Michael Caine is een kampioen in ongegeneerde zelfverheerlijking

In de documentaire My Generation blikt acteur Michael Caine terug op de jaren zestig: zowel het startpunt van zijn carrière als de hoogtijdagen van muziek en kunst in een snel veranderend Londen. En Caine fabuleert ondertussen zijn eigen imago bij elkaar, constateert filmjournalist Nico van den Berg.

Het is dit jaar precies vijftig jaar geleden dat het revolutievirus in volle hevigheid door Europa trok. Niet alleen sloeg in mei 1968 de vlam in de pan bij studentenprotesten in Parijs, ook in andere steden probeerde een nieuwe generatie de oude van de troon te stoten. Londen was één van de steden die in de jaren zestig volledig op zijn kop werd gezet. Het was de tijd van de Swinging Sixties, de invloedrijke jeugdcultuur die met felgekleurde kleding, provocerende kunst, beatmuziek en losse omgangsvormen de grijze na-oorlogse Britse stijfheid omver wilde werpen.

My Generation – naast de filmtitel ook een grote hit van The Who uit 1965 – wil met een stroom aan archiefbeelden en interviews van Michael Caine met iconen als Joan Collins, Sandie Shaw, Twiggy en Paul McCartney een beeld van de turbulente jaren neerzetten. Alleen lukt dat maar moeizaam, en dat komt door Caine himself.

De tekst loopt hieronder door. 

Michael Caine
Beeld: My Generation

De documentaire is het droomproject van filmmaker David Batty, die een paar jaar geleden nog braaf de vier evangeliën uit het Nieuwe Testament woord voor woord verfilmde. Van bijbeltekst naar Beatles, voor Batty is het blijkbaar een kleine stap. Batty betrok Caine al in een vroeg stadium bij de film. Als iemand die uit een arbeidersmilieu kwam, zou de nu beroemde acteur prima passen bij de tijdgeest die Batty wil neerzetten: dat van klassenvervaging en nieuwe kansen voor jonge Britse vrije geesten.

De tekst loopt hieronder door. 

Michael Caine – geboren als Maurice Joseph Micklewhite – begon zijn acteercarrière al in de jaren vijftig, maar zijn doorbraak beleefde hij in 1966 met de film Alfie waarin hij een volkse vrouwenversierder speelde met een sterk ‘cockney’ Londens accent. In My Generation zet hij zijn doorbraak van een plat sprekende acteur op het witte doek neer als een unieke prestatie, waarmee hij de emancipatietroepen in Engeland hoogstpersoonlijk aanvoerde.

Michael Caine
Beeld: Duffy Archive

Wat Caine vergeet, of in ieder geval niet vermeldt, is dat de zogenaamde ‘revolutie’ in de jaren zestig maar een heel klein aantal jongeren aanging. Het was bovendien ook een beweging die bijna helemaal in Londen geconcentreerd was. In de rest van het Verenigd Koninkrijk duurde het nog tot ver in de jaren zeventig voordat ook daar op gang begon te komen.

Ook op politiek vlak veranderde er in de sixties nog niet heel veel. De meer progressieve krachten kregen pas veel later in de statige parlementsgebouwen een beetje ruimte. Voor de meeste Britten waren de Swinging Sixties dan ook een ver-van-mijn-bed show. Maar zonder deze kennis zou je uit My Generation kunnen opmaken dat heel Engeland in sneltreinvaart tot een hippiemekka was getransformeerd. My Tiny Generation Bubble zou dan ook een betere titel van deze Caine-productie zijn.

Een ander opmerkelijk punt in de documentaire is de focus op muziek en mode. De ontwikkelingen in literatuur, theater, tv en film worden bijna volledig genegeerd. Vooral dat laatste punt is opmerkelijk, gezien de grote rol van Michael Caine in de film. Het enige dat  we zien zijn wat fragmenten van films waarin hij speelde. Geen woord of beeld van andere opkomende filmmakers in die tijd, als Ken Loach (Kes, 1969), Michelangelo Antonioni (Blow-up, 1966) of Richard Lester (A Hard Day’s Night, 1964).

Deze tekortkomingen zijn nog te verantwoorden als keuzes van de filmmaker – zij het een niet erg logische. Maar Batty’s keuze voor Michael Caine als persoonlijke gids door de film heen is de meest ongelukkige die je je kunt voorstellen.

Michael Caine
Beeld: My Generation

Je hoeft de laatste jaren maar naar interviews met Caine te luisteren om dit te begrijpen. Met grote regelmaat spreek hij zich uit tegen de jonge generatie van nu die alles op een presenteerblaadje krijgt aangereikt, terwijl hij zelf voor de echte veranderingen heeft gezorgd (“not many people are like me”). Ook de suggestie dat in Hollywood en de Britse filmindustrie zwarte acteurs en filmmakers jarenlang achtergesteld zouden zijn, wijst hij fel af (“You just have to take it, just wait”).

In de documentaire rollen de woorden ‘emancipatie’ en ‘gelijkheid’ vele malen uit zijn mond, maar de huidige generatie moet volgens hem vooral zijn of haar mond dicht houden en netjes hun beurt afwachten. Ook was Caine een grote voorstander van Brexit. Weg van de Brusselse bureaucraten, Engeland weer voor de Britten, was zijn devies. Dit is een gedachte die goed past bij de huidige working class in Groot-Brittannië, maar ver af staat van de vrije en open geest van de Swinging Sixties.

Voeg daarbij nog zijn gedachtes over softdrugs die volgens Caine de jeugd vanaf de jaren zeventig volledig hebben verpest en zijn ideeën over een hardere aanpak van kleine criminaliteit – hij kon zich prima vinden in het rechts-nationalische personage dat hij in Harry Brown (2009) speelde – en het beeld is duidelijk. Hier zien we iemand die pronkt met de progressieve krachten uit de jaren zestig, maar daar zelf niet verder vandaag kan staan.

Michael Caine is een reactionaire, oude man geworden. Hij is een kloon van de generatie waar hij zich in de jaren zestig zo tegen afzette. Alleen is hij de enige die dat nog niet ziet.

Reageer op artikel:
Michael Caine is een kampioen in ongegeneerde zelfverheerlijking
Sluiten