De glijdende rechter

De rechterlijke macht staat onder druk. Door het proces tegen Geert Wilders. Door een reeks geruchtmakende gerechtelijke dwalingen. Maar ook doordat strafrechters – al dan niet uit tijdgebrek – hun taak zelf onderzoek te doen verwaarlozen. Over de amerikanisering van de rechtspraak.

Vijftien minuten. Exact vijftien minuten staan er voor de voorbereiding en behandeling van een zogenoemde raadkamerzitting. In zo’n sessie beslist de rechtbank of iemand die als verdachte van een misdrijf is opgepakt weer naar huis gaat of voor nog maximaal drie maanden mag worden vastgehouden. Voor de verdachte is het een zeldzame kans om zijn zaak te bepleiten in een poging een eind te maken aan de gevangenschap. Voor de rechters is het een zaak die op papier gemiddeld vijftien minuten mag kosten, inclusief voorbereiding – theoretisch het doornemen van het hele dossier – en uitspraak. Dan is het niet zo gek dat er weleens wat misgaat. Neem het geval van fraudeverdachte Mike W. bijvoorbeeld, waarbij de rechters het dossier van de verkeerde man voor zich hadden liggen, maar zekerheidshalve toch maar besloten tot een langere hechtenis. Of de zaak van verdachte Gerry de K., wiens verzoek tot schorsing van zijn gevangenschap een keer per ongeluk al door de rechtbank per fax werd afgewezen een dag vóór het behandeld zou worden. Toegegeven, dat zijn excessen. Maar spreek er de gemiddelde strafrechtadvocaat maar op aan: allemaal klagen ze over het feit dat bij dit soort zittingen, die toch echt ergens over gaan, nooit voldoende tijd is. In de twee genoemde gevallen was het extra zuur, omdat de eerste rechter die vervolgens wel de moeite nam naar het juiste dossier te kijken deze verdachten onmiddellijk liet gaan. Daarmee gaf hij impliciet aan dat zijn collega’s eerder een foute beslissing hadden genomen.

Toch zegt dit niet dat die rechters extreem slecht waren. Ze waren vermoedelijk nogal gezagsgetrouw. Ze hielden zich zeer strikt aan de richttijden die zijn vastgelegd in het Lamiciemodel Behandeltijden. Daarin wordt aangegeven dat voor zo’n raadkamerzitting vijftien minuten staan. Natuurlijk, iedere rechter mag er langer over doen, maar de rechtbank waar hij voor werkt krijgt slechts voor een kwartier betaald. “Daarmee worden zulke staatjes natuurlijk normgevend,” zegt hoogleraar rechtspsychologie Peter van Koppen. “Je moet wel een erg goede reden hebben om langer over een zaak te doen, want je collega moet het ergens anders weer inhalen.”

Rechtspraak is in Nederland in de afgelopen twintig jaar steeds meer een gewoon productieproces geworden, met minutenstaatjes, targets en vaste bedragen. Voor de afhandeling van een kantonzaak, dus een kleinere kwestie, krijgt een rechtbank van het ministerie van Justitie negentig euro overgeboekt. Voor een civiele zaak is het tarief 582 euro. Voor elke strafzaak staat 540 euro. En vooral in het strafrecht, waar elke zaak anders is, vaak veel getuigen en deskundigen gewenst zijn en bovendien ingrijpend lange vrijheidsstraffen en TBS kunnen worden opgelegd, leidt dat tot problemen. Van Koppen: “Als jij een fabriek hebt waar je boutjes en moertjes maakt, kun je precies uitrekenen hoeveel tijd de productie van één schroefje kost. Maar dat ligt met strafzaken een stuk moeilijker.”

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Peter Smolders