De Discussie van de Eeuw

‘Dan gaan we het maar eens anders doen,’ siste het serpent (geweldige rol van de vriendin) een paar weken geleden. ‘Wie niet horen wil, moet maar voelen.’ We hadden net een nogal pinnig verschil van mening achter de rug, waar ik u, lezer, verder niet mee zal vermoeien.
(Ach, waarom ook niet? Ik had een vaatdoekje bij de handdoekjes gelegd, en het bovendien twee keer in de lengte en een keer in de breedte opgevouwen, in plaats van twee keer in de breedte en een keer in de lengte. Gevolg: dat wil je niet weten).
Een dag later had ik hem al in de pocket, een kleurige uitnodiging voor de Discussie van de Eeuw – je wordt niet thuisgebracht. Op zaterdagavond 10 december zou het gebeuren. The Good Girl vs. The Bad Boy. Vier rondes: huishoudelijke taken, liefdesbetuigingen, een speciale Kerstronde en ‘de toekomst’. Robbertje vrij debatteren, iedere kulredenatie toegestaan.
De kaartjes gingen als van die in de magnetron opgepiepte kaasbroodjes en de vriendin verdween op trainingskamp met een anabolendokter en een professioneel verongelijktheidszaaier. Ik bleef thuis, beetje in de gaten houden dat de boel de boel bleef en me voornemend alles ‘over me heen te laten komen’. Laat dat maar aan de vriendin over.

Lenie ’t Hart
Een dag voor de Discussie volgde de traditionele weging der argumenten. Die vond plaats in onze keuken. Lang gebeurde er niets. Ik fourageerde enkele opgedaagde journalisten – van HP/De Tijd (dat was ik dan toevallig zelf), van het AD (dat was iemand anders) en van het mij onbekende opinietijdschrift Kapot Monthly (een temende Rotterdammer die gekweld naar buiten keek. De geluidsman van RTV Utrecht soldateerde een hele etui Ristretto-cups en verdween daarna op het toilet.
‘Ze komt niet meer,’ zei de AD-fossiel.
‘Typisch de vriendin,’ mompelde de HP-koelie.
‘Ik vind dat je alles moet kunnen zeggen,’ zuchtte de man van Kapot Monthly en deed er verder het zwijgen toe. Maar net toen ik het debatzuchtige journaille met zachte hand uit mijn woonst wilde verwijderen, stommelde er iets de trap op. Als dat het vrije woord niet was, voor de gelegenheid in een donkerblauwe Bijenkorf-bermuda. Ze werd omstuwd door een posse van opgewonden vriendinliefhebbers. In de gauwigheid herkende ik haar moeder, haar zus en enkele van de scherpst schietende discussiekanonnen van de provincie. Al in het trappenhuis klonk het ‘De vriendin die gaat je slopen! De vriendin die gaat je slopen!’, op de melodie van ‘Ik ben koning Louie’, van de singersongwritende orang-oetan uit Jungle Book – merci Rudyard Kipling, ouwe opruier.
De vriendin zei geen stom woord. Ze keek alleen maar. De adrenaline van de betere drogredenering en de voorpret over het fijnere fact-free werk liep in een klein stroompje uit haar mond en vormde in de ijzige sfeer in de keuken een pracht van een stalactiet op haar kin.
‘De vriendin die gaat je slopen!’ riep iemand.
‘Fran-kie Hei-nen!’ scandeerde ik terug.
‘Wat ga je morgen met Frank doen?’ vroeg de oude AD-baas.
‘Slopen,’ hijgde ze.
‘Ik vind dat je alles moet kunnen zeggen,’ zei de Kapot Monthly-scribent en deed een greep naar de laatste brokjes Tony Chocolonely.
Voor het wegen der argumenten was een strikt partijdige scheidsrechter ingevlogen. Daar waren beide partijen het in gelijke mate niet mee eens.

Ik weet niet wat ik dan wel had verwacht, maar niet 15.000 man in mijn woonkamer op een zaterdagavond. De AD-tikbok was ook weer van de partij. Mijn opiniebermuda drukte precies op mijn blaas, maar plassen zat er niet in, met 15.000 sherry tankende vrijemeningmaniakken en een wc’tje.
Daar kwam ze, als Lenie ’t Hart door de Rode Zee.
De vriendin.
Was dat de vriendin? Ze zag eruit als een scharrelstier uit de knokploeg van Jesse Klaver. Gevolg van een wekenlang dieet van vrijzinnigheid en tofuballetjes.

Laatste dreun
We zitten nu twee dagen later. Dat De Discussie op niets is uitgelopen, wist u natuurlijk al. Reeds bij ‘Eerste Kerstdag: jouw ouders of de mijne?’ liep het debat spaak in een woud van eigenbelang. Volkomen logisch dat het gesprek gestaakt werd na die dreun op mijn luisterend oor. De scheidsrechter kwam meteen tussenbeide, het uitwisselen van visies moest geen aanzetten tot gehoorbeschadiging worden. Dat moesten we maar lekker op de Volkskrant-opiniepagina’s doen. Dit was een vechtsportring in een kleine keuken, hier hielden we het netjes.
Vlak na de laatste dreun – ‘We zijn vorig jaar al bij jouw ouders geweest’ – fluisterde ze in mijn geraakte oor: ‘Ik pak je nog wel.’
Hoe?
‘Dat wil je niet weten.’