Roda JC en het eeuwige gegniffel

Frank Heinen 14 mei 2018 Sport

Roda JC–Almere City was gisteravond nog niet afgelopen of er gebeurde iets vreemds. Er steeg een geluidje op uit de gemeenschap van voetballiefhebbers. Je moest goed luisteren om het te kunnen horen. Het klonk als het knisperen van droog kreupelhout, vlak voor de bosbrand begint.

Roda JC
Beeld: ANP/Henk Korzelius

Roda degradeerde en er gebeurde wat er altijd gebeurt als er een club degradeert: beelden van huilende kinderen, sniffende bejaarde dames, lamgeslagen hooligans en een oud-speler voor de camera die met het schuim in de mondhoeken beweert dat dat in zijn tijd niet gebeurd zou zijn.

Daarna volgen de spelers, de trainers en vaak nog een beleidsbepaler. Zij staren een minuut of twee naar de Fox-microfoon alsof het de guillotine is waar ze straks, op het plein voor het stadion, onder mogen gaan liggen en verdwijnen dan weer.

Toonloos zeggen ze dingen als ‘Het was niet goed genoeg’ en ‘Ik weet ook niet hoe het heeft kunnen gebeuren’.

En ergens in een of andere oliestaat zat de eigenaar, een Zwitserse Rus of een Russische Zwitser. Ik stelde me hem voor in een witte badjas op zo’n langlauf-fitnessapparaat – want zo stel ik me malafide miljardairs het liefste voor – terwijl een personal assistant de iPad buiten zijn bereik legde.

Vijf slapende kleuters en een Kuifje-schurk

Het is niet eenvoudig om van Roda JC te houden. Het stadion lééft niet, het tenue is in elkaar geflanst door een kleurenblinde couturier met een drankprobleem en de spelers worden jaar in, jaar uit met elke transferperiode een beetje armetieriger, zodat het spel de laatste seizoenen qua entertainmentwaarde het meest te vergelijken valt met vijf slapende kleuters in een ruimte met een bol wol en een setje breinaalden.

Daar komt maar zelden een trui van.

Roda JC
Beeld: ANP/Henk Korzelius

Eigen jeugd is er niet, of nauwelijks – de meeste basisspelers worden betaald door andere clubs en hebben net zo veel binding met de club als ik met een pop up-store in een stad waar ik nog nooit ben geweest. De nieuwe eigenaar is een Kuifje-schurk (“Ik kraig joe nog wel, klaine koifkop!”) en het bestuur doet denken aan de bemanning van de Costa Concordia, qua stuurloosheid en gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel en zo.

Als je wilt weten hoe het eruit gaat zien als het regionale profvoetbal uiteindelijk ten onder zal gaan, kun je bij Roda al een aardig voorproefje krijgen.
Om maar te zeggen: het is niet eenvoudig om van Roda JC te houden.

Nou wil het geval dat ik van Roda houd. Of beter gezegd: dat ik al mijn hele leven een zwak heb voor Roda. Dat is een familiekwaal, net als bijziendheid of groene vingers. Het zou kunnen dat ik om die reden net iets meer mededogen kan opbrengen voor al die mensen die elke week naar het Parkstad Limburg Stadion gaan om daar te controleren of het kunstgras al een beetje wil groeien dan heel veel andere mensen.

Misschien. Misschien zou ik, als ik die kwaal niet had, naast dat mededogen ook wel een klein beetje leedvermaak ervaren. Maar ik hoop dat ik me – ook al was mijn familie al generaties lang geworteld Noordoost-Groningen, of in de Jordaan – ver zou houden aan iets wat je misschien nog het beste zou kunnen omschrijven als geografisch leedvermaak.

Want dat was wat je kon horen knisperen, gisteravond. Een superioriteitssyndroom dat je met een ten onrechte nog niet bestaand woord ‘Randstadcentrisme’ zou kunnen noemen. Symptomen: domheid, gebrek aan empathie en het slordig nadoen van een accent. Het ging over Limbo’s gisteravond, en over hoe jammer het was voor het Duitse voetbal dat Almere City gewonnen had.

Maarten van Rossem heeft een vaste grap die hij af en toe inzet als zijn betoog een beetje dreigt in te kakken. Dan zegt hij out of the blue dat we Limburg al lang hadden moeten teruggeven aan de Duitsers. Of de Belgen, dat kan ook. Hadden we Wilders ook niet gehad. Elke zaal ten noorden van Venlo gaat plat voor die grap. Ik heb hem meermaals gehoord; het is een lach waarin net iets te weinig ongemak zit en net iets te veel opluchting.
Het zit ‘m in dat ‘we’.

Roda JC
Roda-verdediger Patrick Banggaard na de verloren wedstrijd tegen Almere. Beeld: ANP/Henk Korzelius

Ze lijken niet genoeg op ons

Je zou kunnen zeggen dat Roda het er allemaal zelf naar gemaakt heeft, en dat het puur voetbaltechnisch leedvermaak is, en helemaal niets te maken heeft met Randstadcentrisme, maar dan zou je stiekem ook wel weten dat dat niet klopt.

De kern van alle jolijt is dat mensen in Limburg anders spreken. Dat ze er andere gewoontes op nahouden. Dat Kerkrade te ver van Amsterdam ligt – dik twee uur met de bus maar liefst.

Dat ‘ze’ gewoon niet genoeg op ‘ons’ lijken.

Zo beschouwd is het leedvermaak om Roda en Limburg weinig anders dan onversneden bekrompenheid. “Provinciaal,” zeggen ze in de Randstad dan, zonder te beseffen dat dat in wezen een komische omkering van zaken is.

Reageer op artikel:
Roda JC en het eeuwige gegniffel
Sluiten