Spring naar de content

De vrouwen van Rome

Na de bevrijding van Rome in 1944 werd er volop nagedacht over hoe Italië eruit moest zien na het fascisme. Ook door de Vrienden van de Zondag, een clubje intellectuelen dat bijeenkwam in het huis van het schrijvende echtpaar Bellonci. Hoe de vrouwen van Rome hun rug rechtten na de nederlaag van Mussolini.

Gepubliceerd op: Geplaatst in de volgende categorieën:
Geschreven door: Jutta Chorus

De gastvrouw was die zondagochtend om vijf uur opgestaan om het deeg voor de taarten te kneden. Alleen zo vroeg in de ochtend had het gas nog een beetje druk, na zeven uur kreeg je de oven niet meer heet. 

Ze maakte twee taarten, eentje met room en een met chocolade. Bloem en eieren had ze op de zwarte markt gekocht. Ze kon niet zeggen dat de baksels goed waren gelukt, maar ze waren goed genoeg: iedereen was immers nog ondervoed.

Op zondag 11 juni 1944 kwamen in een vierkamerappartement aan de Viale Liegi in Rome vijftien schrijvers en journalisten bij elkaar. Gastvrouw was Maria Bellonci, schrijfster van historische romans. Met haar echtgenoot Goffredo, journalist bij het Romeinse dagblad Il Giornale d’Italia, ontving ze haar vrienden, een week nadat geallieerde tanks Rome waren binnengereden en Amerikaanse soldaten zich onder aan de Spaanse trappen door de Romeinen hadden laten omhelzen.

Abboneer op een lidmaadschap

Flinke korting op een digitaal jaarabonnement

Sluit nu voordelig een abonnement af en maak kennis met de journalistieke kracht van HP/De Tijd. (Op elk moment opzegbaar.)

Word abonnee

Rome juichte, maar Italië was nog lang niet bevrijd, of wilde niet bevrijd worden. Het Duitse leger had zich in Noord-Italië verschanst en richtte daar de Republiek van Salò op met de afgezette dictator Mussolini aan het hoofd. Vanuit Salò voerden Italiaanse fascisten een venijnige burgeroorlog. Het zou nog tot mei 1945 duren eer de laatste soldaten van de Duitse 90ste Pantsergrenadierdivisie over de rivier de Po zouden worden gedreven, terug naar Duitsland. 

In ruim twintig jaar was het fascisme diep in de vezels van de Italianen gedrongen. Het was normaal geweest om fascist te zijn; het was abnormaal, gevaarlijk, subversief om iets anders te zijn dan dat. Totdat Mussolini op 25 juli 1943 werd gearresteerd. Zijn opvolger, generaal Badoglio, Italiaans legerleider, stelde dat najaar een lijst op van niet-fascistische journalisten die na de oorlog de hoofdredacteuren van de Italiaanse dagbladen zouden worden. Zo gaf de Nationaal-Fascistische Partij het post-fascistische Italië vorm. Zo kon het fascisme geluidloos en grotendeels straffeloos overgaan in de naoorlogse Italiaanse democratie. 

Anders dan Duitsland dat, bezet en in zones verdeeld, nog decennia onder zijn oorlogsverleden gebukt zou gaan, bevrijdde Italië zich er elegant en kwiek van.

Juist die erfenis van het fascisme zat de Bellonci’s en hun zondagse vrienden dwars. Ze hadden geleerd te leven met geweld, in een land waarin je je niet kon uitspreken, waarin je als vrouw geen stemrecht had, waarin je kon worden verbannen of ter dood veroordeeld als je kritiek uitte op de heersende macht. Dat was het schrijversechtpaar Massimo Bontempelli en Paola Masino overkomen. Hij had de partij verlaten, zij schreef in oorlogstijd de roman Geboorte en dood van een huisvrouw, die niet door de censuur kwam. Hij werd bij verstek ter dood veroordeeld, zij verbannen. Samen doken ze onder in Rome, tot de bevrijding.

“We plukten eikels van de steeneiken van Villa Borghese,” schreef Paola Masino in het verhaal ‘De laatste voedingsstof’ dat op 7 december 1944 verscheen in het tijdschrift Città. “We hadden smerige vuurtjes en diners in kamers, waarvoor we pijnboompitten verzamelden langs de tuinhekken. We scheurden cichorei uit de arme velden van Verano. Die kon je, omdat de bladen dikker waren, makkelijk koken zonder kruiden. Er was geen water. Zonder water is de honger moeilijker te dragen. We zochten in plassen en de rivier, we liepen door de hagel, we riskeerden de dood na de avondklok.”

In ruim twintig jaar was het fascisme diep in de vezels van de Italianen gedrongen. Het was normaal geweest om fascist te zijn.

Masino en Bontempelli behoorden tot de gasten die op 11 juni bij Maria Bellonci kwamen. De gastvrouw had haar kamers versierd met wijnranken die ze een dag eerder van de muur van een klooster had geplukt. Ze had twee potten thee en de taarten op een theewagen gezet. Iedereen die de kamer binnenkwam, kreeg een kop thee in de hand gedrukt. Het leek een overvloedige ontvangst, maar het was een oorlogsfeestje. Zodra het kopje leeg was, schreef Bellonci in haar herinneringen, ‘nam een bedreven hand het weg en bracht het onmiddellijk naar de keuken, waste het af, droogde het af en zette het opnieuw op het tafeltje’. Zo was er voor iedere gast thee.

Masino en Bontempelli hadden zich tegen het fascisme verzet, maar de meeste aanwezigen deze middag hadden gewoon geleefd onder Mussolini. “Ze waren niet fascistisch geweest, maar ook niet anti-fascistisch,” zegt Stefano Petrocchi, beheerder van het huis en de erfenis van de Bellonci’s. Ik spreek hem in Casa Bellonci, de latere residentie van het echtpaar, twee straten verwijderd van de Viale Liegi. “In hun brieven en geschriften spraken ze over zichzelf, hun eigen leven, niet over politiek. Goffredo Bellonci, een begaafd politiek analist, had gedurende de jaren van het fascisme als journalist uitsluitend over cultuur geschreven.”

In de conversatie en de grappen van die zondagmiddag klonk opluchting door. “We waren bovengekomen na een avontuur dat zo ellendig en angstig was, dat het nog dicht onder onze huid zat,” schreef Maria Bellonci in haar herinneringen die later werden uitgegeven onder de titel Come un raconte... “We betrapten onszelf erop dat we lachten alsof we die kwellende jaren moesten goedmaken, met de onschuldige en nerveuze lach waarmee we de dagen van gevaar draaglijker hadden geprobeerd te maken, de dagen dat we verstopt zaten in onze lege huizen en elke slag op de deur voelde als een slag op de borst.”

Maar ook schuldgevoel geselde hun geweten. “Als ik de ruimte neem om die tijd te onderzoeken, besef ik dat de naoorlogse periode geen gelukkige tijd was,” schreef Bellonci, “ook al hing er een knetterende zindering omheen die je voor vrolijkheid zou kunnen houden en die dat deels ook was. Maar als je goed keek, zag je oefeningen in sarcasme waar soms spijt in doorklonk. Er was een voortdurende afwisseling van spanning en ontspanning, alsof je jezelf ervan moest overtuigen dat je uit de nachtmerrie was ontwaakt en dat je het misschien niet helemaal had verdiend om eruit te ontwaken.”

Italiaanse intellectuelen en hun zelfonderzoek. Maria Bellonci en haar vrienden maakten een gewoonte van deze zondagse ontmoetingen. Ze noemden zichzelf de Amici della Domenica, Vrienden van de Zondag. Bijna tachtig jaar later stuitte ik toevallig op dit intellectuele gezelschap, omdat ik onderzoek deed naar een van de gasten, een Nederlandse in Rome: Elly Brandts Buys. Zij is een van de personages uit mijn boek Alma’s dochters, over vier generaties getalenteerde vrouwen in een Nederlandse familie – het verscheen in 2022. 

Elly was opgegroeid in een gebroken gezin in Nederlands-Indië, in Nederland in de leer gegaan bij een fotograaf, in München in het interbellum opgeleid tot fotograaf. Ze verdiende haar eigen geld met modellenwerk en het maken van portretten. Ze werd verliefd op een Joodse jongen, die ze later haar grote liefde noemde, maar trouwde met een ander.

Het voorwerp dat het meeste over haar zegt, is haar paspoort. De zeven jaar tussen het eindexamen van de Handelsschool en haar huwelijk zijn één aaneengeregen reis door Europa. Twee overgeleverde paspoorten, tot de laatste pagina volgestempeld, haar brieven, foto’s en de verhalen die ik optekende uit de mond van haar nichtje Lili Veenman laten een rusteloze en avontuurlijke jonge vrouw zien. Het platinablonde haar, de fijne trekken – ‘een moeiteloze schoonheid’, zo herinnert Lili Veenman zich haar tante. “Ik vond alles aan haar mooi. In oorlogstijd kreeg ik haar afdragertjes. Een getailleerde jas, weet ik nog. Iedereen was arm, maar zij was elegant arm.” 

Door Lili, inmiddels 93 jaar, ben ik terechtgekomen bij haar voorouders, die alleen nog op papier, op foto’s en in haar herinnering bestaan. Ze woont een uurtje ten noordoosten van Rome. Haar omhelzing leidt me terug naar haar overgrootmoeder Alma, die eigen inkomsten had uit de royalty’s van de Indische romans die ze schreef. Lili heeft haar nog goed gekend als kind. Net als haar grootmoeder Elly, die de eerste vrouwelijke landbouwingenieur was in Nederland, maar berooid terugkeerde uit Indië na een mislukt huwelijk. Haar moeder Sylvia Brandts Buys, die in de jaren vijftig hoofdredacteur werd van de Haagse Post, terwijl haar echtgenoot mr. G.B.J. Hiltermann die titel opeiste in het colofon en haar bedroog met haar halfzus, met wie hij buiten zijn huwelijk met Sylvia kinderen kreeg. Over al die bijzondere vrouwen met hun ongelukkig gekozen mannen heeft Lili me de afgelopen jaren verteld. 

En over tante Elly, voor wie ik deze herfst nog eens speciaal naar Lili ben teruggekeerd. Haar lievelingstante, die zij volgde naar Rome, waar Lili zelf aan het Centro Sperimentale di Cinematografia regie studeerde en de eerste gediplomeerde vrouwelijke filmmaker van Nederland werd. Haar eerste baantje was regieassistent van Federico Fellini bij La dolce vita. “De lange treinreizen, de paspoorten, het studeren in het buitenland, ik kopieerde het leven van tante Elly,” zegt ze nu. 

In de zomer van 1938 ontmoette Elly Gino Tomajuoli in Belgrado. Een Italiaan in driedelig pak met een pencil moustache à la Clark Gable, correspondent Joegoslavië voor de Turijnse krant La Stampa. Hij was op slag verliefd op haar. Zij liet zich meetronen naar Venetië, waar hij vandaan kwam. Zijn vader was president van het Hooggerechtshof van Venetië en aanhanger van Mussolini. 

Uit briefjes van Elly’s zus Sylvia blijkt dat zij zich zorgen maakte over de fascistische sympathieën van Gino. “Gino was helemaal fout natuurlijk, vonden wij,” zegt Lili nu. “Maar hij was ook níet fout, want hij was de verloofde van Elly.”

De oorlog liep als een stippellijn door de familie Brandts Buys. Terwijl Elly in 1940 trouwde met Gino en naar Rome vertrok, wierp Sylvia zich in Amsterdam op de hulp aan Joodse onderduikers via de dokterspraktijk van haar eerste man Ad Veenman. In 1943 haalde ze met bravoure een Joodse vriend op uit kamp Westerbork. Gino Tomajuoli reisde intussen in 1942 als verslaggever mee met een Beiers infanteriebataljon naar het oostfront en kwam vast te zitten in Charkov, waar ze door de Russen werden teruggeslagen.

Gino overleefde de tegenaanval en de winter, en reisde via Leiden terug naar Rome, waar Elly en hij een flatje in de wijk Parioli betrokken. Een buurt voor de beter gesitueerden, advocaten, medisch specialisten, bankdirecteuren, hoogleraren, schrijvers en journalisten – ze woonden in de appartementenflats aan de grote boulevards met de fascistische architectuur. Villa Borghese was hun achtertuin. Het schrijverskoppel Elsa Morante en Alberto Moravia woonde er. Maria en Goffredo Bellonci hadden er hun appartement, Paola Masino en Massimo Bontempelli woonden in dezelfde straat.

“De Tomajuoli’s zijn via La Stampa-journalist Vittorio Gorresio met Maria Bellonci in contact gekomen,” zegt Stefano Petrocchi. Bellonci en haar Vrienden van de Zondag worstelden vrijwel allemaal met hun geweten. Misschien was het daarom dat zij op die 11de juni een zekere mildheid jegens elkaar in acht namen. Iedereen was immers onder de fascistische knoet in leven gebleven. Maar hoe kon Gino, die lid was geweest van de partij van Mussolini, hun harten hebben veroverd?

De moderne ziel streeft niet naar vooruitgang, een illusoir concept, maar naar een nieuwe en doeltreffende ethiek.

Johan Huizinga

In haar herinneringen beschrijft Bellonci de ‘koortsachtige vreugde om ieders ooggetuigenverslagen te horen’. Iedere gast vertelde zijn of haar oorlogsverhaal, Gino moet die middag over zijn ‘bekering’ hebben verteld. 

Het was het wonderbaarlijke verhaal van een Italiaanse journalist die in de Russische vrieskou van de winter van 1942 de Italiaanse vertaling las van In de schaduwen van morgen – Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd van de Nederlandse historicus Johan Huizinga. De restanten van zijn bataljon trokken zich terug en Gino werd ingekwartierd bij Leiden. 

Daar dacht hij terug aan wat hij noemde ‘de waanzin van de slag om Charkov’ en hij kreeg wroeging. Hij benaderde Huizinga, die in Leiden woonde, en vroeg of hij hem mocht interviewen over de beschaving die ‘dat jaar van de overweldigende overwinning van het leger van Hitler-Duitsland een ingewikkelde klit was geworden’. De historicus ontving de journalist begin april 1942.

“Ik kwam binnen in een warme werkkamer,” schreef Gino later, “niet groot, verlicht door een kristalhelder glazen raam, zo groot als de hele muur. Ik zag een oude heer tegen het raam staan, lang, licht gebogen en grijsharig. Met onverhoopte zekerheid ging ik hem tegemoet, maar ik was toch verbaasd dat dit dan het menselijke voorkomen van Huizinga was.”

Gino ging tegenover hem zitten en begon te biechten. ‘In dagen van wanhoop, tijdens Charkovs aftocht’ had hij de behoefte gevoeld Huizinga om hulp te vragen. “Tijdens de aftocht leek ik me verbonden te voelen met miljoenen en miljoenen mannen die op dat moment net als ik de behoefte hadden aan duidelijkheid, aan geloof, aan het uitdrukken van de vrijheid van de eigen geest, vrij van de zware nevelen van valse kennis.”

Huizinga luisterde met aandacht, sprak langzaam en bewoog af en toe zijn hand. “Hij zei dat hij niet verbaasd was dat juist een Italiaan dit probleem op deze manier stelde.” Waarom niet? Italië, zei Huizinga, was het enige Europese land in de oorlog geweest dat steeds de vertalingen van zijn boeken bleef herdrukken. Een teken van spirituele vitaliteit. De Italiaanse intelligentsia had een les getrokken uit de fascistische ervaring. “Ten eerste laten Italianen misschien zien dat er behoefte is aan nieuwe morele wetten,” zei Huizinga. “De moderne ziel streeft niet naar vooruitgang, een illusoir concept, zoals algemeen wordt aangenomen, maar naar een nieuwe en doeltreffende ethiek.”

1949, enkele Vrienden van de Zondag, waaronder Maria Bellonci, Alba De Céspedes, Aldo Palazzeschi, Anna Proclemer, Ennio Flaiano, in het Bellonci-huis

Huizinga concludeerde: “Er is geen redding buiten de weg van de beschaving en dat is een weg die stap voor stap moet worden afgelegd, onder leiding van de geest.” 

Gelouterd verliet Gino Tomajuoli Leiden en Nederland. Er was nog redding mogelijk, zei hij twee jaar later tegen de Vrienden van de Zondag, tussen de roomtaart en de chocoladetaart. De aanwezigen waren onder de indruk. Waarom publiceerde hij het verhaal niet in de verzetskrant Cosmopolita? Verscheidene vrienden hadden daar contacten. Op 19 augustus 1944 verscheen het in Cosmopolita onder de kop ‘Certezza di Huizinga’, De overtuiging van Huizinga.

Vijf van de vijftien vrienden die Maria Bellonci had uitgenodigd, waren vrouwen. De vrouwen van Rome, zo lang over het hoofd gezien en nu staken ze overal de kop op. In 1939, in het holst van de dictatuur van Mussolini, had Bellonci de historische roman Leven en tijd van Lucrezia Borgia gepubliceerd, over de buitenechtelijke dochter van renaissance-paus Alexander VI, die zich ontwikkelde tot mecenas van Ferrara, maar ook speelbal was van de machthebbers van haar tijd. 

De levens van sterke Italiaanse vrouwen uit de renaissance, Borgia, maar ook Isabella d’Este, die als hun echtgenoten ten strijde trokken, het bestuur van hun domeinen overnamen – ze hadden Maria geïnspireerd tot een daad van feminisme. “Maria raakte in de ban van Lucrezia,” zegt Stefano Petrocchi, die bezig is met de biografie van Bellonci. “Door zich te verdiepen in de levens van die vijftiende-eeuwse vrouwen, overwon ze een depressie waarmee zij in de jaren dertig kampte. De vrouwen gaven haar kracht om een nieuwe beweging te beginnen.”

Met de Vrienden van de Zondag richtte Bellonci een literaire prijs op als tegengif voor de desintegratie en verlamming die het fascisme en de oorlog hadden veroorzaakt. De Premio Strega, tot op de dag van vandaag een invloedrijke onderscheiding voor Italiaanse literatuur.

Oorlog gaf vrouwen een kans, zei Paola Masino. In Città schreef ze: “De straten van Rome begonnen ontvolkt te raken door mannen en bevolkt door nieuwe vrouwen. Vrouwen op wie we alleen maar hadden gehoopt, maar van wie we niet wisten of ze wel onder ons waren. Hoe meer tijd verstreek, hoe meer de vrouwen zichzelf en hun huizen verlieten om van de stad één hol te maken. De handen pakten, de ogen zochten, de voeten droegen. Maar het was niet genoeg: boodschappentassen en manden werden onze nieuwe attributen en onze bulten en buidels. Te voet reisden we als vogels voortdurend door stad en platteland om voedsel te vinden.”

De vijf aanwezige vrouwen, vriendinnen van Maria Bellonci, hadden tijdens de oorlog allemaal die kracht in zichzelf gevonden. De zusjes Masino hadden geschreven, Palma Bucarelli had als directeur van de Galleria Nazionale d’Arte Moderna in Rome de belangrijkste werken van het museum in veiligheid gebracht voor het oorlogsgeweld en de hebzucht van de Duitsers. Ze realiseerden zich dat het voortdurende aandacht en inzet kostte om die pasverworven invloed ook in vredestijd te behouden. 

In 1947 liet Maria Bellonci in de statuten van de Premio Strega opnemen dat de 170-koppige jury ten minste voor een derde uit vrouwen zou bestaan.

Bellonci betrok ook andere vriendinnen bij de zondagsclub: de schrijfsters Anna Banti en Alba de Céspedes, die sinds 1923 twee keer gevangen had gezeten, onder andere voor haar werk voor een illegaal radiostation. De Céspedes had in 1938 Nessuno torna indietro (Er is geen weg terug) geschreven over de sombere verwachtingen van een groep meisjes op een internaat. Banti schreef Artemisia, een biografie van de zeventiende-eeuwse schilder Artemisia Gentileschi.

Ze raakten bevriend met Elly Tomajuoli. Lili herinnert zich De Céspedes en Bellonci ontmoet te hebben bij Il Buchetto, een restaurant in de buurt van Piazza Navona, waar de vriendinnen – in mantelpakken met hoedjes op – porchetta, buikspekrollade, aten en bier dronken. Elly was vrijmoedig, zegt Lili, en vrolijk – “Ze las veel, ging naar concerten, bezat de gave tot bewonderen, had een formidabele stijl.
Dat maakte haar een aantrekkelijke metgezel. Ze heeft er verstandig aan gedaan niet met haar schrijvende vriendinnen te concurreren.” 

Maria Bellonci was op haar hoede dat mannen niet de jury van de Premio Strega zouden overheersen. In haar herinneringen schreef ze over de zondagse ontmoetingen: “De komst van iedere vriend werd becommentarieerd met blikken die wij onderling uitwisselden, mijn vriendinnen en ik, om elkaar te waarschuwen.” Zodra de naoorlogse omstandigheden zouden veranderen, wisten ze dat de mannen de dominante plekken weer zouden innemen. 

Maria Bellonci

In 1946 kregen vrouwen in Italië stemrecht, in 1947 liet Bellonci in de statuten van de prijs opnemen dat de 170-koppige jury ten minste voor een derde uit vrouwen zou bestaan. Zo werd de Premio Strega een emancipatiemachine.

Toch blijft het moeilijk vrouwen genomineerd te krijgen, verzuchtte de oprichtster vaak. In de 76 jaar dat de Premio Strega is uitgereikt, ging die twaalf keer naar een vrouw. Vergeleken met het aantal vrouwelijke winnaars van de Prix Goncourt is dat veel: de in 1908 opgerichte Franse literaire prijs werd in 115 jaar slechts dertien keer door een vrouw gewonnen. 

Wij vrouwen zijn zacht, schreef Bellonci op 24 november 1948 aan haar vriendin Paola Masino. “Mijn lieve kind. Ik weet niet waarom je mij van een afstandje zo klein voorkomt; en ik weet dat jij zo moedig bent dat je veel dingen meemaakt. En toch ben je een blond kindje dat teder doet, jij bovenstebeste, jij sterke vrouw. Maar misschien zijn het juist de sterke vrouwen die meer tederheid aan de dag leggen omdat alle dolken op hun hart gericht zijn – alsof ze magnetisch zijn, hè? Ja dat is zo, wij weten het.”

In 1986 won Maria Bellonci de Premio Strega zelf – postuum.

Met uw donatie steunt u de onafhankelijke journalistiek van HP/De Tijd. Word donateur of word lid, al vanaf €5 per maand.