Tien jaar na de dood van Marco Pantani: een herinnering

In het boek De dood van Marco Pantani van de Britse journalist Matt Rendell wordt tot in het meest gruwelijke detail de titel van het boek naverteld. Het sterven van een van de grootste klimmers uit de geschiedenis van het wielrennen wordt met wetenschappelijke precisie ontleed. Zijn laatste uren, zijn laatste maaltijd op bed van zijn hotelkamer in Hotel Le Rose in Rimini, zijn laatste telefoongesprekken en de toestand op die kamer op de ochtend van Valentijnsdag 2004.

“De kamer was een wanorde. De magnetron die aan de muur hing, was losgehaald en maakte deel uit van de barricade. Op de badkamervloer lagen glasscherven. Verspreid in het appartement lagen medicijndoosjes, sommige leeg. Aan de leuning van de trap naar de slaapkamer op de tussenverdieping waren een beddenlaken en een buis uit het airconditioningmechanisme bevestigd. Toen hij (de receptionist Pietro Buccanello – FH) de trap naar het bed op klom, vielen Buccellato’s ogen op Pantani. De voormalige kampioen lag op zijn zij naast het bed, het gezicht omlaag, alsof hij eruit was gevallen. Zijn beroemde kale hoofd was gezwollen en ernstig gekneusd. Hij was al uren dood.”

Klimmers als artiesten
Marco Pantani is tien jaar dood. Hij is nog altijd de laatste man die de Giro en de Tour niet alleen in hetzelfde jaar won, maar dat bovendien deed met de beperkte fysieke middelen van de pure klimmer.
Klimmers zijn fragiele types: de dooraderde kuiten zo klein als kinderarmpjes en zo sterk als hefbomen, maar een geest van glas. Tijdrijders zijn de politici van het wielrennen, sprinters de zakenmannen, knechten de ambtenaren, en klimmers zijn de artiesten. En net als met sommige kunstenaars loopt het met klimmers weleens slecht af. José María Jiménez besteeg jarenlang de Spaanse bergen als een opgevoerde gems en stierf een paar jaar na zijn loopbaan in een kliniek voor verslaafden en geesteszieken. Hugo Koblet parkeerde met de doeltreffendheid van iemand die ten einde raad is zijn sportauto tegen een boom. En het leven van Marco Pantani eindigde in eindeloze depressies, achtervolgingen door justitie en, uiteindelijk, in een bergje cocaïne.

De dood van Pantani beroofde het wielrennen van een figuur die mensen op een onvoorstelbare wijze wist te beroeren. Wie naar oude beelden van Pantani kijkt, begrijpt de aantrekkingskracht – ook tien jaar na zijn overlijden. Er gaat iets onvoorwaardelijks uit van de wijze waarop Pantani fietst; het is het soort onvoorwaardelijkheid dat je met lotsbestemming zou kunnen verwarren. Pantani hield van wielrennen omdat hij niet beter wist. Pantani hield van de koers omdat hij niet anders kon. Het is het soort liefde dat de grens van leven en dood overstijgt, een liefde die je zo zelden aantreft bij weldenkende mensen omdat weldenkende mensen de ratio huldigen.
De ratio is nooit onvoorwaardelijk.
Marco Pantani’s liefde voor de koers was dat wel. En daarmee de liefde van de fans voor Pantani ook. Geen voorbehoud, nooit.
Je kunt hartstochtelijk fan zijn van Bauke Mollema, maar om van hem te houden zoals mensen van Marco hielden, moet je toch op z’n minst familie zijn.

Een onbetrouwbare minnares
Maar hoe gaat dat, met onvoorwaardelijke liefde? Hij blijft niet eeuwig vers. Hij gaat ruiken, er komt de klad in en dan, op een dag, is hij voorbij.
Marco Pantani gaf alles aan de fiets en kreeg er veel voor terug. Tot de fiets het genoeg vond en het allemaal begon terug te nemen. Tot er niks meer te nemen was en Pietro Buccanello op 14 februari 2004 aan zijn dienst als receptionist in hotel Le Rose begon.
De liefde was op, het wielrennen had zich – niet voor het eerst – een onbetrouwbare minnares betoond.

Meer leuke content? Like ons op Facebook