Weg met die tanks

Minister Hans Hillen moet fors bezuinigen op het defensiebudget. Als hij logisch nadenkt en heilige huisjes niet spaart, blijft er niettemin een zinvolle en geloofwaardige krijgsmacht over.

Grootschalige gemechaniseerde oorlogvoering met tanks, pantserinfanterie, artillerie en vliegtuigen is passé. Oorlog wordt nu hoofdzakelijk ‘asymmetrisch’ gevoerd. Opstandelingen, rebellen, guerrilla’s, vrijheidsstrijders, Taliban of hoe zij ook te boek staan, mijden het open gevecht, leggen hinderlagen, plaatsen bermbommen en plegen zelfmoordaanslagen. Zij gaan op in de plaatselijke bevolking waaruit zij meestal afkomstig zijn. Die bevolking geeft hen uit sympathie of onder dwang bescherming, inlichtingen, logistieke steun en rekruten. De opstandelingen zijn overtuigd van hun zaak, volhardend, fanatiek en kunnen tegen verliezen. Zij begaan gruwelijke misdaden en hebben lak aan het oorlogsrecht.

Westerse militairen daarentegen hebben weinig gevoel voor de cultuur van de bevolking, het thuisfront wil hen snel terug uit ‘Verweggistan’ en de verliezen moeten ter wille van het vaak wankele politieke draagvlak beperkt blijven. Daarom bestrijden zij hun tegenstanders bij voorkeur met artillerie en vliegtuigen. Daardoor vallen slachtoffers onder de burgerbevolking, die toch al weinig opheeft met westerse militairen in wie zij eerder bezetters zien dan bevrijders. Wanneer het Westen zich ook nog verbindt met een gehaat, corrupt en incompetent regime, zoals dat van president Karzai in Afghanistan, hebben goed bedoelde interventies weinig kans van slagen.

Toch hadden onze militairen in Uruzgan met hun zogenaamde 3D-aanpak aardig wat succes. De drie D’s staan voor Defense (een eufemisme voor vechten), Development (opbouwen) en Diplomacy (onderhandelen). De veiligheid nam toe en de opbouw kwam op gang. Helaas is dit lokale succes in de context van heel Afghanistan vergelijkbaar met het opruimen van een wanordelijke hut aan boord van de Titanic. Bovendien werd de missie onderwerp van politiek geharrewar in Nederland, waardoor onze militairen voortijdig vertrokken.


Uit deze en soortgelijke missies in afgelopen jaren zijn belangrijke lessen te trekken. In de asymmetrische oorlogvoering draait het niet om shock and awe, maar om infanterie op de grond. Overweldigende vuurkracht beperkt weliswaar de eigen verliezen, maar staat het doel van de missie in de weg: het winnen van de hearts and minds van de burgerbevolking.

Daartoe moeten onze militairen zich niet in van gemakken voorziene vestingen als Kamp Holland verschansen, maar zich langdurig ophouden in het terrein en onder de bevolking. Door precies dat te doen heeft het Korps Commandotroepen grote verliezen kunnen toebrengen aan de Taliban, zonder zelf verliezen te lijden – iets dat in de media weinig bekendheid heeft gekregen.

Ook is gebleken dat militairen op het gebied van opbouwen en onderhandelen nauw moeten samenwerken met ontwikkelingswerkers en diplomaten.

Dit alles kan uiteraard alleen als Defensie er de middelen toe heeft. Na alle eerdere bezuinigingen kort het kabinet-Rutte nog eens een miljard euro – oftewel 12,5 procent – op het defensiebudget. Los daarvan trof minister van Defensie Hans Hillen na zijn aantreden veel defect materieel aan, omdat geld voor reservedelen ontbreekt. De militaire vakbond ACOM meldde dat tweederde van onze F-16’s aan de grond staat. Ook kan er onvoldoende geoefend worden en is er onvoldoende munitie en kleding voor rekruten.

Hillen bestudeert nog hoe hij dit allemaal gaat aanpakken, maar hij kondigde al aan dat 10.000 van de 69.000 arbeidsplaatsen bij Defensie zullen verdwijnen. Hij wil echter niet de kaasschaaf hanteren – van alles iets minder – zoals zijn voorgangers vaak deden. Wanneer bijvoorbeeld het aantal onderzeeboten van vier naar drie wordt teruggebracht, nemen de overhead, de opleidingen en logistiek bij lange na niet in dezelfde mate af, waardoor de verhouding tussen operationele eenheden en ondersteuning steeds ongunstiger wordt.


Onder Hillens voorgangers kreeg de krijgsmacht, metaforisch gesproken, steeds minder spieren en relatief een almaar groter hoofd. Zo kon het dat de Landmacht met een sterkte van 26.000 mannen en vrouwen in Uruzgan maar ternauwernood 1500 militairen op de been wist te houden; de ‘kaasschaaf’ heeft in voorgaande jaren de verhouding tussen de zogeheten operationele sterkte en de rest van de organisatie versjteerd.

Om de korting met één miljard euro op te vangen en bestaande gebreken te verhelpen, zijn ingrijpende maatregelen nodig. Formeel moet onze krijgsmacht in NAVO-verband ons grondgebied verdedigen, deelnemen aan vredesmissies en crisisbeheersing, en in eigen land bij rampen of anderszins bijstand verlenen. In de afgelopen decennia speelden missies in het buitenland echter altijd de hoofdrol, zoals onder meer het geval was in Bosnië, Kosovo, Irak en Afghanistan.

Bij deze missies werd voornamelijk infanterie van de Landmacht ingezet en in een aantal gevallen ook mariniers, het Korps Commandotroepen, helikopters en F-16’s. De bataljons van de Luchtmobiele Brigade kunnen met behulp van helikopters snel en verrassend worden ingezet. De ‘Rode Baretten’ zijn gehard en goed opgeleid. Geen wonder dat juist deze eenheid vaak werd uitgezonden. De mariniers, die ook enkele missies voor hun rekening namen, traden steeds op als waren zij infanteristen van de Landmacht.

Het Korps Commandotroepen, de Luchtmobiele Brigade en de infanterie moeten kortom de essentiële kern van de toekomstige krijgsmacht vormen.

Dat betekent dat Defensie diverse onderdelen bijna of helemaal kan schrappen. De Landmacht kan afscheid nemen van haar dure tanks. Tankbataljons, die meer geschikt zijn voor gemechaniseerde oorlogvoering, namen nooit aan missies deel, en tanks waaraan blijkbaar nauwelijks behoefte is, zijn kostbaar in exploitatie. Ook artillerie werd maar één keer uitgezonden (in Uruzgan), en dan nog maar mondjesmaat. Een deel van de stukken kan dus weg.


Dan de Luchtmacht. Opstandelingen die zelf geen vliegtuigen hebben, kunnen met minder F-16’s worden bestreden dan wij nu hebben, om over de aanschaf van de even onbetaalbare als onnodige JSF maar te zwijgen.

Met minder F-16’s, die bovendien langer dienst doen, kunnen we de komst van onbemande vliegtuigen afwachten. Apache-helikopters kunnen trouwens ook uitstekend luchtsteun geven.

Bij de Marine tenslotte is weinig nut of noodzaak voor onderzeeboten. Voorts is het absurd dat fregatten die honderden miljoenen per stuk kosten, jagen op licht bewapende Somalische piraten in nietige speedboten. Dat moet toch anders en goedkoper kunnen. De twee amfibische transportschepen die de Marine heeft aangeschaft voor de mariniers, zijn nooit als zodanig gebruikt; ze zijn meer aangeschaft om de marinescheepsbouw aan orders te helpen dan dat er operationele behoefte aan was. Het Korps Mariniers kan worden opgeheven omdat amfibische strijdkrachten overbodig zijn. Wanneer dat korps om nostalgische redenen gehandhaafd blijft, moet het bij de Landmacht worden ingedeeld – het is onzin om er als Marine een minilandmacht op na te houden.

Aan al deze verspilling moet dus een eind komen. Wanneer traditionele ideeën aan de kant worden geschoven en een goede analyse wordt gemaakt van toekomstige missies en nieuwe dreigingen – tijdens de recente NAVO-top in Lissabon werd terecht aandacht gevraagd voor de dreiging van vijandelijke raketten, aanvallen op internet, piraterij en terrorisme – kan ook met minder geld een zinvolle en geloofwaardige Defensie in stand worden gehouden. Maar dan mag Hans Hillen geen heilige huisjes ontzien. De CDA’er moet keuzes maken.


A.J. van Vuren is generaal-majoor buiten dienst.

A.J. van Vuren