Luc de Vos (1962 – 2014): Mia

‘Als ik honger had, kwam ik naar je toe / Je zei: eten kan, als je de afwas doet. / Mensen als jij moeten niet moeilijk doen / geef ze een kans voor ze stom gaan doen.’

Op zaterdagavond, net voor ik Alex Schalk voor Go Ahead Eagles zag scoren tegen Vitesse, las ik over het overlijden van Luc de Vos. Het is nooit aangenaam om over de dood te lezen. In tegenstelling tot veel ander nieuws, gaat er van doodsberichten iets onherroepelijks uit. Het gaat je overkomen ooit, ooit ben jij het onderwerp van zo’n berichtje, maar over de kop en de inhoud van het stuk heb je niets te zeggen.
Het beste is daarom om helemaal niet dood te gaan, en dat zou je ook alle mensen in je directe omgeving, al je helden en alle mensen die er lief uitzien en die het al moeilijk genoeg hebben wel willen toeroepen.

‘De middenstand regeert het land / Beter dan ooit tevoren. / Mia heeft het licht gezien / ze zegt / Niemand gaat verloren.’

Lesbos
Toch gaan veel mensen vroeg of laat een keertje dood. Het is alsof de duvel ermee speelt.
Als je volgens sommige definities nog jong bent, zoals ik, gaan er relatief veel mensen dood die er al je hele leven zijn. Luc de Vos was zo iemand. ‘Mia’, het nummer dat werkt als een soort reusachtig spinnenweb waar je als luisteraar voor een leven lang in verstrikt raakt, dateert uit de zomer van 1992. Ik was toen zes.
(In dat jaar reisden we naar Lesbos, waar ik in een winkeltje vol Griekse spullen van de bejaarde uitbater een schitterende schelp ontving, een soort zeepaardje van grauwe kalk was het. Het enige wat de man ervoor terug wilde, was een tekening. Hij spaarde internationale kindertekeningen, zoals hij vermoedelijk ooit jarenlang schelpen verzameld had; dit was misschien wel de eerste keer dat ik begreep dat juist in het zinloze soms de grootste bevrediging schuilt).

‘Voorlopig gaan we nog even door / Op het lichtend pad, het verkeerde spoor. / Mensen als ik vind je overal / Op de arbeidsmarkt in dit tranendal.’

Gisteren, na afloop van Anderlecht – Club Brugge, de topper uit de Belgische eerste klasse – dat is zoiets als een battle tussen twee Griekse rappers – speelde de stadion-DJ ‘Mia’. Veel bezoekers waren al vertrokken, op zoek naar hun auto met stoelverwarming of een café met een tap die de hele nacht zou blijven stromen, maar er waren er nog flink wat over. Gezamenlijk galmden Bruggelingen en Brusselaars de regels in de richting van het verlaten gras. Uit de monden van een paar duizend voetbalsupporters doet ieder lied denken aan een soort primitieve koorzang, maar de tekstuele brille van Luc de Vos was met geen honderdduizend fans banaal te krijgen.
In de omhelzing in het Constant Vanden Stockstadion rezen uit het refrein van ‘Mia’ plots de contouren van een klassiek voetballied.

‘Sterren komen, sterren gaan / Alleen Elvis blijft bestaan. / Mia heeft nooit afgezien / Ze vraagt: kun jij nog dromen?’

Alleen Elvis
Hoe mooi zou het zijn, als AA Gent van ‘Mia’ z’n nieuwe stadionhymne zou maken. En dat er dan andere, grote clubs in Gent op bezoek zouden komen en zouden vragen: wat is dat voor lied? En dat ‘Mia’ langzaam, stadion voor stadion en stad voor stad, op steeds meer plekken zou worden gespeeld. Zodat voetballers en trainers en bestuurders en supporters zich af en toe herinneren dat sterren komen en sterren gaan. Dat alles tijdelijk is en dat alleen Elvis blijft bestaan. En dat er over 22 jaar nog jongens zijn die geloven dat Luc de Vos er hun hele leven al is geweest.
(De tekening voor die Griekse antiekmeneer heb ik nooit afgemaakt. Vermoedelijk is hij intussen ook dood. De schelp bezit ik nog. Alles gaat voorbij, maar sommige dingen sneller dan andere).

‘Sterren komen, sterren gaan / Alleen Elvis blijft bestaan. / Mia heeft nooit afgezien / Ze vraagt: kun jij nog dromen?’