichzelf bevestigd zien. Hij noemt dat relatability. Als de hoofdpersoon niet leuk is, dan wordt het boek meteen in de hoek gegooid. En als de politieke opinie van de schrijver niet de jouwe is, dan moet hij de stad uit worden gejaagd. Die onverdraagzaamheid ten opzichte van ‘het andere’ is heel slecht voor literatuur zoals ik haar graag ervaar.”

Hebt u daarmee te maken?
“In de laatste vijf of tien jaar is het gezeur begonnen. Mijn personages waren niet sympathiek genoeg, of ze deden dingen en zeiden dingen die echt niet konden – dat had ik eerder nooit gehoord. Kijk, die J. Kessels-boeken zijn voortgekomen uit pesterij. Dat vind ik heerlijk. Ik trap het liefst tegen zoveel mogelijk schenen tegelijk.”

Wat is daar zo leuk aan? 
“Ik ben een groot voorstander van de diversiteit van geest, en daarbij hoort de tegenspraak, de tegenwerping, de tegenstem. Het schrijven is sowieso voortgekomen uit een neiging tot tegenspraak. Als alles naar wens verloopt hoef je je immers niet terug te trekken om een boek te schrijven. En zonder die tegenspraak krijg je eenvormigheid en voor cultuur is dat erg spijtig.
“Cultuur wordt tegenwoordig graag gezien als een toevluchtsoord van weldenkende mensen in een woeste zee van idioten. De wereld is zogenaamd gek geworden en gelukkig zijn ze ‘daar in de cultuur’ nog weldenkend en progressief en klimaatvriendelijk en noem maar op. Cultuur is een links-liberaal propagandamiddel geworden en dat is een gekke situatie.”

Tot slot: op het huis van welke schrijver zou u wel een precisiebombardement willen laten uitvoeren?
“Laat ‘precisie’ maar weg, dat bombardement mag zonder onderscheid des persoons vallen op alle commissies en jury’s die ons rijke letterlandje telt. Al die beroepsliteratoren die de markt hebben overspoeld, en ook nog een visie schijnen te hebben, mogen wat mij betreft weg. Als je in de buurt van het Letterenfonds richt, dan kom je wel goed uit, denk ik. En ik hoop dat de literatuurpolitie wakker wordt van het bombardement. Het zijn notoire slaapkoppen. Je zult zien, ze slapen er gewoon doorheen.”

Vaderliefde is onlangs verschenen bij uitgeverij Prometheus.