Lekker collectief rouwen? De afschuwelijke dood van Tony Soprano en James Gandolfini

Meestal is het niet zo erg als een beroemdheid sterft. Tenminste: niet voor het grote publiek. Het is een goede conversatie-opener. Een mooi excuus om weer eens een oude film of plaat tevoorschijn te halen. Lekker collectief rouwen. Herinneringen ophalen.

Met een beetje geluk is de doodsoorzaak mysterieus, en weet je dat er de komende weken dubieuze apothekersrecepten naar boven komen, en verwarde verklaringen van ‘de dokter van.’ Of nog beter: ‘de persoonlijke goeroe van.’ Hij was juist op de weg terug. We waren zijn medicijnen aan het afbouwen.

Op 19 juni overleed James Gandolfini aan een hartaanval. Tony Soprano is dood. Het is de eerste beroemde dode in tijden die én onverwacht is, én er echt inhakt. De schok is sterker dan het stiekeme genot. Dan de sensatiezucht.

Gereserveerd
Er zijn nog steeds genoeg heerlijke grote gebaren. In het restaurant in New Jersey waar de allerlaatste scène van The Sopranos werd opgenomen, werd na het slechte nieuws een bordje ‘gereserveerd’ neergezet op Tony’s tafel. Het bordje bleef de hele dag staan.

Er was de verklaring in de New York Times van Luis Rodriguez – Gandolfini’s voormalige doorman. ‘I’ve been here for seven years, and I can honestly say every time I opened the door for that guy it was never with an attitude.’

Doorgaans geldt voor zulke verklaringen: de postume lof kan niet banaal genoeg zijn. Hoe onbeduidender de getuige, hoe beter. Het hoogtepunt in het New York Times-stuk was de alinea: ‘With reddened eyes downcast, Mr. Rodriguez spoke of how Mr. Gandolfini often returned from walking his dog — a beloved rescue named Duke, according to a neighbor — with gifts for the doormen unbidden, sometimes snacks or a bottle of water, sometimes a spare $100 bill.’

Vooral die eerste woorden zijn schitterend. ‘Met rode, neergeslagen ogen.’ Je weet het meteen. Dit is geschreven door een buitengewoon getalenteerde rouwer.

Mijn Tony
En toch. Je zou zulke klassiekers meteen inruilen voor de saaie, maar geruststellende wetenschap dat James Gandolfini leeft. Dat Tony Soprano leeft. Af en toe zou je Gandolfini nog terugzien in een film. Wat voor rol hij ook zou hebben, hoe overtuigend hij zijn personage weer eens neer zou zetten, elke keer zou je denken: ha, daar is Tony Soprano. Alsof je een goede, ouwe vriend tegenkomt die je al een tijdje hebt gemist.

Als Gandolfini’s karakter normaal, beschaafd Amerikaans zou praten, zou je denken: waarom praat Tony opeens zo raar? Als het karakter in een woede-aanval uit zou barsten, zou je denken: daar is-ie. Mijn Tony. Zo ken ik je weer.

Een vriend bekende gisteren: ‘Ik dacht: echt zielig voor Meadow en A.J.’ Ik keek filmpjes van Tony. Over Tony. Ik hoorde zijn consigliere Silvio Dante weer zeggen: ‘A lot of top guys have dark moods. That Winston Churchill drank a quart of brandy before breakfast. Napoleon, he was a moody fuck too.’

Ik las zoveel mogelijk clichés over Gandolfini’s dood. Van de lekkere clichés genoot ik. Bij de afschuwelijke hoorde ik Tony schreeuwen: ‘Why don’t you get the fuck out, before I shove your quotations book up your fat fucking ass!’

Vaak slikte ik iets weg. Met rode, neergeslagen ogen.