Spring naar de content
bron: Joan de Boer

In Kosovo ettert het conflict door

Na de oorlog met Servië keerde de familie Thaçi in 1999 terug naar hun verwoeste Kosovaarse bergdorp. Het gaat hun redelijk goed, net als Kosovo zelf. Maar er is altijd de dreiging van buurland Servië, dat zich nooit wilde neerleggen bij de onafhankelijkheid van Kosovo. ‘De mentaliteit van de Serviërs is die van de Russen.’

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Gert Hage

Astrit Thaçi, het strijdlustige jongetje dat een kleine 25 jaar geleden op de cover van HP/De Tijd stond, woonde weer in het Kosovaarse dorp waaruit hij in 1999 door de Serviërs was verdreven, samen met een paar honderd dorpsgenoten.

Breed glimlachend doet Astrit, inmiddels 33 jaar oud, het smeedijzeren hek open. 

Kort getrimd baardje, vlotte gymschoenen, een lichtblauw T-shirt over zijn spijkerbroek.

Rond het geschoren gazon staan drie blinkend witte huizen, op het erf wappert een Albanese vlag, een zwarte tweekoppige adelaar tegen een rode achtergrond. 

Op de veranda van een van de huizen wachten zijn vier schoonzussen en zijn bejaarde ouders het bezoek op. De meegebrachte fles raki blijft onaangeroerd; ze drinken niet. In plaats daarvan wordt een kopje mierzoete Turkse koffie geserveerd.

Uit een van de huizen komt de vriendin van Astrit aangelopen. Nee, geen naam, zegt ze, en al helemaal geen foto. Haar Albanees-Kosovaarse ouders die in Duitsland wonen mogen absoluut niet weten dat zij op bezoek is bij haar vriend. “Ze vermoorden me,” zegt ze half schertsend. “Het probleem met mijn ouders is dat zij, zoals de meeste immigranten, nog leven met de normen en waarden uit de tijd dat zij uit Kosovo vertrokken. Dat ik ongetrouwd met een man onder één dak slaap is voor hen onverteerbaar. Voor de familie van Astrit ligt dat anders; zij zijn meegegroeid met de tijd. Zelfs zijn broer die imam is heeft er geen enkel probleem mee.”

Abboneer op een lidmaadschap

Flinke korting op een digitaal jaarabonnement

Sluit nu voordelig een abonnement af en maak kennis met de journalistieke kracht van HP/De Tijd. (Op elk moment opzegbaar.)

Word abonnee

Twee van de neefjes van Astrit hadden in een speelgoedwinkel een nep-AK47 gekocht, om – zoals ze zeiden – de Serviërs dood te schieten.

Die dag zou ze terugvliegen naar Duitsland, waar zij geboren en getogen is. Haar ouders wisten niet beter dan dat zij met een vriendin op vakantie was geweest.

Astrit zit naast haar, zichtbaar tot over zijn oren verliefd. In gebroken Duits schiet hij door zijn leven heen, daarbij geholpen door zijn goedlachse en vlot gebekte vriendin, die zich het Albanees, niet de makkelijkste taal, snel eigen had gemaakt. Bij haar thuis, vertelt zij, werd alleen Duits gesproken.

Astrit was na de oorlog liever in Skopje gebleven, de hoofdstad van het naburige Noord-Macedonië, waar hij – samen met 53 familieleden – zijn toevlucht had gezocht. 

Maar zijn vader had erop gestaan om terug te keren naar Krivenik, het Kosovaarse bergdorp waar de familie al generaties lang leefde en werkte. 

Bij terugkeer troffen ze een verwoest en leeggeroofd dorp. 

Stapje voor stapje hadden ze hun leven weer opgepakt, financieel geholpen door twee broers die in Duitsland werken. De een is stukadoor, de ander heeft een Italiaans restaurant in Hamburg. Het was zwaar geweest, zegt Astrit, loodzwaar. Zijn ouders waren er bijna aan onderdoor gegaan.

Maar het was hun gelukt. “We hebben wat land, een paar koeien en een groentetuin, veel meer hebben we ook niet nodig,” zegt hij tevreden om zich heen kijkend. “We leiden als familie een rustig en vredig bestaan, wat wil een mens nog meer?” 

Maar zo rustig en vredig was het in die dagen niet. Een paar dagen eerder waren dertig zwaarbewapende Serviërs een dorp in het noorden van Kosovo binnengevallen, waarbij een politieman werd gedood. 

In het overwegend etnisch Albanese Kosovo wonen zo’n 100.000 Serviërs op een totale bevolking van zo’n 2 miljoen. De Servisch-Kosovaren, van wie de meesten in het noordoosten van het land wonen, hadden zich nooit neergelegd bij de – eenzijdig uitgeroepen – onafhankelijkheid van Kosovo in 2008. Ze voelden zich Servisch, niet Kosovaars, een gevoel dat door buurland Servië te pas en te onpas werd aangewakkerd. Servië beschouwde Kosovo als de bakermat van zijn cultuur. Elke aanleiding, hoe futiel ook, was voor Servië genoeg om het vuurtje op te poken, op de achtergrond gesteund door Rusland, voor wie het op de Balkan niet onrustig genoeg kan zijn. Het is een welkome afleiding van de oorlog in Oekraïne.

Doodsbang voor het uitbreken van een nieuw conflict op de Balkan had de Navo eind september 2023 snel extra troepen gestuurd naar het noorden van Kosovo, boven op de 4000 man tellende Navo-vredesmacht die daar al sinds 1999 met wisselend succes probeert de rust te bewaren. Een oorlog op de explosieve Balkan was wel het laatste waar de EU op zat te wachten.

In Krivenik hadden de Thaçi’s het nieuws uiteraard op de voet gevolgd. Bang voor een herhaling van de oorlog in 1999 was hij niet geweest, zei Astrit schouderophalend. “Om de zoveel tijd proberen de Serviërs een conflict uit te lokken; we zijn eraan gewend. Tot nu toe liep het steeds met een sisser af, mede dankzij snel optreden van de Navo.”

Ook ditmaal keerde de rust vrij snel terug in de noordoostelijke regio. Zelfs de vondst, enkele weken later, van enkele grote wapendepots in de noordelijke regio bleek voor de internationale pers, die eerder groot had uitgepakt over de onlusten, nauwelijks het vermelden waard. Zij werd in beslag genomen door weer nieuwe internationale conflicten: eerst Armenië-Azerbeidzjan, gevolgd door de moeder aller conflicten, Israël-Palestina.

Zijn neefjes, zei Astrit, waren daarentegen wel degelijk geschrokken van de gewelddadige inval van Servische militairen in hun land. Ze kenden de verhalen van 1999 maar al te goed, net als alle andere verhalen over het onrecht dat hun volk in de afgelopen eeuwen was aangedaan. Op de Balkan is 1999 vandaag, voelt de Balkanoorlog van 1912 als vorige week en ligt de slag op het Merelveld van 1389 nog vers in het geheugen. 

Hoe dan ook, twee van zijn neefjes hadden in een speelgoedwinkel een nep-AK47 gekocht, om – zoals ze zeiden – de Serviërs dood te schieten, precies zo een als hij in 1999 had aangeschaft. 

Vanuit de bergen zagen ze hoe groepjes gemaskerde Servische paramilitairen dood en verderf zaaiden in lagergelegen dorpen. Even nog hadden ze hoop dat hun dorp dat lot bespaard zou blijven door de geïsoleerde ligging. Maar op een zwarte dag in februari 1999 doken de mannen op in Krivenik. Ze schoten een paar honden en schapen dood. “Over een halfuur zijn jullie aan de beurt,” dreigden ze.

De 53 leden tellende familie Thaçi wist wat ze te doen stond. Snel raapten ze wat spullen bij elkaar en zetten het, samen met de andere inwoners, op een lopen in de richting van de Macedonische grens. Ze vonden onderdak bij familie in Skopje, waar ze zwevend tussen hoop en vrees het verloop van de oorlog afwachtten.

Nadat Servië uiteindelijk na hevige Navo-bombardementen op de knieën was gedwongen, keerden ze terug naar hun geboortedorp. Althans van wat daar nog van over was: het vee was gedood op enkele koeien en schapen na, hun huizen goeddeels onbewoonbaar.

Om de zoveel tijd proberen de Serviërs een conflict uit te lokken. We zijn eraan gewend.

Astrit Thaçi, Kosovaar

Zo goed en zo kwaad mogelijk probeerden ze hun leven weer op te bouwen. “We hadden vrijwel niets meer. Mijn ouders waren soms aan wanhoop ten prooi. Op een ochtend zag ik ergens in een hoekje van de schuur mijn vader huilen. Hij had geen idee hoe hij de bruidsschat van mijn zus moest betalen. Dezelfde dag heb ik besloten naar Duitsland te vertrekken, waar ik vijf jaar in het Italiaanse restaurant van mijn broer in Hamburg heb gewerkt. Toen ik genoeg had gespaard, ben ik teruggekeerd naar mijn geboortedorp. De heimwee was te sterk.”

Het was echter niet alleen kommer en kwel in die eerste jaren na de oorlog, zei hij. Er was ook een gevoel van bevrijding. Eindelijk waren zij verlost van het Servische juk waar zij decennialang onder hadden geleden. 

Na het overlijden in 1980 van de Joegoslavische president Tito waren stap voor stap de rechten van de Albanezen in Kosovo verder ingeperkt. Hun taal werd verboden, hun scholen gesloten, hun banen ingenomen door Serviërs. “We hadden geen leven meer,” weet Astrit uit de verhalen van zijn ouders, “zeker niet nadat Slobodan Milosevic tot president van Servië was verkozen. Voor hem waren wij nog minder dan derderangsburgers; hij behandelde ons als slaven. De internationale gemeenschap zag het gebeuren, maar deed niets voor ons. Het was wachten op het moment dat de boel zou ontploffen.” 

Dat gebeurde in 1998, toen Servische troepen Kosovo binnenvielen om het steeds gewelddadiger verzet van de Albanezen, aangevoerd door de UÇK, het Kosovaarse bevrijdingsleger, te breken.

Tijdens de daaropvolgende oorlog werden 850.000 Albanezen uit hun huizen verdreven; naar schatting 8500 werden vermoord. Dorp na dorp was leeggeroofd en platgebrand. Zeventig procent van het land lag na de oorlog in puin. 

“Er stond geen huis meer overeind in 1999,” zag Anna Di Lellio toen zij als medewerker van het Wereldvoedselprogramma (WFP) na de oorlog door Kosovo reisde. “Het was al een van de minst ontwikkelde landen van Europa, maar nu was het land zo ongeveer terug in de middeleeuwen. Arm waren de Kosovaren al, nu waren ze ook nog dakloos.” 

Di Lellio was nauw betrokken bij de wederopbouw van Kosovo, onder meer als consulent van de Verenigde Naties, die tijdelijk het bestuur over Kosovo voerden, en als politiek adviseur van de toenmalige Kosovaarse minister-president. 

“Het is een half wonder hoe het land zich aan de misère heeft weten te ontworstelen,” zegt Di Lellio, tegenwoordig onder meer docent internationale betrekkingen aan New York University. “Ik bezoek het land nog met grote regelmaat, omdat ik er onderzoek doe naar seksueel geweld tegen vrouwen. Elke keer opnieuw ben ik verrast door de energie en de ambitie die ik er tref. Zeker, Kosovo is relatief arm, de werkeloosheid is hoog en de corruptie nog lang niet uitgebannen, maar tegelijkertijd is er op sociaal, economisch, juridisch en bestuurlijk terrein enorme vooruitgang geboekt. Lees de internationale rapportages er maar op na.”

Zeker in de begintijd was het geld en de kennis van de internationale gemeenschap meer dan welkom, vervolgt Di Lellio. “Het land moest immers van de grond af aan worden opgebouwd.”

Maar de hulp kende ook schaduwkanten. In de eerste plaats nam met de toestroom van de hulpgelden ook de corruptie toe. Niet alleen bij de ontvangende partij, maar ook bij de donors; de lijst van voor corruptie veroordeelde VN- en EU-medewerkers is lang. 

Een tweede kanttekening is de snelle privatisering van de staatsbedrijven. Di Lellio: “In Kosovo herhaalde zich het scenario van Oost-Europa toen na de val van de Muur de landen zo ongeveer in de aanbieding werden gedaan. Ook in Kosovo gingen staatsbedrijven voor een prikje over in private handen, zoals onder meer de grote en belangrijke nikkelproducent Ferronikeli, dat voor een luttele drie miljoen euro van de hand werd gedaan. Inmiddels is het bedrijf in Turkse handen, net zoals het vliegveld en het elektriciteitsnetwerk.”

Uiteindelijk, concludeert Di Lellio, vormden de Kosovaren zelf de voornaamste pijler onder de wederopbouw, de jongeren voorop. Een oorlog, zegt de aan Columbia University gepromoveerde sociologe, leidt vaak tot grote sociale veranderingen in een land. “In Kosovo zorgde het voor een breuk met de traditionele familieverhoudingen ten gunste van jongeren, meisjes in het bijzonder. Jongeren die een mondje Engels spraken, konden aan de slag bij een van de vele hulporganisaties en verdienden daar zo’n 750 euro per maand, wat grofweg drie keer zo veel was als het destijds gemiddelde maandsalaris. Bovendien leerden zij daar allerlei moderne vaardigheden, zoals omgaan met computers. Zij ontworstelden zich aan de starre familietradities en gingen op volle kracht de toekomst tegemoet.”

Een niet onbelangrijke rol bij de wederopbouw speelde ook de Albanese diaspora, die ruimhartig met al dan niet eerlijk verdiend geld hun families ondersteunde. 

Daarbij kon er worden voortgebouwd op de parallelle ondergrondse samenleving die de Albanezen in de jaren tachtig en negentig hadden opgebouwd als reactie op de Servische onderdrukking. De Albanezen beschikten al over een eigen parlement, eigen scholen en ziekenhuizen en zelfs over een eigen systeem van zorg en belasting. 

Van meet af aan was duidelijk wat voor land de Kosovaarse Albanezen voor ogen hadden, zegt Di Lellio. “Nergens is het enthousiasme voor de Navo en de EU groter dan in Kosovo. De jongeren kijken naar Berlijn en Amsterdam, niet naar Istanbul, zoals vaak wordt gedacht. Ze denken westers, dromen westers en kunnen niet wachten op toetreding tot de EU.”

Dat zal voorlopig echter niet gebeuren. Kosovo is sinds de onafhankelijkheid van 2008 nog niet verder gekomen dan de status van potentiële kandidaat-lidstaat. Het conflict met Servië staat verdere onderhandelingen in de weg, zegt Di Lellio: “Vijf EU-landen weigeren om interne redenen de onafhankelijkheid te erkennen, waaronder Griekenland en Spanje. Zonder die erkenning geen kandidaat-lidmaatschap. Doodzonde, ik gun het de Kosovaren zeer en ze zijn er ook aan toe. Het enige en tegelijk grootste obstakel voor de verdere ontwikkeling van het land is Servië. Het conflict blijft maar dooretteren, alle diplomatieke inspanningen ten spijt.”

Het enige en tegelijk grootste obstakel voor de verdere ontwikkeling van Kosovo is Servië.

Anna Di Lellio, voormalig VN-medewerker in Kosovo

De jonge vrouwelijke president van Kosovo, Vjosa Osmani, zei het haar eind september na in een groot interview met de Corriere della Sera. De mentaliteit van Servië lijkt erg op die van Rusland, zei ze. “Beiden denken hun uiteengevallen imperium te kunnen herstellen door buurlanden binnen te vallen en te destabiliseren. Servië beschouwt Bosnië, Montenegro en Kosovo als een soort afvallige provincies, zoals Rusland zich nooit heeft neergelegd bij een onafhankelijk, westers georiënteerd Oekraïne.”

Het is een dik uur rijden met de auto vanuit de hoofdstad Pristina. De soepele vierbaansweg voert door een laagvlakte met her en der glimmende bedrijfsgebouwen en plukjes nieuwe huizen. Even voor de grens met Noord-Macedonië nemen we de afslag naar Hani i Elezit, de Albanese naam voor het stadje dat ten tijde van de Servische overheersing Generaal Jankovic heette. Dan de rivier over en linksaf een steil, geasfalteerd bergweggetje op. De weg eindigt op een T-splitsing in Krivenik – de weg naar het huis van Astrit is vernoemd naar een vermoord familielid, Qemal Thaçi, een andere heet de Weg van de martelaren van Krivenik, en de naam van het weggetje dat leidt naar de moskee herinnert aan de Macedonische granaataanslag van 29 maart 2001, waarbij vier mensen om het leven kwamen. Elke weg, elk huis in Krivenik vertelt het verhaal van de oorlog.

In 1999 telde het dorp nog zo’n 60 huizen, nu nog 32, waarvan een deel alleen in de weekenden of in de vakanties wordt bewoond, zegt Astrit tijdens een wandeling door het dorp. Onderweg sluit een oude oom zich bij hem aan. Hij wijst ons op een fontein midden in het dorp. Het is een gift van Harjula Thaçi, een imam die vier keer huwde, 23 kinderen had en in Skopje – waar hij woonde en werkte – een paar restaurants en een karavanserai bezat, tot de communisten onder leiding van Tito in 1946 al zijn bezittingen confisqueerden. 

Even verderop ligt een van de weinige huizen die in de oorlog gespaard bleven, een prachtige eind-achttiende-eeuwse vierkante hoeve, met dikke stenen muren en een zadeldak. Kulla’s heten deze traditionele Albanese huizen. Van de circa zeshonderd zijn er slechts een paar over; de rest is door de Serviërs met de grond gelijkgemaakt. 

Astrit groet een neef die met drie koeien op weg is naar een bergweide en loopt door naar zijn vroegere schooltje. Op het schoolplein een groot monument met een fier wapperende Albanese vlag. Op een zwart marmeren plaat staan vier namen vermeld; het zijn de slachtoffers van de genoemde Macedonische graatinslag op 29 maart 2001. Ze waren nog maar net bekomen van de oorlog met Servië. 

Zijn oom, die met ons opliep, priemt zijn vinger in de richting van een hoge berg. Vanuit daar lanceerde Macedonische soldaten een mortier die insloeg op het schoolplein. Onder de doden een Britse tv-producer die was afgekomen op het bericht dat er in de buurt van Krivenik schotenwisselingen plaatsvonden.

“Het ging dit keer om een grensgeschil,” zegt Astrit. “Maar de Macedoniërs hebben het wel vaker op ons gemunt. Zij nemen het ons nog steeds kwalijk dat we een bevoorrechte positie hadden ten tijde van het Ottomaanse Rijk. Op de Balkan wordt helaas nooit iets vergeven en vergeten.” Naast de school een gerestaureerde moskee, waar het dorp zich op vrijdagavond verzamelt voor de preek van de imam. “Hij predikt vrede en verzoening,” zegt Astrit. 

Servië beschouwt Bosnië, Montenegro en Kosovo als een soort afvallige provincies.

Vjosa Osmani, president van Kosovo

We lopen terug naar zijn huis. De wegen in het dorp hebben ze zelf aangelegd, zoals ook de steile, kilometerlange bergweg vanaf Hani i Elezit naar het dorp. Alle families die langs de weg wonen droegen eraan bij, weet Astrit, veelal met geld dat afkomstig was van familieleden die in het buitenland werken.

Hij haalt diep ademt. “Schone lucht, stilte, drie maaltijden per dag, een beetje geld en de familie om ons heen. Alles waarvan we lang alleen maar konden dromen hebben we nu,” zegt Astrit, die in een restaurant in een nabijgelegen stadje werkt. “Ik kan alleen maar hopen en bidden dat het ons niet weer wordt afgepakt door mensen die het slecht met ons voor hebben. Laat ons met rust, zoals wij anderen met rust laten. Dat is in ieders belang.”

Ook in dat van het Westen, zou president Osmani die dag in een interview benadrukken, waarin ze opnieuw een pleidooi hield voor toetreding van Kosovo tot de EU.

“Op de Balkan zijn wij het enige land dat nooit enige Russische of Chinese invloed heeft toegelaten. Toetreding tot de EU is niet alleen in ons belang, maar ook van geostrategisch belang voor Europa. Alleen een welvarende en veilige Balkan leidt tot een vrij en vreedzaam Europa.” 

Met uw donatie steunt u de onafhankelijke journalistiek van HP/De Tijd. Word donateur of word lid, al vanaf €5 per maand.