Max Hauke en de redding van de langlaufsport

Frank Heinen 4 mrt 2019 Mening

De keren dat ik door een indrukwekkende politiemacht in een Oostenrijkse hotelkamer ben betrapt terwijl ik mijn eigen bloed in mijn lijf aan het terugpompen was om mijn columnprestaties op onnatuurlijke wijze te verbeteren, zijn op de scherpe uiteinden van één naald te tellen – en dan hou je nog over. Ik weet dus niet precies hoe de Oostenrijkse langlaufer Max Hauke, wie dit vorige week ongelukkigerwijs overkwam, zich moet hebben gevoeld, dus daarom vertel ik maar wat ik voelde toen ik Max Hauke zag zitten.

In de video zit Max Hauke op een bank in een kleur die, sinds een specifieke Jiskefet-sketch, bekendstaat als ‘mosterd’. Hij draagt een zweethemd. Zijn haar heeft de lengte die mijn moeder vroeger eiste als ze mij bij de kapper kwam afleveren. Zijn linkerarm ligt op een van de mosterdkussens. In die arm: een infuus.
Heterdader zie je het zelden.
Meestal zie je het bedrog niet live gebeuren. Vaak hoor je erover, soms pas jaren later. En hoe gedetailleerd die verhalen dan vaak ook zijn, hoe beeldend de zinnen waarin je de koelte van het plasma dat zo, hup uit de koelbox het uitgediëte sprinkhanenlichaampje in glijdt, bijna kan navoelen, zo, dat je er de rillingen van krijgt, hangend in je strandstoel: helemaal erbij ben je nooit.
Die sporters vaak wel, trouwens.
Eigenlijk is dat zonde.

Zeven bankrovers op de vlucht
Sporters sporten om ons te vermaken – al denken ze zelf dat ze het doen om zichzelf te verbeteren. Dat vermaken lukt niet altijd – ik ben bijvoorbeeld wel eens in slaap gevallen bij een langlaufwedstrijd. Gebeurt dat bij een slechte film: twee sterren, en een roemloze aftocht naar het on-demandkanaal van RTL8.
Gebeurt dat bij een sportwedstrijd: geen enkele consequentie.
Neem schaatsen. De Volkskrant meldde dit weekend dat de grenzen in die sport voortdurend zachtjes worden opgerekt. Misschien niet zoals Max Hauke de grenzen oprekte (namelijk door gewoon te doen alsof ze niet bestonden), maar subtiel, met doktersbriefjes voor onbestaande klachten. Op school hadden wij ook doktersbriefjes, die soms door leerlingen zelf werden ondertekend. Die vorm van fraude, waaraan Max Hauke een puntje zou kunnen zuigen als hij niet voor het leven geschorst was voor het zuigen van puntjes, gaf de grijze dagen kleur. Het gerucht verspreidde van het bedrog verspreidde zich door de school als een griepje door een kinderdagverblijf, en het kon onmogelijk lang duren of het zou belanden bij iemand die ermee naar de autoriteiten zou gaan. Dan bestond de mogelijkheid dat de leerling in kwestie uit de klas zou worden verwijderd en over de galerijen zou worden afgevoerd, zodat iedereen het goed zou kunnen zien.
Op de dagen dat zo’n scène tot de mogelijkheden behoorde, zat je net even wat aandachtiger in de les.
Daarom is het zo jammer dat Rintje Ritsma en Erben Wennemars zaterdag ontkenden dat er iets vreemds was aan het feit dat het merendeel van de schaatsers met astmamedicijnen rondrijdt, of ze nu astma hebben of niet. Ritsma zei dat je het artikel beter maar direct in de prullenbak kon gooien. Wat hij had moeten doen, Ritsma, voor mij voor eeuwig de man die zich ooit in een bad met ijsblokjes liet zakken om meer flessen douchegel te verkopen, is natuurlijk precies het tegenovergestelde. Op de vraag van Henry Schut of het niet gek was dat al die schaatsers op basis van een vals attest met verwijde longen rondrijden, had hij moeten antwoorden: ‘Misschien.’
En Wennemars had eraan moeten toevoegen: ‘Wie weet.’
En Ritsma had moeten mompelen: ‘Als dat nou alles was…’
En Wennemars had mysterieus moeten grijnzen.
De sportliefhebber wil geboeid worden. Er moet suspense zijn. Een sport waarbij mensen door de sneeuw ploegen en aan het eind wint een Oostenrijker, is geen sport, maar een soort touwtrekken voor de benen. De gemiddelde fan doet het niet meer voor de eenvoudige vraag of het Kramer is die gaat winnen, of Roest. De gemiddelde fan heeft meer nodig. Het zou me niks verbazen als de langlauffederatie (wat een woord) de Oostenrijkse politie de sleutel van de kamer van Max Hauke heeft gegeven.
‘Wij zeggen niks, maar ga eens kijken.’
Vanaf nu kijk ik naar een langlaufwedstrijd als naar een film met zeven bankrovers op de vlucht voor de politie, en naar langebaanschaatsen alsof ik weer in een klas zit waarin zich tenminste vijf absentiebriefjesschrijvers bevinden. Nu al zin in de Winterspelen van 2022.

*

Achter Max Hauke, aan de muur, een schilderij. Een landschapje, een paar impressionistisch behandelde cipressen die over zijn schouder toekijken.

Terwijl politieagenten de kamer in bezit nemen, blijft Max Hauke zitten. Hij kan niet anders, het bloed stroomt, de misdaad is nog in volle gang. Max Hauke wrijft met zijn rechterhand over zijn knie en staart naar het infuus. Daar druppelt zijn droom zijn lichaam uit, en zijn leven. Bloedlichaampje voor bloedlichaampje.

Hauke trekt aan zijn neus. Vanaf nu is hij voor eeuwig de jongen van het filmpje.

Reageer op artikel:
Max Hauke en de redding van de langlaufsport
Sluiten