Thierry Baudet en lelijke terrorkunst

Meredith Greer 12 mei 2018 Cultuur

Toen Stravinsky zijn Le Sacre du Printemps in première liet gaan in 1913, ontstond er een heuse rel in de zaal. Critici noemden het ‘le massacre du tympan’, de slachting van het trommelvlies. Het wordt nu gezien als een triomfantelijk meesterwerk. Gelukkig waren er toen geen machthebbers die zich bemoeiden met de goede smaak. Nu wel. We hebben Thierry Baudet, die geharnast ten strijde wil trekken tegen kunst die indruist tegen zijn persoonlijke voorkeuren. Krijgen we nu alt-Art? Make Art Pretty Again?

Parisiènnes sneren nog steeds met een gekrulde bovenlip wanneer de Eiffeltoren ter sprake komt. Lelijke kunst. Lelijke muziek. Lelijke architectuur. Het maakt mensen boos. Boos, omdat ze vinden dat hun nichtje van vier het ook had kunnen maken, omdat ze het niet begrijpen en zich daardoor dom voelen, of omdat het iets waar ze wél waarde aan hechten onteert en ontheiligt.

Thierry Baudet
Beeld: Wikimedia Commons/Caspar David Friedrich

De heer Baudet, die af en toe drie walsen van Strauss verwijderd lijkt van Der Wanderer über dem Nebelmeer als het gaat om romantische clichés, deed deze week een emotioneel appèl om te breken met ‘de verschrikkingen van de moderne kunst’. Dit had niet alleen iets te maken met een – u voelt hem al aankomen – ‘kunstkartel’ maar ook met ‘de terreur van de cultuurmarxisten’. Het is volgens onze Jonge-Werther-in-chief ‘tijd om weer mooie dingen te gaan maken!’

Dat het afschaffen van onwelgevallige kunststromingen een lichtelijk fascistoïde neiging is, hoef ik natuurlijk niet te benoemen. Maar mooie dingen, ja daar valt natuurlijk weinig tegenin te brengen. Dat is een beetje als de oproep ‘tijd om weer lekker eten te gaan koken’.

Puik plan. Probleem is alleen toch echt dat de een dan instemmend naar de bevroren visnuggets met joppiesaus grijpt, en de ander dat ziet als een aansporing om slakken in knoflookboter te smoren. Beiden hebben gelijk.

Opmerkingen over cultuurmarxisme, of de vraag of er een ‘kunstkartel’ bestaat terzijde; ik houd net zoveel van de prachtige tinkelende champagnemuziek van Chopin als zo velen. Een groot gedeelte van mijn jeugd bracht ik in een betonnen rijtjeshuis door, verlangend naar een wereld vol zijde van Lanvin en hakken van Christian Louboutin. Ik had door de sneeuw willen lopen in Sint-Petersburg met Chekhov, en zwarte thee met kersen willen drinken uit een zilveren Samovar, en op een paard willen galopperen door de uitgestrekte landschappen van Thomas Hardy. Och, om toch maar te kunnen verdrinken in al die schoonheid.

De tekst gaat hieronder verder.

De werkelijkheid is alleen een andere. In de echte wereld doen hoge hakken zo veel pijn dat je je niet meer kunt bewegen en zijn de feestjes waar iedereen maar bezig is met de mooiste de aller allersaaiste aangelegenheden. Wie iets wil maken dat door iedereen als ‘mooi’ wordt ervaren, mag nergens afwijken, mag geen spanning creëren. En dan kom je terecht in het domein van liftmuziek, Ikea-kunstwerken, SkyRadio candlelight poëzie, die bedoeld zijn om mensen gerust te stellen of om customer journey satisfaction te optimaliseren. Het is prettig, mooi, veilig. Is dat dan wat kunst moet doen?

Hoe ouder ik word, hoe meer ik juist begrijp dat echte schoonheid juist in de dissonant en in de afwijking te vinden is. Alle dingen die ik eerder toen ik jong was had begrepen als tijdloze schoonheid, waren op het moment dat ze gemaakt werden juist een afwijking van de geldende normen over wat mooi en goed was. Ze waren een heruitvinding van lelijkheid, een herdefiniëring een nieuwe gedachte en een nieuwe blik. Daarom zijn ze de drijvende krachten achter verandering en innovatie. Niet voor niets noemde William S. Burroughs ze ooit ‘de architecten van de verandering’.

De mooiste kunstwerken die ik ooit zag, waar ik van moest janken van hun schoonheid, waren niet ‘mooi’. De een bestond uit drie gigantische rollen pvc vol met pixels, de ander was een cirkel van acht projectieschermen waarin een voltallig orkest zonder instrumenten een stuk opvoerde. Precies het soort ‘conceptueel, installaties etc.’ die de delicate zintuigen van onze Sturm und Drammer zodanig schofferen dat hij zijn eigen strijd voor absolute vrijheid van meningsuiting zonder probleem terzijde schuift om hun ‘terreur’ te stoppen.

Maar zowel de pvc-rollen als de projectieschermen pakten een idee, een waarheid, iets ongrijpbaars vast dat tegelijkertijd complex en ontroerend en intiem was. Iets wat voelde als intellectueel, emotioneel en esthetisch orgasme zonder weerga. Een gelukzalige stomp in je ziel. Iets wat je iets leert over de wereld, of over wat het is om mens te zijn, dat op die manier en geen enkele andere overgebracht had kunnen worden. Dit is waarom schrijven over muziek – of eigenlijk kunst in het algemeen – zoals zovelen zeggen een beetje is als dansen over architectuur: zinloos.

Thierry Baudet
Beeld: ANP/Bart Maat

Kunst is ongrijpbaar, en groter dan wij zelf. Dit maakt de mening van de heer Baudet over kunst gelukkig even insignificant en onbelangrijk als de mijne. Maar wat goede kunst in mijn optiek met elkaar gemeen heeft, is dat het ongeacht medium of uiteindelijke vorm, een waarachtigheid bezit. Een eerlijkheid, over de kern van wat het is om op dat specifieke moment, op die specifieke plek, op die specifieke manier een mens te zijn.

De waarheid is niet bang om lelijk te zijn. De waarheid is niet bang of zijn haar wel goed zit. De waarheid pruilt niet voor de camera.

Laten we lelijke dingen maken.

Reageer op artikel:
Thierry Baudet en lelijke terrorkunst
Sluiten