Spring naar de content
bron: anp

Peter R. de Vries: ‘Ik ben een aanvaller’

Hij zit al bijna 25 jaar in de misdaadjournalistiek, en hij weet van geen ophouden. Waar haalt hij die gedrevenheid vandaan? “Als sportman geef ik nooit een punt cadeau. En verder wil ik altijd wel graag winnen.” Honderd vrijpostige vragen aan Peter R. de Vries. 

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Tom Kellerhuis

Wanneer besloot u de Miep Brons van de misdaadjournalistiek te worden? 

Abboneer op een lidmaadschap

Hoe sympathiek!

Dit artikel krijg je van HP/De Tijd cadeau. Om ons te steunen en meer artikelen van en uit HP/De Tijd te lezen, word je vanaf slechts vier euro per maand lid in minder dan een minuut. Voor dat luttele bedrag lees je ook alle stukken uit het maandelijkse magazine digitaal.

Kies een lidmaatschap

“Wat bedoel je daar precies mee?” 

U opereert net als zij aan de onderkant van de samenleving. 

“Ik weet niet of dat zo is. Ik heb zo’n beetje voor alle media gewerkt. Ook voor Vrij Nederland, voor HP/De Tijd en zelfs voor de NRC wel eens. Dat kun je niet bepaald de onderkant noemen.” 

U vindt het vervelend zo genoemd te worden? 

“Het doet niet helemaal recht aan hoe ik werk. Ik vind dat mijn programma’s diepgravend en technisch buitengewoon goed verzorgd zijn. Ik beoefen een specialisme en ik denk dat ik in dat specialisme tot de top behoor. Dat durf ik in alle arrogantie te zeggen.” 

Wat is uw belangrijkste journalistieke criterium? 

“De feiten moeten gewoon kloppen: check en dubbelcheck. Naar mijn smaak is de journalistiek in zijn algemeenheid daar wat minder zorgvuldig mee.” 

Dat kan de vaderlandse journalistiek in zijn zak steken. 

“Ja, omdat die vaak verdomd onzorgvuldig is.” 

U bent zelf als journalist vaak verguisd? 

“Nee, nee, nee, daar heeft het niks mee te maken. Nu ik een Bekende Nederlander ben, ondervind ik dat aan den lijve. De verhalen over mij blijken werkelijk te wemelen van de fouten. Of het nou de NRC of de Panorama is.” 

Wat is het ergste wat ooit over u is beweerd en wat niet klopt? 

“Te veel om op te noemen!” 

Noem eens wat dan? 

“Feitelijke onjuistheden. Er wordt van mij wel eens gezegd dat ik kampioen ingezonden brieven schrijven zou zijn. Dat geeft dus wel aan dat het heel vaak is misgegaan. Vrijwel alle media hebben ook wel een keer moeten rectificeren. Nóg zoiets: dat ik een ex-rechercheur zou zijn. Jongens, ik heb nooit bij de politie gezeten.” 

Wij weten dat. 

“Maar zij kennelijk niet. En dat wordt dan met een stelligheid opgeschreven alsof het een vaststaand feit is.” 

Waarom windt u zich eigenlijk zo op? 

“Dat doe ik niet.” 

Wel waar. 

“Niet waar! Van de tien onjuiste dingen die over rmij worden beweerd, laat ik er negen passeren.” 

Dus eigenlijk bent u heel coulant? 

“Dat zou je kunnen zeggen.” 

Iemand die veel procedeert tegen journalisten wekt toch de indruk een opgewonden standje te zijn. 

“Op het moment dat ik ga procederen, is er natuurlijk wel echt iets geschreven wat niet klopt — waar ik aanstoot aan neem.” 

Zit er ergens een verborgen frustratie? 

“Dat vind ik nou weer grappig! Als ik tegen journalisten ageer die zaken beweren die niet kloppen, dan heb ik dus ergens een verborgen frustratie.” 

Klinkt logisch. 

“Voor jullie misschien wel, voor mij niet. Ik ga gewoon voor de feiten, voor de waarheid.” 

Waarom zegt u opeens jullie tegen mij? 

“Omdat jij je nu manifesteert als iemand die de waarheid en de feiten ook opeens minder belangrijk lijkt te vinden.”

lk vraag het alleen maar, hoor.

“Ik ga gewoon voor de waarheid. Punt uit. En als jij het dan graag over een verborgen frustratie van mij wilt hebben: schrijf dan maar op dat ik een verborgen frustratie voor de waarheid en de feiten heb.” 

Maar waarom bent u altijd in de contramine? 

“Ik ben een aanvaller. Ik heb een TV-programma en een vorm van journalistiek waarbij ik dingen aan de kaak stel en blootleg. Daar moet je een bepaald karakter voor hebben, dat zich misschien ook op andere fronten manifesteert. Als iemand iets over mij zegt wat niet klopt, dan val ik aan.” 

Bent u nog wel journalist? 

“Kijk eens naar de zaken die ik onthul en waar alle media altijd achteraan moeten! Ik schrijf columns en boeken. Als dat geen journalistiek is. Heel Nederland weet wat de Putterise moordzaak is. Door wie komt dat? Nou?” 

Door u? 

“Nou dan! Dat lijkt me journalistiek genoeg.” 

Bent u arrogant? 

“Dat vinden veel mensen wel, ja.” 

Nee, wat vindt u zelf? 

“Ik vind zelf van niet. Ik ben een hardwerkende journalist die al 23 jaar gedreven met zijn vak bezig is. Ik heb daar onnoemelijk veel voor gedaan en gelaten en heb daardoor de pretentie dat ik, wat vanaf weet.” 

Waarom gaat u nu met uw armen over elkaar zitten? Denkt u soms dat er iemand tegenover u zit die u bij voorbaat vliegen wil afvangen? 

“Ik ga niet uit van de goede inborst van de mens, nee. Daarvoor heb ik te veel slechte mensen gezien. Ik ben natuurlijk in feite alleen maar met rottigheid bezig. Dat heeft mijn beeld wel een beetje bijgesteld.” 

Vaak in Yab Yum moeten zitten? 

“Ook dat is weer een beeld van een misdaadverslaggever dat helemaal niet corre•spondeert met de werkelijkheid. Je staat niet in die donkere stegen naast druppende regenpijpen in de schemering. Dat is de karikatuur die van het vak wordt gemaakt.” 

Maar hoe is het omgaan met criminelen? 

“Buitengewoon interessant.” 

Nee, iets meer graag. 

“Een ervaring die ik niet had willen missen. Ik ben zelf opgegroeid in Amstelveen in een keurig gezin, waarbij het al heel wat was als de politie aan de deur kwam omdat je op je vijftiende op een Solexje door de straat had gereden. Ik heb in feite een vrij beschermde jeugd gehad. Dan is het interesssant om te ervaren dat sommige mensen op een heel andere manier tegen goed en kwaad aankijken dan wij gewend zijn.”

Ik ga gewoon voor de waarheid. Als jij het zo graag over een verborgen frustratie van mij wilt hebben, dan schrijf je maar dat ik een verborgen frustratie heb voor de waarheid

Peter R. de Vries

Heeft u veel vrienden onder criminelen? 

“Nee. Helemaal niet. Ik ken één iemand voor wie ik een speciaal gevoel heb.”

Heineken-ontvoerder Cor van Hout? 

“Cor van Hout. Dat zal ook altijd zo blijven. Cor is van hetzelfde jaar als ik. Ging ook naar Ajax, net als ik, is ook gek op sport, als ik. Om kort te gaan: ik zag een aantal overeenkomsten en ik weet nog dat ik dacht: hoe komt het nou dat hij ontvoerder is en ik journalist ben?” 

U bent in tegenstelling tot hem geen echte Amsterdammer! 

“Ik ben geen echte Amsterdammer, nee, hahaha. Misschien komt het wel omdat mijn wieg niet in zijn wijk stond. Maar ondanks het feit dat ik wat hij had gedaan verafschuwde, zag ik een aantal eigenschappen bij die man die ik bijzonder vond. Hij bezit een enorm gevoel voor humor en een buitengewoon scherpe intelligentie, zoals ik vrijwel nooit ben tegengekomen. Nog steeds niet. Dat zijn kwaliteiten die je ondanks wat hij heeft gedaan toch niet kunt verloochenen. Anders had hij toch ook zo’n misdaad niet kunnen begaan?” 

Kunt u zich voorstellen dat wij het wonderlijk vinden dat u zo opgeeft over die man? 

“Dat kan ik me wel voorstellen. Het punt is misschien dat veel mensen van een crimineel niet willen horen dat hij ook menselijke eigenschappen heeft.” 

U heeft ooit beweerd dat als Cor van Hout was opgegroeid in de buurt waar u bent geboren, hij een captain of industry was geworden. 

“Daar ben ik van overtuigd.” 

Zegt u daarmee dat geboren misdadigers gemaakt worden? 

“Het is wel een combinatie van sociale, biologische en geografische factoren. Ik denk echt dat dat veel uitmaakt.” 

U klinkt nu net als Buikhuizen, de criminoloog die destijds om zijn ideeën werd verguisd. 

“Weet ik, maar hij is toch later behoorlijk gerehabiliteerd?” 

Dus als je voor een dubbeltje geboren bent, zul je nooit een kwartje worden?

“Dat is de nuchtere waarheid. Niet iedereen met een slechte jeugd wordt een misdadiger, maar het is wel zo dat de meeste misdadigers een slechte jeugd hebben gehad. Dat vinden we niet altijd leuk om te horen, maar zo is het wel.” 

Wat hebben criminelen eigenlijk wat u niet hebt? 

“Ik denk dat het andersom is: ik heb iets wat zij niet hebben: een geweten.” 

Maar wat bewondert u zo in ze? 

“Ik bewonder niks.” 

Volgens u is de scheidslijn tussen gewone mensen en criminelen toch heel dun? 

“Maar dat wil toch nog niet zeggen dat ik criminelen bewonder?” 

Ook niet als mens? 

“Ik bewonder überhaupt geen mensen meer.” 

Hoe komt dat? 

“Omdat ik zelf inmiddels 44 ben en daarmee heb ik de leeftijd des onderscheids wel bereikt. Ik heb wat ervaringen opgedaan en ik heb wat van de wereld gezien. Nou ja, dan zeg ik: een mens behoort niet bewonderd te worden.”

U is een cynicus? 

“Nou ja, nee. Ik hou er gewoon niet van om mensen te bewonderen. Ik word ook misselijk van mensen die bijvoorbeeld met het Oranjehuis dwepen. Daar kan ik helemaal niet tegen; dat vind ik afschuwelijk.” 

Dwepen is wat anders dan bew… 

“… nee hoor, ik vind bewondering hebben voor en dwepen met redelijk hetzelfde.” 

Ik las ergens dat u als puber nogal lastig was. 

“Niet alleen als puber. Ik ben iemand die weinig gezag accepteert. Dat kan zeker in je jeugd erg lastig zijn.” 

Wat was er dan lastig aan u? 

“Wat ik zeg: ik liet me niet leiden. Ik had een eigen mening en die zette ik ook door.” 

Ook bij uw vader? 

“Als ik iets echt niet wilde, dan gebeurde het niet.” 

Pas op zijn begrafenis kwam u erachter dat hij een verzetsheld was geweest. 

“Hij heeft er met mij nooit over gesproken. Hij is deze maand vier jaar geleden overleden. Eigenlijk op de dag van zijn overlijden, toen we de tekst van de overlijdensadvertentie moesten bedenken, hoorde ik dat van zijn tweede vrouw, mijn stiefmoeder.” 

Met uw eigen moeder kon u minder goed over weg? 

“Inderdaad.” 

En dat had weer te maken met de orthodoxe manier van geloven bij jullie thuis? 

“Hahaha.” 

Nee, zeg even als ik de feiten niet goed heb. 

“Sorry hoor, maar dit zijn toch een beetje privé-zaken.” 

Daarvoor zitten we hier toch? 

“Je was toch van HP/De Tijd? Goed dan. Ik heb een christelijke opvoeding gehad; mijn ouders waren gereformeerd. Helemaal niet van de zwarte kousen of zo, en Amstelveen is ook een heel normale gemeente. Toch moesten we iedere zondag naar de kerk en naar catechisatie. Daar heb ik me in mijn jeugd buitengewoon tegen verzet. Ik wilde dat gewoon niet en dat heeft heel veel conflicten gegeven. We waren met zes kinderen thuis en ik was de enige die zich daar eigenlijk in die mate tegen verzette.” 

Ik heb geen enkele reden me miskend te voelen. Het; absurd dat ik eenpleidooi voor mezelf moet houden maar als ik mijn successen optel… wie evenaart dat eigenlijk, denk ik dan.’ 

Maar dat kan toch niet de enige reden geweest zijn dat het contact tussen u en uw moeder nooit meer is goedgekomen? 

“Dat is ook niet het enige geweest. Het heeft te maken met een bepaalde benadering. Ik wilde per se niet. Ik verzette me er gevoelsmatig tegen. Maar in hoeverre luister je als ouder naar wat er in een kind leeft? Ik denk dat je hieruit moet begrijpen dat mijn moeder in zijn algemeenheid naar mijn smaak te weinig aanvoelde wat er in mij leefde.” 

Zit er nog wel iets gereformeerde in u? 

“Helemaal niet. Ik ben vrij onconventioneel.” 

U gelooft niet? 

“Nee, helemaal niet. Ik ben rebels, het tegendeel dus.” 

Hoe herkennen we die rebel bijvoorbeeld? 

“Ik rij veel te hard. Ik rij nooit met een veiligheidsgordel om. Dat soort dingen.” 

Kleine vergrijpen, meneer De Vries. 

“Nou ja, als ik iets vind waarvan ik zeg: dat is gelul, dan pik ik het niet. Ik heb, denk ik, wel een bepaalde onverschrokkenheid in me. Anders kun je dit werk ook niet doen.” 

Bent u zelf een familieman? 

“Ja.” 

Dat lijkt me moeilijk te rijmen voor iemand die zegt dat hij in 23 jaar vijftig jaar werk erop heeft zitten. 

“Maar ik woon heel dicht bij mijn werk. Ik heb een aantal jaren kantoor aan huis gehad, juist toen de kinderen geboren werden. Dus ik ben er in hun beleving altijd vrij veel geweest. En als ik vanavond moet werken, ga ik wel even thuis eten. Ik ben verder niet iemand die de kroeg in duikt of party’s en partijen af loopt. Never!” 

Dus niet dat de kinderen over u zeggen: wie is die man die op zondag bij ons het vlees komt snijden? 

“Ik denk dat er weinig vaders zijn die kunnen evenaren wat ik doe met mijn kinderen.” 

En voor de rest leidt u een redelijk saai leven? 

“Kom, kom. Natuurlijk ga ik er wel eens op uit. Ik zeg je alleen dat ik niet de kroeg in duik. Ik ben geen polonaiseloper. Bovendien maak ik door de week al heel veel mee. Ik ken ongelooflijk veel mensen; je moest eens weten wie ik in een week spreek, dat vinden anderen al heel opwindend.” 

U rookt niet, u drinkt nauwelijks. U gaat weinig uit, sport veel. Waarom leeft u zo Spartaans? 

“Omdat ik het heel erg belangrijk vind om fit te zijn, om een beetje pit te hebben. Ik vind dat te veel mensen te vroeg en te jong al compleet uitgezakt zijn. Ik hang toch een beetje de filosofie aan van een gezonde geest in een gezond lichaam. Daar doe en laat ik dingen voor.” 

Bent u binnen? 

“Wat is nou binnen?” 

Dat weet u heus wel! 

“Het is vrij goed gegaan.” 

U bent miljonair? 

“Als je bedoelt of ik bezittingen heb die de zes nullen overschrijden, dan ben ik miljonair.” 

U zit nooit in de kroeg, houdt niet van extravagante fusten,niet in maatpakken. Waar stopt u uw geld wel in? 

“Ho ho, ik draag redelijk dure kleren, hoor.” 

Wie kleedt u?

“Ikzelf, maar ook mijn vrouw. Maar zij regelt wel mijn kleding over het algemeen. Maar wat ik met mijn geld doe, is iets alleen mijn belastinginspecteur laat weten.” 

Bent u eigenlijk ijdel? 

“Jaahaa.” 

Gaat u vaak naar de kapper? 

“Elke week.” 

Hoeveel kleedgeld krijgt u van uw vrouw? 

“Ik krijg geen kleedgeld. Ik koop iets als ik het nodig heb of als ik het wil hebben.”

Waarom scheert u die snor, dat relict uit de jaren zeventig, niet af? 

“Een bewijs dat ik niet ijdel ben.” 

Of juist wel: om een te korte bovenlip te maskeren? 

“Kan.” 

Kan?

“Nou ja, wat is ijdelheid? Ik vind het belangrijk om er verzorgd en goed uit te zien, zoals ik ook vind dat heel veel mensen er verschrikkelijk onaangepast uitzien.” 

Uw collega’s weer? 

“Komt vaak voor. Ik vind mezelf verder niet zo ijdel. Je zult mij nooit op een première zien of op een party waar fotografen komen. Dan ga ik gewoon niet. Ik word thuis natuurlijk overstelpt door uitnodigingen van het concern waar ik werk, John de Mol. Maar daar hou ik helemaal niet van; dat vind ik afschuwelijk. Mijn vrouw wil best wel eens, maar we doen het niet.” 

Bent u een knappe kerel? 

“Ik heb wel iets.” 

En erotiseert die bekendheid van u? 

“Te weinig.” 

Er komen vanwege uw snor eerder heren op u af? 

“Ik weet wel dat ik bij homofielen goed lig. Die vinden mij wel aantrekkelijk. Dat is altijd al zo geweest, ook toen ik minder bekend was.” 

Nooit op ingegaan? 

“Nee, dat is niet mijn cup of tea. Dat is een van de dingen waar ik heel resoluut in ben.” 

Wanneer heeft er voor het laatst iemand om u gelachen?

“Er wordt heel veel om mij gelachen.” 

Want u bent eigenlijk een feestnummer? 

“Ik denk dat ik in ieder geval een specifieke vorm van humor heb die je misschien een beetje moet herkennen. Maar de mensen die daar van houden, moeten er hartelijk om lachen. Ik krijg er ook regelmatig post over.” 

Waar hebben ze dan van genoten?

“Van mijn taalgrapjes en kwinkslagen in mijn presentatieteksten.” 

U heeft mij daarvan tijdens dit gesprek nog niet geheel overtuigd. 

“O nee? Ik heb je toch al een flink aantal keren zien lachen. Maar dit is ook niet echt een heel humorvol gesprek. Misschien moet je mij beter kennen. Ik ben niet iemand die meteen popie-jopie doet met iedereen die hij ontmoet. Ik heb vrij sterke voorkeuren en afkeren. Als mensen iets zeggen wat me niet aanstaat, zeg ik ze dat ook. Soms zo erg dat mijn vrouw zegt: ‘Peter, doe nou even niet, joh.'” 

Maar u bent zo correct! 

“Heel veel mensen vinden dat ik een no nonsense-uitstraling heb. Maar ik heb ook een collega, Kees van der Spek, met wie ik de halve dag dubbel lig, bij wijze van spreken, als ik met hem op pad ben. Wij voelen elkaar blind aan. Bij het observeren van mensen bijvoorbeeld, hoe ze dingen zeggen.” 

En dan ligt u dubbel om hem? 

“Ja.” 

En hij om u? 

“Ja.” 

Vindt u het misschien prettig als ik u toch maar de nestor van de Nederlandse misdaadjournalistiek noem? 

“Het maakt me niet zoveel uit.” 

Waarom nou weer niet? 

“Oké, ik vind dat op zich heus wel leuk.” 

Als u een college op de universiteit geeft, zitten de zalen toch voller dan ooit? 

“Ja, ja. Ik denk dat dat een stukje erkenning is, als we dat woord maar even van stal halen. Er was laatst een symposium op de VU bij het 25-jarig bestaan van de strafrechtfaculteit geheel gewijd aan mij. ‘Peter R. de Vries: sensatiezoeker of nationaal geweten.’ Als je dan ziet dat de grote aula met vijftienhonderd man helemaal afgeladen is, ja, dan staan die hoogleraren ook te kijken.” 

Die controverse kleeft u wel aan: sensatiezoeker of nationaal geweten? 

“Wat allebei dus overdreven is.” 

Maar ook allebei een beetje waar. 

“In de perceptie van sommigen. Zelf voel ik dat niet zo, zit ik veel meer in het midden. Kijk, ik ben niet zomaar een passant in het genre dat ik beoefen; ik doe dat al bijna een kwart eeuw. Met overgave. Ik denk dat er weinig journalisten zijn die er zoveel voor hebben gedaan. Op zo’n consequente en fundamentele manier. Ik heb thuis een archief van honderd meter.”

En toch blijf is het vervelend vinden dat ik u sensatiebelust noem. 

“Omdat ik vind dat de diepgravendheid waarmee ik bezig ben soms wat meer respect verdient. Hoeveel mensen vinden het niet heel wat om in Netwerk of in NOVA te zitten? Maar daar besteden ze hooguit 7 minuten en 53 seconden aan een onderwerp. Ik maak bijna altijd programma’s van 50, 55 en soms wel 60 minuten over één onderwerp.” 

U geeft zelf aan dat Netwerk serieuzer genomen wordt dan uw programma.

“Omdat ik merk dat mensen programma’s als NOVA het summum van journalistiek vinden. Dat vind ik niet. Wij hebben keer een advocaat gevraagd in ons programma te komen, maar  hij ging liever naar NOVA. Toen ben ik even gaan kijken. En inderdaad 7 minuut 53 duurde het hele onderwerp, en het riep meer vragen op dan het beantwoordde. Terwijl wij een hele uitzending aan het onderwerp zouden hebben besteed.” 

U bent gewoon een slechte verliezer.

 “Misschien. Als sportman geef ik inderdaad nooit een punt cadeau. En verder wil ik altijd wel graag winnen.” 

Bent u misschien miskend? 

“Gaan we weer.” 

Ontkracht het eens? 

“Ik heb geen enkele reden me miskend te voelen. Het is absurd dat ik een pleidooi voor mezelf moet houden, maar als ik mijn successen optel… wie evenaart dat eigenlijk.

U bent tegelijkertijd ook zo onbeschaamd in uw triomfen. Daar praat je toch niet over? 

“Nou ja, jij vraagt me ernaar. Ik zou er zelf niet over begonnen zijn. Maar ik merk dat ik bepaalde dingen anders weeg dan mijn omgeving. Die reageert erg op iets dat ik zeg of doe in zo’n televisieuitzendinkje. Maar dat is maar een seconde in mijn leven.” 

Stoort u zich aan uw eigen TV-imago? 

“Ik vind dat het veel vervelende neveneffecten heeft. Ik heb wel eens heimwee naar de tijd dat ik gewoon over straat kon lopen. Zonder dat er allemaal gekke dingen gebeuren. Het irriteert me mateloos dat als je op TV bent, mensen kennelijk vinden dat ze opeens achterlijk en opdringerig tegen je mogen gaan doen. Je allerlei dingen toeroepen en op je schouders gaan meppen. Dan denk ik echt: wat is er toch met mensen aan de hand als ze een Bekende Nederlander tegenkomen?” 

Ik ken hele generaties Bekende Nederlanders die daar maling aan hebben. 

“Maar dat zijn dan misschien meer de mensen die in de entertainmenthoek zitten. Mensen die een publiek nodig hebben of die voor een avondje applaus gaan.” 

U bent nog steeds een gewone jongen? 

“Het verschil is dat ik pas echt bekend ben geworden nadat ik in feite al een carrière achter de rug had. Maar ik ben nog steeds gewoon, ja.”