Spring naar de content
bron: Robert Oosterbroek

Utrecht droomde van beton maar kreeg een bouwput

Wekelijks schrijft Joke de Wolf op zaterdag een column over kunst. Deze week over de grote verwachtingen over het Utrechtse winkelcentrum Hoog Catharijne en de wijk Kanaleneiland, te zien in de tentoonstelling ‘Dromen in beton’.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Het overlijden van Jacques Chirac drukt ons, onderdanen van een parlementaire monarchie, weer eens met de neus op de feiten: een republiek met een president aan het hoofd is zo gek nog niet. Natuurlijk hebben ook gekozen machthebbers hun eigenaardigheden – Chirac vond het lastig het geld uit de staatskas niet te gebruiken voor eigen gewin, vond dat ‘ie best wat nucleaire proeven kon doen op een atol in de Stille Oceaan en stortte zijn hondje Sumo nadat hij z’n presidentschap moest overdragen aan Sarkozy in een diepe depressie, om maar even een paar dieptepuntjes te noemen – hij laat Frankrijk wel een prachtig museum na: het Musée du Quai-Branly, tegenwoordig officieel Musée du Quai Branly – Jacques Chirac.

In 2000 opende de lange president al een speciale afdeling in het Louvre, bestemd voor niet-westerse kunst. En in 2006 kon het speciaal daarvoor gebouwde museumgebouw aan de linker Seine-oever worden ingewijd: een tempel voor de kunstvoorwerpen uit de hele wereld, behalve de westerse. Voor velen was het een verrassing dat Chirac zich hiermee liet associëren; hij cultiveerde graag het imago van een bierdrinkende man van het volk, zoals de meeste Nederlandse politici dus. Zijn dochter Claude vertelde dat hij, in plaats van zoals de meeste mannen een Playboy lezen verstopt achter een literair tijdschrift, Chirac het juist andersom deed. Pas nadat hij geen president meer was, werd duidelijk dat hij een connaisseur en aanbidder was van de Japanse en Chinese cultuur, en dat niet alleen. Al op z’n zestiende leerde hij zichzelf Sanskriet, hij overwoog zich zelfs even te bekeren tot het hindoeïsme.

In plaats van een Playboy lezen verstopt achter een literair tijdschrift, deed Chirac het juist andersom.

Het neerzetten van het Musée du Quai-Branly is dus minder verrassend dan het lijkt. En het past in de benijdenswaardige Franse traditie die voorschrijft dat elke president een culturele instelling nalaat aan de republiek. Georges Pompidou had het culturele centrum in het hart van Parijs met daarin het fantastische nationale moderne kunstmuseum, een openbare bibliotheek en bioscopen. Valéry Giscard d’Estaing liet het oude treinstation van het Gare d’Orsay transformeren in het museum voor negentiende-eeuwse kunst, en François Mitterrand zorgde voor de glazen piramide op het binnenplein van het Louvre. Nicolas Sarkozy lanceerde heel ambitieus het ‘Grand Paris’-project, waar architecten zich mochten uitleven op de toekomst van de metropool, de uitwerking ervan is door zijn aarzelende opvolger François Hollande – die verder ook geen eigen stempel drukte op het Franse culturele landschap.

Het is een traditie die twee kanten op werkt. Omdat de president zijn naam verbindt aan het gebouw of project, is het de meest zichtbare, tastbare erfenis van de machthebber. Het zou wel erg onkies zijn om zo’n erfenis te laten verslonzen, dus onderhoud is min of meer zekergesteld. Bovendien is er ook nog een kans dat een deel van het publiek juist vanwege die associatie met de oud-president de stap over de drempel van de culturele instelling zet.

De meeste Nederlandse politici hoeven de desinteresse voor cultuur niet te veinzen zoals Chirac.

Nederland heeft niets van dit alles. De meeste politici hoeven de desinteresse voor cultuur niet te veinzen zoals Chirac, ze hebben werkelijk geen flauw benul. Het Koninklijk Huis is ook ongeschikt voor grote politieke gebaren, en al lenen de koning, koningin en prinses Beatrix zich regelmatig voor het openen van een tentoonstelling – en verleent de koning ook dit jaar weer de Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst -, een groot bouwproject, ook cultureel, is iets voor de lokale politiek.

bron: Cas Oorthuys/Nederlands Fotomuseum

Hoe treurig dat kan uitwerken zagen we al bij de documentaire over het Rijksmuseum van Oeke Hogendijk. En nu is de komende maanden in het Centraal Museum in Utrecht ‘Dromen in beton’ te zien, een tentoonstelling over de grote verwachtingen over Kanaleneiland en Hoog Catharijne. Begin jaren vijftig werd er op de tekentafel een nieuwe woonwijk gepland met hoogbouw, brede autowegen en een helikopterlandingsplaats voor een snelle verbinding met andere steden: Kanaleneiland. In 1957 keurde de gemeenteraad het plan goed, zij het zonder de helikopterdienst, vanaf de jaren zestig was het de betongeworden toekomstdroom van Nederlandse stedenplanners. Helaas zou dat niet altijd zo blijven, al is het, zo wordt in de tentoonstelling duidelijk, ook maar hoe je er naar kijkt.

Zelf kon ik Kanaleneiland ook na de tentoonstelling niet aanwijzen op de kaart, ik ben er nooit geweest. Maar die andere betonfantasie, Hoog Catharijne, ken ik wel. Vroege herinneringen van donkere galerijen met junks en roltrappen, de laatste jaren vooral een bouwput. Het is wonderlijk te zien hoe groot het geloof in 1963 was in een toekomst van autosnelwegen, overdekte winkelcentra en strak beton.

 Een consumptieparadijs waar Emile Zola met zijn ‘Paradijs voor de vrouw’ een puntje aan kon zuigen. Op de beelden van de opening, in 1973 verricht door prinses Beatrix, zet ze een futuristische fontein in werking. Iedere bezoeker kon nu koninklijk schrijden dankzij de roltrappen die de zes verdiepingen met elkaar verbonden, door gangen met ‘gecontroleerd klimaat’. Vroom en Dreesman adverteerde er met mode en meubels die inmiddels alweer modern zijn. De ‘complainte du progrès’ van Boris Vian, een klaagzang over de vooruitgang die ons alle onmogelijke huishoudelijke machines aansmeert, had er goed bij gepast.

Inmiddels zijn we 45 jaar verder en is de huidige grote verbouwing van Hoog Catharijne bijna voltooid. De singel, die in de jaren zeventig plaats moest maken voor een autoweg, werd weer opgerakeld, de roltrappen weigeren nog zo af en toe dienst. Het nieuwe winkelaanbod is schaamteloos westers kapitalistisch, met volop goedkoop geproduceerde kleding uit verre landen voor te veel geld, de aankondigingen van wat nog komen gaat weinig hoopgevend. Op zoek naar een OV-fiets verdwaalde ik in het doolhof van de grootste fietsenstalling ter wereld; plattegronden zijn er niet. Om met de fiets naar het centrum te komen stond ik voor de keus tussen de uitgangen ‘Moreelsepark’ en ‘Smakkelaarsveld’. Ik was in een zwart gat beland. En nergens een president die me er met een paar mooie woorden uit kon trekken.

‘Dromen in beton’ is tot 19 januari 2020 te zien in het Centraal Museum in Utrecht.