Spring naar de content
bron: uitgeverij zoetzuur

Wat zeiden Vermeer en Van Leeuwenhoek tegen elkaar?

Arjan Peters bespreekt op deze plek boeken die onlangs verschenen en die nog niet de aandacht kregen die ze verdienen. Deze keer: ’t Had gekund van auteur Dirk van Delft en tekenares Elisa Pesapane.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Arjan Peters

Over het leven van de zeventiende-eeuwse schilder Johannes Vermeer is zo weinig bekend, dat er veel gespeculeerd kan worden. Maar een paar feiten staan vast: zo werd hij gedoopt in Delft, waar hij ook begraven ligt in de Oude Kerk, net als microscopisch onderzoeker Antoni van Leeuwenhoek, die hem bijna een halve eeuw zou overleven. Het is aannemelijk dat deze twee grote geesten elkaar dikwijls hebben ontmoet, misschien zelfs bevriend waren, zoals het ook denkbaar is dat Van Leeuwenhoek model heeft gestaan voor ‘De astronoom’ en ‘De geograaf’, op de gelijknamige schilderijen van Vermeer.

Laten we stellen dat die twee elkaar werkelijk hebben gekend: de wetenschapper en de kunstenaar, beiden baanbrekend in hun omgang met licht, perspectief en fantasie – waarzonder geen nieuw terrein kan worden verkend. Waarover zouden hun gesprekken zijn gegaan?

Dat is het uitgangspunt geweest voor het boek ’t Had gekund, waarvan de titel direct te kennen geeft in hoeverre de inhoud waarheidsgetrouw mag heten. Maar opgepast: auteur Dirk van Delft (1951) is de biograaf van Van Leeuwenhoek, en oud-directeur van Rijksmuseum Boerhaave. En tekenares Elisa Pesapane (1979) heeft eerder bewezen, in projecten rond Couperus, Grunberg, Jean-Pierre Rawie en Drs. P, hoe precies en gelijkend haar werk is.

Abboneer op een lidmaadschap

Flinke korting op een digitaal jaarabonnement

Sluit nu voordelig een abonnement af en maak kennis met de journalistieke kracht van HP/De Tijd. (Op elk moment opzegbaar.)

Kies een abonnement

Dit boek is derhalve veel meer dan een fantasietje, maar rust op een fundament van ‘onderzoek en phantasie’, om een term van Jacob Geel te lenen. Het is een reconstructie waarbij speculatie en verbeelding onmisbaar zijn, maar binnen de grenzen van het voorstelbare blijven. Daarmee zetten Van Delft en Pesapane een oeroude traditie voort, die van het dodengesprek, een dialoog in het hiernamaals, een genre dat al door Lucianus werd beoefend en later hier te lande door Justus van Effen, Jacob Geel en Multatuli is voortgezet. Wordt tegenwoordig veel te weinig gedaan, terwijl de vorm zich voor zoveel leent: je kunt Homerus en Mulisch met elkaar laten praten, Hella Haasse met P.C. Hooft of Slauerhoff en Bai Juyi. Maar ook tijdgenoten van eeuwen terug..

Het is al prijzenswaardig dat Van Delft en Pesapane dit genre nieuw leven inblazen, maar in hun uitvoering zijn ze zelfs spectaculair. In tien hoofdstukken, die spelen tussen 1641 (in de klas) en 1675 (aan het sterfbed van Vermeer), worden evenzovele dialogen weergegeven die hadden gekund, tussen de extraverte Van Leeuwenhoek en de introverte Vermeer.

Daarmee zetten Van Delft en Pesapane een oeroude traditie voort, die van het dodengesprek, een dialoog in het hiernamaals, een genre dat al door Lucianus werd beoefend en later hier te lande door Justus van Effen, Jacob Geel en Multatuli is voortgezet.

Neem 1654, toen het kruithuis in Delft de lucht in was gevlogen. Een week later hebben ze het erover. Antoni was ten tijde van de ramp op de jaarmarkt in Den Haag, Vermeer was thuis, hoorde de klap, zag ruiten springen en zelfs voor het huis van de buren een afgerukt been liggen. Hele stadswijk weggevaagd. En de Rembrandt-leerling Johan Fabritius omgekomen. ‘Onder het puin vandaan gehaald,’ vertelt Johannes, ‘zwaargewond naar het Gasthuis aan de Koornmarkt overgebracht, waar hij een kwartier na aankomst is overleden. God hebbe zijn ziel. Al Carels doeken zijn verbrand, ik kan wel janken.’ Antoni: ‘Ook het puttertje, de goudvink?’ Johannes: ‘Nee, die had hij al verkocht.’ Waarop Antoni een zucht van verlichting slaakt, en zich herinnert dat Fabritius hem had uitgelegd op het betreffende doekje diepte te creëren door toevoeging van ‘een extra zitstangetje’.

Dát is heel mooi, die details die de kenners kunnen waarderen, en waardoor de lezer thuis gauw ‘Het puttertje’ van Fabritius erbij kan halen, om te knikken bij dat extra zitstangetje.

Op 6 maart 1660 zien ze elkaar op het ijs. Vermeer heeft dan al drie kinderen, Van Leeuwenhoek één (en twee al snel gestorven kinderen, ‘Zo gaat dat’). Op het ijs doet Johannes deze uitspraak: ‘Ik ga een stadsgezicht schilderen.’ Daar kijkt Antoni niet van op: ‘Alweer een buitentafereel?’ Maar hij kan niet weten dat Gezicht op Delft hier wordt geannonceerd, te maken ‘vanaf de overkant, bij herberg de Paradijsvogel aan het nieuwe jaagpad.’ Al duizend keer ben ik langs zo’n gevel gelopen, zegt Johannes over de aanblik van zijn eigen stad, maar ‘pas als je gaat schilderen kijk je echt, al voeg je de werkelijkheid naar de compositie in je hoofd.’ De twee mannen nemen een kijkje bij de Paradijsvogel, waar een ‘orgie van laveloze schaatsers’ plaatsvindt, en ze vanaf de bovenverdieping naar de stad kijken. Schitterend, roept Johannes. Hij ziet het al voor zich.

Als Antoni een paar jaar later poseert voor de bevriende schilder, probeert hij hem ervan te overtuigen dat je met een telescoop die de hemel aftuurt evenzeer Gods schepping eert als wanneer je de Bijbel leest. Vermeer vindt vooralsnog dat we het niet beter moeten denken te weten dan de Bijbel. De terloopsheid van deze opmerkingen, terwijl ze iets anders aan het doen zijn (de schilder laat zijn model poseren), is goed getroffen. Net als, weer een scène verder, het enthousiasme waarmee Antoni zijn microscoop demonstreert (waarmee hij als eerste bacteriën en spermacellen zag).

De sterfscène is de bezegeling van veertig jaar vriendschap. Daar laat Vermeer weten dat hij al twee jaar brood op de pof eet, en dat Van Leeuwenhoek aan bakker Van Buyten wellicht twee schilderijen kan geven als onderpand, totdat de schuld is afbetaald. Ook vraagt Vermeer hem met zijn laatste krachten om curator te worden van de nalatenschap.
Zo is dat gekomen. Het had althans zo gekund. En door deze levendige teksten en dito tekeningen (Pesapane geeft hun de haardracht van toen, maar een ongedwongen en modern aandoende houding) is dat eens te meer aannemelijk geworden.

Dirk van Delft (tekst) en Elisa Pesapane (illustraties en nawoord)
’t Had gekund
Uitgeverij Zoetzuur
€ 39,50