Koester de vervalsing en prijs de parodie!

De parodie is een klassieke vorm in de cinema. Het maakt van oudsher als een echte hofnar de gevestigde filmorde belachelijk. Tegelijk willen we als kijker vooral niet zelf geschoffeerd of op de hak genomen worden. Parodieën, de nieuwe tentoonstelling in het Leiden Film Museum, balanceert op het wankele koord van een recalcitrant genre dat tegenwoordig vooral moet voldoen aan een politiek-correcte moraal.

Onder de titel Parodieën — I’m serious and don’t call me Shirley zijn vanaf 20 september de zalen van het Leidse pop-up filmmuseum gevuld met talloze voorbeelden van filmparodieën en ‘fake cinema’. De titel verwijst naar een quote uit één van de beste filmparodieën ooit: Airplaine  (1980), met in de hoofdrol de koning van de Hollywood-parodie Leslie Nielsen als echte anti-held. Eén van zijn grootste navolgers is de Britse acteur Rowan Atkinson die vanaf vandaag weer als mislukte geheim agent in de bioscoop te zien is in de film Johnny English Strikes Again. Maar waar Nielsen in een pre #metoo tijdperk nog alle kanten op kon met zijn humor, is Atkinson een stuk minder vrij in zijn rol als Johnny English. Het voelt belegen en braaf. Een verre echo van een tijd waarin echt alles op de hak kon worden genomen.

Dat geldt zeker voor de films van Monty Python, die in de tentoonstelling veel ruimte krijgen. Vooral de godslastering in Monty Python and the Life of Brian – een parodie op het evangelie – zou volgens regisseur Terry Jones nu absoluut niet meer gemaakt kunnen worden. Zeker niet als je het christendom in de film zou vervangen door de islam. In een tijd waarin alles zogenaamd op de hak mag worden genomen, lijkt elke vorm van ironie meteen verdacht.  Zo kwam dit voorjaar de anti-Israël parodie van cabaretier Sanne Wallis de Vries op het winnende Israëlische songfestivallied de omroep BNNVARA op flink wat kritiek te staan.

In een tijd waarin alles zogenaamd op de hak mag worden genomen, lijkt elke vorm van ironie meteen verdacht

Konijnenskelet topstuk tentoonstelling

Niet alleen parodieën staan centraal in het Leiden Film Museum. Ook het thema vervalsingen neemt een belangrijke rol in op de tentoonstelling. Zo wordt met veel bravoure het skelet van het Konijn van Caerbannog uit Monty Python and the Holy Grail als topstuk van de tentoonstelling gepresenteerd. In het trotse persbericht wordt de vondst van dit konijnenskelet uitgebreid uit de doeken gedaan. Zo zou het konijn, dat in de film een belangrijke rol speelt, na de draaiperiode zijn geadopteerd door Pythonacteur Terry Gilliam. Na het overlijden van het beest beleefde het skelet een tweede leven als veilingobject. Via allerlei omzwervingen kwam het uiteindelijk bij een Nederlandse verzamelaar terecht die het met liefde maar anoniem aan het museum in bruikleen wilde geven.

Er is alleen één probleem rond dit prachtige verhaal: het is niet waar. Het konijnenskelet heeft niets met Monty Python te maken, laat staan dat het ooit voor een filmcamera heeft gehuppeld. Het is geen vergissing van het Leiden Film Museum, dit nepnieuws is met voorbedachte rade via een persbericht de wereld in gebracht.

Wat is de waarde van iets waar we eerst in geloven en dat later fake blijkt te zijn? Hoe belangrijk is authenticiteit voor de beleving van kunst? Of kunnen we domweg niet tegen het gevoel belazerd te worden?

Vervalsingen

Dit voorjaar bleek in een Frans museum de helft van de schilderijencollectie een vervalsing te zijn. Het werd ontdekt toen bij de restauratie van de schilderijen bij een flink aantal werken de handtekening zo van het doek af te vegen was. Voor schilderijen van ruim honderd jaar oud niet heel gebruikelijk. Ook in Gent zaten ze dit jaar met een verzameling Russische schilderijen in hun maag waar bij de echtheid grote vraagtekens werden gezet. Experts noemden het exposeren ervan zelfs ‘misleidend’.

Maar moeten we dit soort ontdekkingen juist niet koesteren? Iets dat onecht is, wordt tegenwoordig meteen afgeserveerd. En iets dat plotseling aan een grootmeester wordt toegeschreven, zoals recent bij een paar Rembrandt-schilderijen gebeurde, wordt meteen op een torenhoog voetstuk geplaatst. Met het tentoonstellen van het fake-konijn wil het Leidse Film Museum niet alleen voor een bescheiden relletje zorgen, ook wil het de discussie op gang brengen over hoe belangrijk authenticiteit eigenlijk is. Zo zijn er een paar mooie voorbeelden van mockumentaries te zien, films die als een documentaire zijn gedraaid, maar volledig zijn verzonnen en geacteerd. Een bekend voorbeeld is de film This is Spinal Tap uit 1984 over de fictieve hardrockband Spinal Tap. Een andere film die op de tentoonstelling wordt belicht is de mockumentary The Gods Must Be Crazy (1980) waar een Afrikaanse bosjesman met het moderne leven wordt geconfronteerd.

Film is, net als elke vorm van lage of hoge kunst, per definitie nep. Het is alsof je met een half dichtgeknepen oog een ander beeld van het echte leven krijgt. Bij film worden we doelbewust bedonderd, alleen willen we het niet altijd zien of weten. Koester het nepkonijn en prijs de parodie!

Reageer op artikel:
Koester de vervalsing en prijs de parodie!
Sluiten