Interview Dimitri Verhulst

Tien jaar geleden deed zijn moeder hem een proces aan. Dimitri Verhulst zou in zijn debuut haar fysieke integriteit hebben aangetast. Nu verwerkt de Vlaamse schrijver in De laatste liefde van mijn moeder de beslissende gebeurtenis uit zijn jeugd: hoe zijn moeder ertoe kwam haar elfjarige zoon het huis uit te gooien. Verwacht Verhulst een nieuw proces? Hij weet niet eens of ze nog leeft.

Een stad met een ziel, noemt hij Luik. Een stad van rijkdom en armoede. Een stad met een bisschoppelijk en arbeideristisch verleden die een perfect evenwicht met elkaar hebben gevonden, vertelt hij. De stad van Simenon ook. “Toen ik hem begon te lezen, merkte ik direct aan zijn meest psychologische romans dat hij in Luik de mosterd is komen halen. Hij verwenste de stad wel, maar dat had misschien meer met zijn moeder te maken.” Had hij daar een slechte band mee? “Naar het schijnt, ja.”

Twintig minuten met de auto hiervandaan, op een groene heuvel midden in de Waalse natuur, woont de schrijver Dimitri Verhulst (1972). Zijn vriendin heeft hem afgezet bij brasserie Au Point de Vue en is daarna boodschappen gaan doen. “In november is het zeven jaar geleden dat ik hier naartoe trok. Om heel veel redenen. Echt heel veel, en ik ga je ze allemaal geven.”

Hij praat over de Vlaamse zelfvoldaanheid die hij beu was. Het racisme waarmee over Walen wordt gesproken. Zelfs een premier durft te zeggen dat Walen intellectueel niet in staat zijn Nederlands te leren. Over de natuur die in Wallonië zoveel mooier is. “Bonsaiboompjes in vitrines van winkels, dat is de Vlaamse natuur – en die is nog beschermd ook omdat er niets anders is.” Over de andere taal in zijn omgeving die hem minder gevoelig heeft gemaakt voor hypes in de taal waarin hij schrijft. “‘Ik heb zoiets van’ wordt sinds een jaar of vijf door iedereen gebruikt in Vlaanderen. Verschrikkelijk! Alsof je zinnen prefab kan kopen bij de IKEA.”

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Maarten Dessing