Spring naar de content

Over cynisme

De dag dat W.F. Hermans stierf, was ik aan het draaien voor een TV-serie, De eenzame oorlog van Koos Tak.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Theo van Gogh

Journalist Tak is naar eigen zeggen een verzetsheld, die graag en hoog mag opgeven over zijn dappere gedrag tijdens ’40-’45. In die bange dagen hebben onverlaten het zadel van zijn fonkelende Fongers losgeschroefd zodat hij, op de vlucht voor de mof, pardoes op de stang sprong en nooit meer kinderen zal kunnen maken. “Ons niet geboren kindje is eigenlijk het laatste oorlogsslachtoffer,” vertelt hij aan z’n vrouw Tine, wier poging een adoptiekind te scoren zojuist jammerlijk mislukt is. Haar beschonken echtgenoot heeft het bezoek van de juf van de Kinderbescherming, die wikt en beschikt over toewijzing, tot een ramp gemaakt; Tine zal nooit moeder worden. “Je krijgt van mij twee goudvisjes,” troost Koos en valt snurkend in slaap. Tranen vullen Tine’s ogen. De camera houdt haar verdriet pijnlijk lang in beeld, om te eindigen boven het bed van de Takjes, op een afbeelding van twee engelen. Einde serie. Niets is zo moeilijk als mensen te laten lachen en ik beet m’n nagels stuk op de scène. “Jij bent mijn eigen Gerrit van der Veen!” fluistert Tine ergens, waarna we onze held in het donker van de slaapkamer zien glunderen van trots. “Waar gaat liefde over?” zweerde m’n eksteroog en Mevrouw Tak deed me grijnzen. 

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Word met één click op de doneerknop donateur en steun daarmee de onafhankelijke journalistiek van HP/De Tijd.

Doneren

Toen ik hoorde dat de grote Willem Frederik dood was, herlas ik het einde van Uit talloos veel miljoenen: “— Clem? zei ze op vragende toon. Ik heb iets raars bedacht. Een kind krijgen kon ik niet, maar wel een tumor in mijn buik. Wat dom, hè? Schrikkend dat ze zijn gedachten had geraden, liet Clemens bijna zijn hoed op de grond glijden, maar hij wist hem, door zich snel voorover te buigen, nog te grijpen. Sita maakte een geluidje of zij lachte. Dit duurde niet lang. — Ik kan niet lachen, zei ze. Als ik lach doet ‘t pijn.” 

Na al die jaren weet ik nog steeds niet waarom dit fragment me zo ontroert, zoals de tederheid waarmee Hermans de meeste van zijn vrouwen beschrijft me altijd weer naar de keel grijpt. Hij moet een uitzonderlijk gevoelig man zijn geweest, behept met een razernij over de dingen en de wereld die je je ergste vijand niet gunt. En toch ontkwam ook hij niet aan de gesel der mildheid. Ik herinner me zijn grijns, die ene keer dat ik hem ooit ben tegengekomen: “Wat maakt U zich druk om een imbeciel als Brandt Corstius!?” 

“Waarom noemt U Uw laatste boek dan Malle Hugo?” “Ach, die sukkel…” sprak de grote schrijver mild. Het Nos-Journaal kwam woorden te kort om het ‘lastige’ karakter van de overledene te schetsen. Harry Mulisch babbelde wat, andere grote denkers noemden Hermans ‘een querulant’. Er werd een hoop geoudehoerd over het ‘cynisme’ van de schrijver en mijn gedachten gingen uit naar de geduchte polemist B. Polak, wiens moedertje van 89 nu niet meer in het gerontofielen-bordeel hoeft te werken om de schadevergoeding op te hoesten die zoonlief aan zijn broek kreeg nadat door Hermans gewonnen proces. 

Op straat kwam ik columnist Martin Bril tegen, die zwanger gaat van een carnavalskraker over de Hutu’s en de Tutsi’s. “Zou Hermans om me moeten lachen in de hemel?” “Vast wel,” zei ik. “Maar niet te lang.”