Spring naar de content
bron: pexels

Kan een robot poëzie schrijven?

Kan een robot poëzie schrijven? Die vraag houdt Nederlandse schrijvers al zo’n vijftig jaar bezig. Aaron Mirck, die recent debuteerde met zijn dystopische tech-poëziebundel Dit Algoritme Deugt Niet, zag dat poëzie gemaakt door een algoritme beter meer likes scoorde dan zijn eigen werk. Een pijnlijke constatering – of simpelweg het bewijs dat robots ons overbodig maken?

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Aaron Mirck

Ik werk al een poos voor technologiebedrijven en put inspiratie uit mijn werk. Steeds vaker heb ik namelijk het idee dat ons blinde vertrouwen in technologie ervoor zorgt dat we onvoldoende stilstaan bij de nare bijwerkingen van de platformeconomie, online marketing en alles-on-demand. Daarom besloot ik Dit Algoritme Deugt Niet te schrijven. Die technologische context zou ook nodig zijn om de tijdgeest – of preciezer: de nukken van mijn generatie, millennials – te beschrijven in een reeks gedichten.

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

Technologie lost namelijk niet al onze problemen op, maar creëert soms zelf juist nieuwe problemen. Die technologische, dystopische thematiek herken je misschien van Netflix-serie Black Mirror. In Dit Algoritme Deugt Niet probeer ik alledaagse online ongemakken te beschrijven, zoals hoe lastig het is om een Netflix-serie af te zetten of hoe platformbedrijven de arbeidsmarkt kapot maken. Maar ik hoop de lezer ook stil te laten staan bij de vraag waar technologie ophoudt en menselijkheid begint.

De gratis software van Copy.AI

Om dat schemergebied tussen mens en machine concreter te maken, wilde ik een robot nieuwe poëzie laten maken. Ik was al een poos onder de indruk door de knappe resultaten van de nieuwste vorm van kunstmatige intelligentie, ofwel AI. Deze AI (GPT-3) schreef een aflevering van mijn favoriete podcast en ik had pas na een kwartier door dat ik naar een aflevering luisterde die door computers gemaakt was. Met de gratis software van Copy.AI was ik in staat om nieuwe poëzie te maken met deze nieuwste vorm van kunstmatige intelligentie.

Het zal je misschien niet verbazen, maar Copy.AI heeft geen knop om AI-poëzie te maken. Het tech-bedrijf wil je vooral helpen bij het schrijven van marketingteksten als persberichten of Facebook-advertenties. Het systeem werkt redelijk eenvoudig: je vult een oorspronkelijke tekst in en er rolt een variatie op deze tekst uit het systeem. Mijn bevinding: AI-poëzie maak je het makkelijkst door de output te classificeren als de introductie van een persbericht of blog, of het systeem te vragen een zin te herschrijven. (Kijkersvraag: is poëzie niets anders dan normale zinnen die herschreven zijn?) 

Dit Algoritme Deugt Niet begint met een gedicht dat je kan lezen als aanklacht tegen clickbait en de dynamiek op social media, waarin het draait om het verzamelen van zoveel mogelijk volgers om daar een verdienmodel van te maken. Ik gebruikte de titel van het gedicht (‘Ik weet wat je hier doet’) en de volgende regels als input:

“Bekijk het uitgelekt fragment waarin 

Jort Kelder bekent dat hij frequent 

niet in bitcoin maar in dit gedicht belegt”

De output van het systeem vind je hieronder. De eerste variatie is niet erg spannend; de zin is maar op een paar plekken anders dan in het origineel en met name minder poëtisch. Maar Wat Er Toen Gebeurde Zal Je Verbazen! Bij de tweede output ontstaat er een verhaal waarin Klaas Dijkhoff figureert (?!). 

De output van Copy.AI

Geautomatiseerde likes

De dertig gedichten uit Dit Algoritme Deugt Niet werden onder handen genomen door de AI van Copy.AI; van elk gedicht maakte ik minstens twee AI-varianten. Deze AI-poëzie en het originele werk deelde ik via Instagram (zie: de pagina van Dit Algoritme Deugt Niet). Er is een verrassend grote gemeenschap van poëzie-liefhebbers op Instagram, die elkaar vinden dankzij hashtags als #instagedicht, #dichtersvaninstagram en #dichtersvaninsta. Zelfs met een nieuw account en weinig volgers, kwam ik al snel in contact met mijn doelgroep. Hoera, social media.

Dat brengt ons op de volgende situatie die doet denken aan het Droste-effect. Ik schreef poëzie over algoritmes, liet die bewerken door algoritmes en verspreidde dat vervolgens via de algoritmes van Instagram. Met iets meer handigheid had ik ook het plaatsen van de berichten kunnen automatiseren, waardoor het complete proces (van creatie tot distributie) geautomatiseerd was. We mogen, kortom, uitkijken naar een wereld van geautomatiseerd gegenereerde content en likes, al heb ik geen idee wat ons dat nou precies oplevert. 

Tech-savvy als ik ben, meet en weet ik de prestaties van mijn Insta-poëzie. Mijn gedichten scoren niet altijd beter ten opzichte van de gedichten die gemaakt zijn door algoritmes. Dat kan te maken hebben met de opmaak: mijn eigen werk post ik als compleet gedicht van minstens veertien regels en is dus minder overzichtelijk. Dat zorgt vast voor minder interactie. Maar ook als ik een gedicht ‘opknip’ in verschillende afbeeldingen (12 likes), scoor ik niet altijd beter dan de AI-poëzie die daarop geïnspireerd is (11 en 15 likes). 1-0 voor de technologie.

Ik schreef poëzie over algoritmes, liet die bewerken door algoritmes en verspreidde dat vervolgens via de algoritmes van Instagram

Ik ben niet de eerste schrijver die op zoek gaat naar een geautomatiseerd alternatief. P.C. Hooftprijswinnaar Gerrit Krol pionierde zo’n vijftig jaar geleden al met een Automatic Poetry by Pointed Information (APPI). Bertram Mourits beschrijft op Literatuur Museum mooi hoe de APPI functioneerde van de Shell-programmeur annex dichter:

“Met behulp van schema’s en formules probeert Krol een gedicht in formules te vangen, eerst taalkundig, maar langzaam maar zeker steeds exacter. Woorden, voegwoorden, zinsneden, betekenissen, en ook hele gedichten worden ingevoerd in de computer om hem de kennis te geven om zelf tot poëzie te komen. Onnavolgbare programmeertaal, lijsten en stroomdiagrammen waarin de beslissingen over de volgende regel werden gemaakt: het staat zo ver af van wat we nog steeds geneigd zijn als poëzie te beschouwen – de poëtische verwerking van persoonlijk materiaal – dat dit bijna 50 jaar oude experiment nog steeds futuristisch aandoet.”

In navolging van Krol volgde de Grunbot, een experiment van de Volkskrant en Arnon Grunberg. Hay Kranen ontwikkelde een robot die, met behulp van eerdere columns van Grunberg, nieuwe columns kon maken. Grunberg was blij verrast met het werk van de Grunbot, die pareltjes als ‘een tafel met ironie’ produceert. Onderstaande video neemt je mee in dit taal-experiment.

Krol noemde het werk van APPI een ‘grap die mislukt is’, maar Mourits stelt (terecht) dat het aantoont dat (Krols) poëzie gekenmerkt wordt door ambiguïteit, humor en het inzetten van onpoëtisch materiaal. “Wanneer je de onzekerheid uitbant, kun je nooit meer poëzie krijgen, dát is de les van APPI.” 

Onderstaand stuk AI-poëzie lijkt die dubbelzinnigheid, weliswaar onbedoeld, wel onder woorden te kunnen brengen. Met andere woorden: wat APPI niet lukte, lukt GTP-3 wel. De regels houden het midden tussen absurdistisch beelden (je bent een bushalte), onwaarschijnlijke situaties (een besneeuwde woestijn) en een plek die je je wel kan voorstellen: een bushalte die maar één keer per jaar gebruikt wordt. De sneeuw op zo’n hete plek als een woestijn onderstreept hoe eenzaam (want: koud) het er moet zijn. De tekst is ambigu, het verbeeldt iets anders dan wat het is. 2-0 voor het algoritme. 

Sinds dit poëtisch experiment voel ik me steeds vaker als de mens(heid) in een van mijn gedichten, die wordt toegesproken door een algoritme: “Mens, je bent wat rest, het residu van het recept, onnodig voor het gerecht.” Het algoritme kon me in mijn eigen poëzie al amper geruststellen: “Ik ben een heel efficiënt restaurant. Ga zitten, laat me je bedienen. Ik beheer de spatels, de pan en de spoel. Relax. De bedoeling is dat je eet en staart en proeft van een heel slim plan.” 

Het werken met het algoritme van Copy.AI wijst me erop dat ik zelf niet meer nodig ben, precies zoals ik in mijn eigen bundel probeer te verwoorden. Het is allerminst prettig om bevestigd te worden in deze dystopie. Overbodigheid als abstract concept is nou eenmaal fijner dan als reële ervaring.

Een aardige kanttekening bij de AI-poëzie: zoveel verschillen mens en machine in feite niet van elkaar. Als je maar genoeg data verzamelt, valt ons gedrag te meten, te voorspellen en te beïnvloeden. Dat verzin ik niet, dat volgt uit een interessante Ted Talk van wiskundige en bestsellerauteur Hannah Fry. Wie wil weten hoe snel een opstand zich verspreidt door een stad, hoeft alleen maar naar historische data te kijken. Facebook bewees tijdens de verkiezingen in de VS en het Brexit-referendum dat we manipuleerbaar zijn met slimme advertenties, zelfs als we dat zelf niet doorhebben. De mens als knop waar je aan kan draaien.

Al onze pijn, verlangens, verzuchtingen, kunstige uitspattingen, verhalen en zorgvuldig gewogen beslissingen zijn stuk voor stuk het resultaat van een chemisch raderwerk in onze hersenen. Het ene biochemische algoritme is het andere niet, maar van vrije wil is geen sprak

Yuval Noah Harari

Yuval Noah Harari betoogt in Trouw dat “onze liefde, onze angst en onze hartstocht geen wazige spirituele fenomenen zijn die alleen goed zijn voor het schrijven van poëzie (!). Na Darwin begonnen biologen te verkondigen dat gevoelens complexe algoritmen zijn, die zijn aangescherpt door de evolutie en dieren helpen de juiste beslissingen te nemen.” De mens als algoritme. In Homo Deus wijdt hij hierover uit: “Al onze pijn, verlangens, verzuchtingen, kunstige uitspattingen, verhalen en zorgvuldig gewogen beslissingen zijn stuk voor stuk het resultaat van een chemisch raderwerk in onze hersenen. Het ene biochemische algoritme is het andere niet, maar van vrije wil is geen sprake.”

Ik ken de droefenis van copyrettes, had ik maar iets nieuws te zeggen. De copyrette van Wigman werd steeds slimmer, begon steeds meer op ons te lijken en kon meer dan kopieën produceren. Tegelijkertijd komen we erachter dat ons gedrag steeds beter voorspelbaar blijkt, dat we zelf ook als algoritmes functioneren. In dat opzicht is de co-creatie met een AI niets anders dan het ene algoritme dat met een ander algoritme samenwerkt. De mens als algoritme in harmonie met andere algoritmes.