Nu nog een paar bosnimfen

Het begint met de schaduwen. De zon prikt af en toe door het bladerdak heen en tekent dan grafische kunst op de bestrating van het beukenlaantje, grillige zwart-witte figuren die in beweging blijven doordat de wind de bladeren laat beven.

Als je het eenmaal ziet, blijf je kijken, want het is betoverend, dit spel van schaduwen dat zomaar voor de aardigheid, onbetaalbaar en toch voor niks, de straat versiert. De lichte en donkere vlekken vloeien open en dicht en wisselen elkaar op die manier af. Het is een dans, zie ik ineens, een schimmentango.

Het laantje leidt naar een buitengebied met bossen, velden, akkers en een enkele plas. Ook daar wordt gedanst. Vogels in allerlei maten trekken strakke strepen door de lucht, maken duikvluchten, kringelen, zeilen of wervelen hitsig om elkaar heen. Insecten voeren een ingewikkeld zwermballet uit. Er komt een bos langs, waar de lange rechte stammen schuine schaduwen afwerpen, zodat er een geometrische twostep ontstaat.

In een wei met kniehoog gras liggen koeien te soezen – die doen even niet mee. Maar vervolgens dient zich een veld aan met jong koren waar de wind overheen blaast en is het net alsof daar de wave wordt uitgevoerd, net als bij een veld dat rood kleurt van de klaprozen, even verderop. Dan is er geen houden meer aan: de wuivende bladeren, de schuivende wolken, nog veel meer vogels, de schitters op het water, de lisdodden op de oever, alles gaat op in beweging, panta rhei.

Nu nog een trage wals van een paar bosnimfen in doorschijnend tule, denk ik onwillekeurig, maar dat is niet zo’n nette gedachte, en ook niet zo’n rationele.

Maar als ik terug thuis door de kranten blader, zie ik een paar aankondigingen van dansactiviteiten in de natuur: dansworkshop aan zee, dance in het park, DJ’s aan de plas, oerdansen in het bos tijdens de dageraad. Dus dat ik die bosnimfen niet zag, was gewoon pech.