Spring naar de content
bron: Prix de Rome

Het oranje prijzencircus

Wekelijks schrijft Joke de Wolf op zaterdag een column over kunst. Deze week over de uitreikingen van de twee meest prestigieuze kunstprijzen voor jong talent in ons land: de Prix de Rome en de Koninklijke Prijs voor de Vrije Schilderkunst.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Joke de Wolf

Tussen alle talentenjachten, literatuurprijzenregens en de voortjakkerende bedeltocht naar instagramlikes valt de zoektocht naar de beste of meest veelbelovende beeldend kunstenaar een beetje in het niet. Nee, ik heb het natuurlijk niet over kitchkunstprogramma’s als ‘Project Rembrandt’ of ‘Sterren op het doek’, ik heb het over de twee meest prestigieuze kunstprijzen voor jong talent die ons landje kent, de Prix de Rome en de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst.

Aan media-aandacht bij de uitreiking geen gebrek trouwens, niet uit de categorie die je zou hopen: maar liefst vijf royaltyfotografen stonden aangemeld voor de uitreiking van de Prix de Rome door koningin Máxima, afgelopen donderdag, aangevuld door camera’s van Shownieuws en Blauw Bloed. Op 11 oktober, toen echtgenoot Willem in het Paleis op de Dam de schilderprijs uitreikte, zal het nog wel drukker zijn geweest. Toch zegt dat nog niets over de kwaliteit van de kunst.

De Prix de Rome in 2013 was was een dieptepunt.

De eerste keer dat ik een Prix de Rome-tentoonstelling zag, in 2013, was meteen een dieptepunt. Een dieptepunt voor de Prix de Rome zelf, de prijs die sinds 1807 met een paar onderbrekingen in de negentiende eeuw om het jaar wordt uitgereikt aan een beeldend kunstenaar onder de veertig – het andere jaar is het een architect. Een prijs van veertigduizend euro en een verblijf van drie maanden in Rome, aan de American Academy – blijkbaar is er op of over het Nederlands Instituut in Rome te veel geruzie. Maar goed, in 2013 was het een dieptepunt omdat er kunst te zien was die iedereen, zelfs mijn collega-recensenten met meer Prix-ervaring dan ik, onbegrijpelijk vond.

Het kwam erop neer dat je een ruimte binnenging, veel teksten zag hangen, een paar kriebelige tekeningetjes, en je je afvroeg waar het uiteindelijke kunstwerk was, het kunstwerk waar de geselecteerde kunstenaar vijf maanden aan had gewerkt. De teksten bleken het kunstwerk zelf te zijn. Een uitgekieperde zak notities over het gevangeniswezen in de VS. Oftewel, in het hedendaagsekunstjargon van de jury: de kunstenaar ‘reflecteert op ‘het lichaam in crisis’ aan de hand van een pakkende historische analyse van de gevolgen van de privatisering van het gevangeniswezen.’

Hoe kom je in de categorie beeldende kunst terecht met alleen wat slordige aantekeningen?

Mijn lichaam raakt ook in crisis door dergelijke cryptoteksten, maar hier begreep ik ook niet hoe je in de categorie beeldende kunst terechtkomt met alleen wat slordige aantekeningen. Een werk van een andere kunstenaar bestond uit blauwe fragmenten van de Europese vlaggen uit verschillende lidstaten. En de grap was natuurlijk dat niet alle landen dezelfde kleur blauw gebruiken. Daar hield het kunstwerk wel zo’n beetje op. De hoop notities won de prijs, de kwaliteitskranten gaven bar weinig sterren en ballen.

Sander Breure & Witte van Hulzen, Prix de Rome. Foto: Daniel Nicolas

Sindsdien is de Prix de Rome erop vooruit gegaan, dat was dus niet zo moeilijk. De presentatie van dit jaar was en is in het Amsterdamse Stedelijk, ook een lichaam in crisis. De toelichting op de vier inzendingen was hier al bij het begin te zien in korte filmpjes. Aan te raden is eerst de kunst te bekijken en pas dan te checken of er iets van die betekenis overkwam. Bij Sander Breure & Witte van Hulzen (dat is een duo) sta je meteen middenin het werk: in de museumzaal staan meerdere beelden van ‘de mensen die je tegenkomt‘ in een ziekenhuis: een decaan van het LUMC, een traumachirurg, een schoonmaker en een patiënt. Daartussen bewegen meerdere acteurs: ze doen gebaren na van de mensen in het ziekenhuis, als een ingestudeerde dans. Een van hen is alles aan het filmen, ook de reactie van het publiek, dat er wat onwennig tussen staat. Je voelt je in deze museumzaal precies zo onaangenaam als in de wachtkamer van het ziekenhuis – en daar blijkt het ook deels over te gaan.

Je voelt je in deze museumzaal precies zo onaangenaam als in de wachtkamer van het ziekenhuis.

Esiri Erheriene-Essi, Prix de Rome. Foto: Daniel Nicolas

De kunst van Femke Herregraven neigt het meest naar de categorie 2013: iets met catastrofe-obligaties, de onvoorspelbaarheid van ons bestaan, een installatie met kratten en schelpen en het idee dat de mens zijn stem te danken heeft aan de tijd dat we – miljoenen jaren geleden – bijna verdronken. De schilderijen van Esiri Erheriene-Essi zijn dan weer lekker duidelijk: ze schildert foto’s na van huiselijke scenes bij zwarte mensen thuis. Schilderijen à la Raquel van Haver, niet per se mooi, wel herkenbaar, confronterend met onze vooroordelen, en daarmee soms iets te letterlijk. De kinderjury vond dit  – ook begrijpelijk – de beste inzending.

Duidelijke winnaar is Rory Pilgrim met zijn film over een groepje eigenzinnige Amerikaanse jongeren die in een afgelegen huis in de VS wonen. Ze maken zich zorgen over de klimaatverandering, tegelijk blijken er ook allerlei persoonlijke problemen mee te spelen. In een dromerige filmstijl met prachtige muziek (die Pilgrim zelf componeert) is het een mooie, misschien wat sentimentele film van maar liefst vijftig minuten. Wat mij betreft een terechte winnaar, de laureaat (Engelstalig, studeerde aan de Ateliers in Amsterdam) stond zelf nog een beetje beduusd naar Máxima te kijken.

Niet alle moderne kunst is zo hapklaar als die van Daan Roosegaarde.

Bij de inzendingen voor de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst zou je kunnen denken dat er alleen maar schilderijen te zien zijn, maar zo simpel is het natuurlijk niet. Ik zag borduursels, keramiek, kartonnen dozen, én schilderijen. De kwaliteit is wisselend, inzenders tot 35 jaar mogen insturen, en daar wordt dan een selectie uit gemaakt. Sommigen houden van schilderen, anderen gebruiken de verf terloops, op een metalen reliëf bijvoorbeeld, of op een wandtapijt. Drie winnaars zijn er gekozen, twee makers van traditionele schilderijen met ongebruikelijke onderwerpen – nietsdoende mensen in een tuin, en slechte seks. De laatste winnaar, Machteld Rullens, beschildert kartonnen dozen. En ja, dat klinkt knullig, zo knullig dat het bijna het gebruik van cryptisch hedendaagsekunstjargon zou goedpraten. Nergens voor nodig. Rullens beschildert de dozen namelijk heel zorgvuldig, eerst met epoxyhars, zodat het heel luxe dozen worden, daarna komen er kleuren, een verwijzing naar Picasso, alsof het niets is.

Machteld Rullens, ‘Picasso’. Bron: Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst

De gewone bezoekers van het Paleis – de toeristen – geven niet of nauwelijks aandacht aan de moderne schilderijen. Met hun audiotoer turen ze naar boven, naar de werken van Govert Flinck en Ferdinand Bol. Niet alle moderne kunst is zo hapklaar als die van Daan Roosegaarde. Het is niet meteen sexy of toegankelijk. Het is zelfs soms nog niet goed. Wat wel uitzonderlijk is, is dat de prijzen er zijn, en dat ze kunstenaars die al een tijdje bezig zijn, (financiële) steun geven zodat ze nóg beter kunnen worden. En zo kunnen zorgen voor meer goede solotentoonstellingen van jonge(re) Nederlandse kunstenaars.

De vier finalisten van de Prix de Rome zijn nog tot 22 maart 2020 te zien in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Het werk van de finalisten van de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst is nog tot 17 november te zien in het Paleis op de Dam.