Monique van der Vorst: gevorderde sporter maar beginnend mens

De zinnen van Monique van der Vorst slepen, steeds weer blijven woorden hangen achter onzichtbare haken. Iedere komma is een horde die hakkelend genomen moet worden, iedere punt een pauze waarin ze nietsziend staart in de verte naast de cameralens.

De camera is hard voor Monique, harder dan het geschreven woord ooit kan zijn. In de ontluisterende (een ander adjectief is er eenvoudig niet) documentaire over haar Lourdes- genezing van een dwarsleasie Ik heb nooit gelogen, die vorige week werd uitgezonden, wordt haar bizarre verhaal verteld.

Ik keek hem gisteren terug, en ik wist niet wat ik zag.

Het verhaal gaat als volgt: op jonge leeftijd ziek geworden, in een rolstoel beland, verdriet verwerkt op de handbike, beste handbikester ter wereld geworden, een aanrijding eroverheen, in Amerika, twee keer Paralympisch zilver, nóg een aanrijding en dan plots het gevoel dat langzaam terugkeert in de benen die altijd onwillig hadden zullen blijven. Wat gebeurt er als je opeens niet meer bent wie je altijd dacht te zullen blijven?

Twijfel aan alles
Moniques ogen stonden vaag, ver weg, toen ze zich voor de NTR-camera’s die dagen in  2010 voor de geest probeerde te halen.
Wat moet ik?
Wie ben ik?
Wat wil ik?
‘Niets wist ik meer zeker.’
Dan zwijgt ze, laat de onzekerheid bezit van haar nemen.

In een rolstoel wist ik hoe het leven werkte, zegt ze. Wat ze niet zegt: hoe het leven buiten de rolstoel werkte, daarvan had ik eigenlijk geen flauw idee. Haar bewegingen, haar stem, de dingen die ze zegt; alles aan Monique van der Vorst doet vermoeden dat ze zich een  beginner voelt. Een vergevorderde sporter, maar een beginnend mens.

‘Wie ik ben, ik weet het niet.’ Ze zal het verschillende malen herhalen, iedere keer weer een onderstreping van de vorige bevestiging. De zinnen lijken een houvast te vormen, herkenningspunten. Moniques enige zekerheid is dat ze aan alles twijfelt.

Monique in 2011 tijdens de teampresentatie van het Rabobank Woman Team

De hoop en het wonder
Het is iets dat ze lang niet heeft gedaan, twijfelen. Liever sportte ze, op zoek naar haar top en naar de top. Die zekerheid over haar bestemming in het leven verdwijnt niet onmiddellijk wanneer Monique weer leert lopen. Ze blijft gewoon sporten, blijft de grenzen van haar lichaam oprekken als postelastiek. Ze gaat lopen, hardlopen, wielrennen, verkent de oneindige mogelijkheden van een gezond lichaam.

Beelden van de marathon van Rome: Monique en haar broer (die ook haar manager is)
wandelen onder het Colosseum. Monique is wereldnieuws, ze vertegenwoordigt de hoop
van miljoenen, haar zien lopen is als het aanschouwen van een wonder. Ze zegt haar oude vrienden uit het handbiken gedag. ‘Ciao bella’, zegt ze tegen een man van middelbare leeftijd. De mensen in de handbikes kijken naar haar op, naar het meisje dat haar een  beetje ongemakkelijk tussen de fietsen scharrelt. Zij, zij heeft het onmogelijke een stapje dichterbij gebracht. En Monique zegt: ‘Ze zijn zo laag bij de grond nog steeds.’

Het zonnetje in huis
Om haar gedachten te ordenen en alleen te zijn met haar nieuwe mogelijkheden, besluit Monique tot een solo-fietstocht van Italië naar Nederland. Wanneer ze thuiskomt in Nieuwerkerk, staat de hele buurt haar op te wachten onder een te laag hangend spandoek waar finish op staat. De burgemeester houdt een toespraak en bedankt haar dat ze de zon heeft meegenomen. Hij vindt het lekker weer.

Als de hele troep samen op de foto gaat, zegt hij: “Het zonnetje in huis is terug.”

Een volgend beeld: Monique van der Vorst op teambuildingsweekend met de Rabo  Vrouwenwielerploeg. Ze wil profrenster worden, ze wil naar de échte Olympische Spelen, een nieuw doel dat past bij een nieuw leven.

Even later rijdt ze naast Marianne Vos.
De prof naast de amateur, de beginner naast de expert.
Het is, om eerlijk te zijn, geen gezicht.

Een dwarslaesie die geen dwarslaesie was
En dan, dit voorjaar, wordt het leven van Monique van der Vorst wéér overhoop geworpen. Journalist Thijs Zonneveld nodigt haar uit voor een interview, de camera’s zijn er ook bij. Zonneveld heeft verschillende getuigenissen van mensen die Monique tijdens haar dwarslaesieperiode hebben zien lopen, haar rolstoel in haar auto hebben zien leggen, over een hekje hebben zien springen. Kan ze dat uitleggen?

Weer beginnen de zinnen te slepen, alsof de woorden per stuk worden afgerekend. Traag
en onsamenhangend volgt het verhaal van een dwarslaesie die geen dwarslaesie was, maar een psychisch beeld van een dwarslaesie, over conversiestoornissen en over de geest en het lichaam. En weer registreert de camera haarfijn de verlorenheid van iemand die lang liever op haar lichaam dan op haar geest vertrouwde. Zonneveld knikt. Het is hem duidelijk. Geen dwarslaesie.

Van der Vorst moet vertrekken bij de Rabo-ploeg en komt van alle ellende zelfs weer in een rolstoel terecht. Het lijkt erop alsof ze het postelastiek van haar lichaam te ver heeft uitgerekt. Toch eindigt ‘Ik heb nooit gelogen’ niet helemaal in mineur. De laatste beelden zijn geschoten in een park. Monique belooft meer mens te gaan worden.

Wat is dat eigenlijk, vraagt de interviewster, mens worden? Dat moet ik gaan leren, antwoordt Monique. In het park gaan zitten en genieten. Van een biertje of zo.

Die laatste paar zinnen stromen er zonder hapering in één keer uit. In haar blik staat – voor het eerst – het begin van zelfverzekerdheid te lezen.