Elvis Peeters leest: Morante, Legatova en Kierkegaard

Schrijvers lezen ook. Maar wat lezen ze eigenlijk? In navolging van Ernest Hemingway geven twintig vooraanstaande Nederlandse en Vlaamse literatoren een klein college literatuur. Wat moeten we absoluut gelezen hebben, en waarom? Deze week: Elvis Peeters.

Elvis Peeters (pseudoniem van Jos Verlooy, 1957) is een Vlaamse zanger en schrijver. Peeters debuteerde in 1992 met de verhalenbundel Het uur van de aap. In 1998 volgde de eerste roman: Spa. De vorig jaar verschenen roman Dinsdag werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. Een aantal boeken uit het oeuvre van Elvis Peeters, waaronder Dinsdag, schreef Verlooy met zijn vrouw, Nicole van Bael. De jury van de Libris Literatuurprijs sprak van ‘een superieur schrijversduo’.

/Nachtkastje
Ik heb zelden boeken op mijn nachtkastje liggen. Ik lees niet in bed, maar ’s winters wel bij de kachel onder een leeslamp in huiselijke stilte. Momenteel lees ik Tsjevengoer – Roman van een stad van Andrej Platonov. Ik ben er nog maar vijftig pagina’s in gevorderd, en heb al verschillende werelden zien opengaan. Het is een verrassende kijk op details van de wereld en de menselijke geest. Met dank aan Lourens Reedijk, die het vertaalde.

Ook heb ik altijd een dichtbundel bij de hand. Dit keer Verzamelde gedichten van H. Marsman, een uitgave uit 1949. Met tal van prachtige gedichten en de haast terloops onovertroffen cyclus De dierenriem. Marsman is een dichter die ik regelmatig helemaal herlees. Wat een krachtige, lankmoedige taal heeft die man.

Een tweede dichtbundel die ik de laatste dagen steeds bij de hand heb is De veelheid van werelden van Lewis van Jacques Roubaud in een vertaling van Jan H. Mysjkin. Heel anders dan Marsman. Poëzie die diep graaft in de dood, en daardoor in het leven. Die met het karige gereedschap van de taal achter het niets van de dood probeert te komen. Een van zijn vorige bundels, Iets donkers, probeerde dit ook en was tevens een ontroerend eerbetoon aan zijn overleden vrouw.

Tussendoor blader ik in Verre velden van Ton Lemaire.

/De Grote Drie
Wat zijn volgens u de drie beste romans ooit geschreven, en waarom?

> De geschiedenis – Elsa Morante (1974)
Een overrompelend boek, zeshonderd pagina’s lang. Een boek over hoe klein de geschiedenis is en hoe groot het leven van een mens kan zijn. Je moet het juiste perspectief hanteren. Een mens is niet meer dan hij aankan, maar vooral wat hij aan wil; hij mag dan de speelbal van de geschiedenis zijn. Dat komt in deze roman prachtig, ontluisterend en tegelijk luisterrijk aan het licht.

Het boek begint en eindigt met duiding en feiten uit de reële geschiedenis zoals die in schoolhandboeken had kunnen staan. Ieder hoofdstuk wordt trouwens voorafgegaan door zo’n opsomming van feiten uit het jaar waarin het hoofdstuk speelt. Op die manier worden de beschreven levens en gebeurtenissen zonder opdringerigheid ingebed in de wereldgeschiedenis. De roman begint in 1941 in Rome, waar het hoofdpersonage Useppe wordt verwekt tijdens een toevallige verkrachting – de betrokken Duitse soldaat was eigenlijk op zoek naar een bordeel. Zelden werden menselijke drijfveren zo genuanceerd beschreven, en ook hoe de geschiedenis in homeopathische doses in een mensenleven doorsijpelt en het mee gaat bepalen, samen met afkomst, persoonlijke lotgevallen en gevoeligheden. Aan de hand van de kleine Useppe volgen we de levens van doodgewone mensen vanaf de net begonnen Tweede Wereldoorlog tot enkele jaren na het beëindigen ervan.

De roman eindigt in 1948. De kleine Useppe is een onschuldige maar vroegrijpe, lucide getuige van al het gewelddadige, dwingende en verlokkende dat de geschiedenis op gewone mensen uitoefent. Wat volgt is een heksenketel aan gebeurtenissen, pogingen om een leven te leiden dat het waard is geleefd te worden. Een meesterwerk van ongewone klasse, in een mooie vertaling van Frédérique van der Velde. Een boek om te herlezen, vrees ik.

> De man uit Zelary – Kveta Legatova (2002)
Een kleine roman, bijna 160 pagina’s, over de kracht van de liefde. Sprankelend vertaald uit het Tsjechisch door Edgar de Bruin. Een jonge vrouwelijke arts werkt tijdens de Tweede Wereldoorlog voor het verzet. Wanneer de Gestapo haar op het spoor komt, moet ze in een paar minuten zonder verdere uitleg haar oude leven opgeven en de stad verlaten. Om haar hachje te redden en een geloofwaardige nieuwe identiteit aan te nemen, trouwt ze met een van haar toevallige patiënten, die diezelfde dag het ziekenhuis mag verlaten, een oudere man afkomstig uit een afgelegen bergdorp. Hij doet dit omdat zij als arts ook haar plicht deed en hij alleen is en dus in de gelegenheid is om te trouwen.

Ze vergezelt hem naar zijn dorp, waar ze volledig op deze man is aangewezen. Er zit voor beiden niets anders op dan elkaar te ontzien en te waarderen. Gaandeweg gaan ze van elkaar houden. Dat kost moeite, wilskracht, het overwinnen van het eigen meedogenloze ik. Zelden is dat zo ingehouden en hoopvol beschreven. Liefde die zonder voorafgaande verliefdheid, begeerte of passie een intensiteit bereikt waar het leven mee verder kan. Dit alles in een sobere, vanzelfsprekende, af en toe poëtische taal. Een boek dat ik al vaak cadeau heb gedaan.

> Of/of – Søren Kierkegaard (1843)
Ik heb geaarzeld of ik niet toch De blinde uil van de Perzische Sadegh Hedayat (1903- 1951) zou kiezen. Een verhaal over een man die tegen zijn schaduw spreekt en daarbij in de diepste poelen van de ziel afdaalt en het leven in al zijn verschrikking en ellende blootlegt. Maar uiteindelijk kies ik toch voor Of/of van Kierkegaard. Een boek dat ik volwaardig tot de literatuur reken. Een levensfragment, zoals de auteur het zelf noemt, van ruim achthonderd pagina’s. Het omvat essays, een roman in dagboekvorm, brieven, notities, bedenkingen, traktaten.

Het begint met een mystificatie. De uitgever legt uit hoe hij aan de twee manuscripten is gekomen die samen het boek vormen. Hij ontdekte ze in een oude secretaire die hij tweedehands had gekocht. Een beproefde techniek in de literatuur. Hij noemt de auteurs van de manuscripten gewoonweg A en B. A schetst fragmenten van zijn denken en leven, de inzichten die hij heeft verworven. B is als het ware zijn rechter en dient hem van antwoord. Wat het leven ook in petto heeft, het gaat erom er de verantwoordelijkheid voor te nemen, en dus te kiezen en een mens uit één stuk te worden, of een fragmentarisch mens te blijven en dus de speelbal van de omstandigheden. Dit alles met humor en in een literaire taal, dus alles behalve een taai, academisch filosofisch werk.

Kierkegaard toont zich hier meer een collega van bijvoorbeeld Robert Musil, Hermann Broch, Roberto Bolano, Thomas Mann, Multatuli of Fernando Pessoa dan van bijvoorbeeld Hegel, Sartre, Sloterdijk of Heidegger wier evenknie hij natuurlijk ook is. Nu ik dit schrijf, merk ik dat de vorige twee boeken elk op hun manier dezelfde thema’s uitdiepen. In De geschiedenis lopen zowel fragmentarische als personages uit één stuk rond, met alle gevolgen van dien, en in De man uit Zelary maakt de hoofdpersoon de keuze die B in Of/of A voor ogen houdt.

/De Grote Een
Samuel Beckett. Ik heb hem gekend tijdens de laatste jaren van zijn leven. Het waren zijn interessantste jaren, zei hij zelf. Omdat je van nabij kan meemaken hoe er een einde aan komt. Het begin van iets heeft hem nooit erg geboeid. “Je leeft voordat je er erg in hebt,” zei hij. Zo is het met alle begin. Beginnen is niet moeilijk. Het einde is moeilijk. Zonder pretenties zei hij dat. Het einde is moeilijk.

Hij zat graag binnen. In zijn oude leunstoel. Te kijken naar het Ierse landschap. Of naar het Franse. Vanuit hetzelfde huis. Dat kon hij perfect, zei hij, want mijn herinneringen kijken mee. Hij ging nog maar weinig de deur uit. Kwam eigenlijk alleen nog maar in zijn tuin. Af en toe een ommetje door een paar rustige straten. Een mooie man op zijn leeftijd. Een krachtige kop. De kop van iemand die je tweeduizend jaar later ongeschonden uit een veenmoeras zou willen halen. Een prachtige kop. Hij droeg een bril. Helemaal op het einde van zijn leven droeg hij een bril. Om te lezen. Maar hij zette hem haast nooit op. Hij las niet zo veel meer op het einde van zijn leven. Hij schreef meer dan hij las. Op het einde wist hij precies wat hij te zeggen had. En dat was niet veel meer. Dat zei hij. Zonder pretenties. Het is niet veel meer.

Ik ben blij dat ik hem heb gekend zo op het einde. Hij had een zuivere stem. Tot op het laatst. Een stem als van een acteur. Zelfs als hij zweeg, had ik het gevoel dat hij een feilloze stem had. Dat zijn stem misschien wel vooral uit zwijgen bestond. “Theater,” zei hij, “is valsheid in geschrifte.” Hij die zoveel voor theater heeft geschreven. Er is veel meer dat ik niet heb geschreven, zei hij. Dat is de grote kunst: iets schrijven om iets anders niet te schrijven. En de grootste kunst, zei hij, is iets niet schrijven om iets anders ook niet te schrijven. Wie zwijgt terwijl hij iets te zeggen heeft, zwijgt meer dan wie zwijgt die niets te zeggen heeft. Hij was de grootste. De grootste van zijn generatie die toch een generatie van groten was.

/Leeslijst
De leeslijst van Elvis Peeters (handgeschreven)

Dit van kranten gescheurde portret van Elvis Peeters (grote afbeelding) is exclusief voor deze rubriek vervaardigd door Anne Stolwijk (1989). Wilt u meer werk van Stolwijk zien of dit portret aanschaffen? Kijk hier.

Volgende week: Oek de Jong.

  Download deze gratis app om ons maandblad op uw tablet te lezen
  Volg HP/ De Tijd en Nick Muller op Twitter
  Volg HP/ De Tijd en Anne Stolwijk op Facebook

Meer leuke content? Like ons op Facebook