Bijna Bach

Meer dan om zijn muziek is Johann Christian Schieferdecker bekend vanwege de curieuze gang van zaken bij zijn opvolging van zijn leraar en werkgever Dieterich Buxtehude als organist van de Marienkirche in Lübeck. Schieferdecker kreeg de baan op voorwaarde dat hij met een van Buxtehudes dochters zou trouwen. Toch moet Schieferdecker een meer dan verdienstelijk organist zijn geweest. Buxtehude was de absolute top: zijn tijdgenoot Johann Sebastian Bach legde bijvoorbeeld een paar honderd kilometer te voet af om de meester te horen spelen.

Voor zijn aanstelling in Lübeck werkte Schieferdecker als klavecinist bij de opera van Hamburg, een rijke stad die aan het begin van de achttiende eeuw een even rijk muziekleven kende. Omdat hij zich ook als componist wilde onderscheiden, componeerde hij in Hamburg een aantal werken in een in die tijd erg populaire vorm: de Franse suite. Hij schreef er twaalf plus een encore die in feite de dertiende suite was, maar uit bijgeloof niet zo werd genoemd. In de compacte instrumentatie van drie violen, cello, hobo, fagot, klavecimbel, percussie en teorbe valt vooral die laatste op: een twee meter hoge, veertiensnarige Florentijnse luit. Het instrument werd meestal gebuikt voor het begeleiden van zangers, maar geeft ook deze suites iets aparts. Hoewel de suites zich niet kunnen meten met die van Bach, geven ze toch een mooi beeld van wat de mindere goden aan het begin van de achttiende eeuw componeerden. En de voorbeeldige uitvoering van het Elbipolis Barockorchester Hamburg draagt daar zeker aan bij.

Ruud Meijer