‘De vrees van Klink was absurd’

De formatie van een rechts gedoogkabinet met de PVV is gestrand. Ab Klink is opgestapt. Een gesprek met hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen (66) over de fouten van informateur Opstelten en de ‘roomse methode’. ‘Binnen een week kan rechts weer verder.’

Waarom is de formatie van een rechts gedoogkabinet mislukt?

“Informateur Ivo Opstelten en de fractievoorzitters Mark Rutte, Maxime Verhagen en Geert Wilders waren wekenlang gefixeerd op de inhoud van het regeer- en gedoogakkoord. Ze waren nonchalant over de onrust in de CDA-achterban. Bij dit soort processen gaat het echter om intern draagvlak; die akkoorden volgen dan wel. Waarom zorgde Opstelten niet voor een kalmerend publiek statement van de onderhandelaars over de beginselen van onze rechtsstaat? Iets als: ‘Het regeerakkoord zal die beginselen niet bedreigen en het gedoogakkoord kan dat niet zolang de overige partijen onze rechtsstaat steunen.'”

Had u zit zien aankomen?

“Nee, niet in dit tempo. Vanwege die onrust binnen het CDA begon ik eind augustus Opsteltens kansen op succes flink lager in te schatten, en dat heb ik hem ook gezegd. De brief van Ab Klink werd twee dagen later de brandende lont in het kruitvat, dat vorige week vrijdag dus ontplofte.”

Kan er alsnóg een rechts kabinet komen?

“Bij een kabinetsformatie is alles mogelijk. Indien de drie partijen ondanks alles uitsluitend met elkaar verder willen, krijgen zij uiteindelijk de regeringsmacht. Wilders kan beter accepteren dat de CDA-fractie zelf haar interne zaken regelt. Geen enkele fractie, ook de zijne niet, kan garanderen altijd eensgezind te blijven. Onvolledige eensgezindheid van een fractie is trouwens hooguit een probleem bij hoofdelijke stemmingen, maar die komen in Nederland slechts sporadisch voor. Binnen een week kan rechts weer bij zinnen zijn. Ze kunnen dan alsnog een plechtige verklaring over de rechtsstaat afleggen.”


Klink is uit de Kamer gestapt.Wat vindt u van zijn veelbesproken ik-kan-hier-niet-meer-achter-staan-brief?

“Het was geen sterke brief. Het komt er op neer dat Klink angstig is voor het retorische vrije spel van Wilders. Terwijl retoriek niks anders is dan gebruikmaken van je vrijheid van meningsuiting. In een democratie is dat het minimale recht van iedereen. Zeker in een gedoogkabinet, waarin wordt afgesproken dat iedereen mag zeggen wat hij wil.”

Maar was Klinks vrees terecht?

“Hij gaf een voorbeeld in zijn brief: een kabinetsvoorstel dat extra geld vrijmaakt voor scholing en vorming van nieuwe migranten opdat zij hier beter leren meedoen en zich thuis voelen. Wilders zou daar zijn eigen draai aan kunnen geven door te zeggen dat het mooi is dat de instroom zal afnemen, omdat nieuwe migranten weten dat je eerst hard moet leren. Klink vond dat een gruwelijk geluid. Waar kwam die vrees vandaan? Alles in het leven is multi-interpretabel.”

Leg uit!

“Politieke besluiten hebben altijd verschillende functies en effecten. Daarom kun je ze altijd op verschillende manieren uitleggen. Bij dit voorbeeld geldt dat de ene interpretatie de andere helemaal niet hoeft uit te sluiten. De vrees van Klink was absurd. Afspraken in het leven gaan over wat en hoe je iets gaat doen, niet over motieven en interpretaties. In een land van andersdenkenden kun je de lieve vrede alleen zó bereiken. Ik ben verbijsterd over Klinks denkfout.”

De afgelopen weken hebben we vaak het woord ‘rechtsstaat’ gehoord. Die zou worden aangetast met de PVV in een gedoogconstructie. Wat is daar van waar?


“Nederlandse politici kijken vooral naar binnenlandse agenda’s, terwijl de grote wetgever de Europese Unie is, met Brussel als onze nieuwe hoofdstad. Onze rechtsstaat is steviger verankerd in Europese verdragen dan in onze grondwet. Maak je maar geen zorgen. Mijn reactie op het enorme kabaal in het CDA rond het begrip rechtsstaat was toen: waar hebben jullie het over? Het is een non-issue, die rechtsstaat, want dat is al geregeld in het Verdrag van Lissabon. Over non-issues moet je aan de onderhandelingstafel nooit ruzie maken.”

Een ander bezwaar: 76 zetels is een wel erg krappe meerderheid.

“Dat valt wel mee. Er zijn op het Binnenhof zelden individuele (‘hoofdelijke’ – red.) stemmen. Verreweg de meeste kabinetten zijn bij ons breekbaar. Van de 26 naoorlogse kabinetten hebben er slechts zeven de rit uitgezeten, waaronder Van Agt-I met slechts een zeteloverschot van twee. Het kabinet met het grootste zeteloverschot ooit was Van Agt-II met 109 zetels, maar zat nog geen negen maanden. Elk nieuw kabinet heeft statistisch een kans van 75 procent dat het voortijdig valt. Al die beweringen dat een krappe meerderheid automatisch instabiel is en een grote meerderheid automatisch stabiel, zijn dus kletskoek.”Hoe kijkt u naar het formatieproces, als lobby-expert en oud-informateur van het Rotterdamse college in 2002 (CDA, VVD en Leefbaar Rotterdam)?

“Ik ben al decennia zeer geïnteresseerd in de maatschappelijke vraag: hoe kun je onderling zeer verschillende clubs een paar jaar laten samenwerken? Dat speelt zich af in de politiek, maar veel frequenter en heftiger in de private wereld van belangengroepen. Men zoekt samenwerking met clubs die in wezen concurrenten zijn. Kom daar maar eens uit. Soms is er notoire onwil, of is er iemand met een driedubbele agenda. Tja, op een gegeven moment houdt het op.”


U kent ex-informateur Ivo Opstelten goed uit uw tijd als informateur van het Rotterdamse college – Opstelten was daar toen burgemeester. Wat heeft hij nu fout gedaan?

“Je moet veel aandacht hebben voor chemie en sfeer binnen het proces. Dat heb ik op de valreep nog aan Opstelten doorgegeven. Dat gedeelte heeft hij goed begrepen; de sfeer aan tafel was goed. Vervolgens is hij heel snel in de inhoud gedoken. Zeg maar de bestuurlijke procedure, van beleidsgebied naar beleidsgebied. Dat moet je als informateur niet zelf willen doen, dat moet je juist uitbesteden aan de drie onderhandelaars, die zitten er veel beter in. Opstelten heeft voor burgemeester gespeeld in deze onderhandelingen. Dat achtte hij zijn werk: de agenda afwerken en dan afvinken. Maar de informateur moet vooral een oliemannetje zijn, een ‘klusjesman’ zoals de naoorlogse oud-premier Louis Beel.”

Zijn er momenten geweest in de formatie waarop u dacht: dit zou ik totaal anders hebben gedaan?

“Ik heb Opstelten op zondag 29 augustus gezegd: ‘Verhagen zit zwaar in de problemen. Verhagens probleem is ook jouw probleem, én dat van Rutte en Wilders.’ Dan moet je als informateur de helpende hand uitsteken. In 2002 had ik namelijk precies hetzelfde probleem met het te vormen college in Rotterdam. CDA-voorman Sjaak van der Tak zat toen op zijn stoel te schuiven omdat zijn achterban opzag tegen samenwerking met Pim Fortuyn. Oplossing: een gezamenlijke verklaring met één kernwoord: respect. De partijen verklaarden dat Rotterdam er was voor de oude én nieuwe inwoners. Opstelten had zo’n gebaar ook kunnen maken, bij de eerste tekenen van onrust in de CDA-achterban. Dan had hij voorkomen dat Lubbers en consorten hun kans schoon zagen om ketelmuziek te maken.”


Volgens mij zou u, als politiek wetenschapper, weleens willen aanschuiven bij de landelijke onderhandelingen.

“Ik zou dolgraag onder de onderhandelingstafel liggen, maar vermoedelijk zou ik m’n mond niet kunnen houden. In dat hectische spel zijn de deelnemers vaak gefocust op enkele zaken. Ze verliezen het overzicht dat je nodig hebt om weer spelopeningen te zien.”

Veel mensen lijken niet het verschil te kennen tussen een gewoon kabinet en een kabinet met gedoogsteun. Ze denken dat de PVV ook in de Trveszaal zit en echt ín het kabinet zit en dus hetzelfde moet vinden als de andere twee partijen.

“Inderdaad, terwijl je alleen afspraken maakt over ‘wat en hoe’ en bovendien afspreekt op die onderwerpen hetzelfde te stemmen. Meer niet. Dat heet soevereiniteit in eigen kring. Dat had juist de protestante Klink moeten weten en waarderen. Ik denk dat er de afgelopen weken veel druk op hem is uitgeoefend. Vanuit de eigen kritische CDA-achterban, maar vermoedelijk ook vanuit andere partijen, want tegenstanders van zo’n kabinet zoeken altijd de zwakke schakel. Die zwakke schakel was het CDA. Vervolgens kijk je wie je binnen het CDA moet hebben. Dan kom je al snel uit bij de meer protestantse stromingen, de oude ARP. Daar behoorde Klink dus toe. Het gemakkelijkst – en meest effectief – is: hameren op bijbelse waarden.”

Speelden de verschillende religieuze achtergronden van de protestant Klink en de katholiek Verhagen nog een rol bij de onderhandelingen?

“Er zijn twee methoden van onderhandelen – ik heb ze ooit beschreven als ‘protestants’ of ‘katholiek’ onderhandelen. Dat heeft niets te maken met religie en alles met de methode, dus cultuur. Bij de protestantse methode begin je meteen heel ernstig de verschillen in kaart te brengen, het liefst nog met allerlei werkgroepen eromheen. Dan meet je dus vooral de afstanden tot elkaar. De katholieke of roomse methode is anders. Dan verwelkom je elkaar eerst. Je maakt goede sfeer en vraagt bijvoorbeeld hoe het thuis gaat. Een slimme ‘roomse’ informateur begint ook met makkelijke onderwerpen, want chemie en tempo geven schwung. Het spel is dan elkaar wat gunnen. Katholieken doen dat gemakkelijker.”


Wat zijn de grote verschillen tussen deze twee CDA’ers?

“Klink is alleen maar protestants, maar Verhagen heeft in ieder geval roomse cultuur meegekregen. Hij is en blijft een pragmaticus en wil tot resultaten komen. Als zodanig had hij ook in de VVD kunnen zitten, want daar zitten ook velen met een roomse cultuur. Klink is ook veel te beschouwelijk. Hij heeft, wat dan wordt genoemd, principes. Kletskoek. Alsof Verhagen géén principes heeft – natuurlijk heeft hij die. Maar hij kijkt óók naar wat in de praktijk haalbaar is.”

Is er nog toekomst voor het CDA en het christen-democratische gedachtegoed?

“Ik denk dat het CDA wel degelijk bijna helemaal kan terugkomen, hoewel het nooit meer zo groot zal worden als zijn voorlopers tijdens de verzuiling – daarvoor is de ontkerkelijking van Nederland te sterk. We houden voorlopig een gefragmenteerd partijpolitiek landschap. Wel kunnen er nieuwe fusies ontstaan. De kleintjes, in dit geval de ChristenUnie, kunnen met het het CDA gaan samenwerken. Ook ter linkerzijde verwacht ik fusies.”

Ook dan lijken vijftig zetels me niet bepaald haalbaar.

“Elke partij heeft een slinkend ‘minimumbereik’ aan kiezers. Over het geheel genomen krijg je dus een steeds groter aantal zwevende kiezers, de shoppers, en dus een ruimer maximumbereik. Ik acht het CDA in staat om als brede middenpartij een sterke positie te herwinnen. Maar dan moet zij wel pragmatisch zijn en ergens in het midden staan, tussen het linker- en het rechtercluster. Dan kun je je namelijk heel mooi profileren in immateriële, sociaal-ethische kwesties. Daar zijn de seculiere partijen, VVD en PvdA voorop, niet sterk in.”


En verder?

“Als je groot wilt zijn – en dat wil het CDA, want het heeft een sterk machtsinstinct – dan moet je het zoeken op het gebied van ‘christelijke cultuur’. Dat is heel breed. Ze moeten er geen rechtse of linkse partij van maken op basis van alleen materiële onderwerpen. Het moet in ieder geval in hoge mate een blijvende combinatie zijn van zowel ‘een’ Verhagen als ‘een’ Klink. Je hebt ze toch echt allebei nodig.”

Waar moet ik u eigenlijk plaatsen in het politieke spectrum?

“Ik ben nergens lid van, want dat wil ik niet. Ik vind de politieke wetenschap belangrijker dan partijpolitiek. Hiermee verschil ik van mijn meeste collega’s, die wel lid van een partij zijn. Vaak zijn ze zelfs actíef lid, en dus partijpoliticoloog.”

Maar waar stemt u op?

“Soms zit iets me zo erg dwars dat ik mijn stem op één issue baseer. Voorbeeld: in mijn jeugdjaren stemde ik trouw op de pacifistische PSP omdat ik de Vietnam-oorlog een grote schande vond. Dit keer zei mijn instinct dat ik CDA moest stemmen, maar Jan Peter Balkenende was toch weer verkiesbaar. Als hij mij had beloofd dat hij na de verkiezingen hoe dan ook zou opstappen, had ik CDA gestemd. Nu werd het D66, nadat ik de andere partijen een voor een had afgestreept. De VVD stond in de peilingen al hoog en had mijn stem niet nodig. De PvdA idem dito. Bovendien vind ik die partij onvoorspelbaar. Ach, ik houd gewoon niet van grote partijen. Die zetten te snel een grote mond op.”

Frank Verhoef, foto's Jean-Pierre Jans