Spring naar de content

Van Amerongen werpt zich op als voorzitter van Ongehoord Nederland

Arthur van Amerongen is volgens Emma Gosses phallogocentrisch, heteronormatief en akelig white privileged. Dat las hij in haar proefschrift, dat volledig gewijd is aan zijn columns.

Gepubliceerd op:
Geschreven door: Arthur van Amerongen

Ik googel een paar keer per dag mijn naam, puur uit ijdelheid en verveling. In het beste geval stuit ik op mijn getranscribeerde hersenscheten, nooit is er een verrassing.

Maar gisteravond was het bingo want ik blijk het onderwerp te zijn van het proefschrift van Emma Gosses, een academica uit de cercle rond Martijn de Koning, Leo Lucassen, Linda Duits en Peter Breedveld.

Er wordt al drie maanden een felle discussie gevoerd over mijn persoontje, in het Engels en in het Nederlands. 

Ik vermoed dat duistere krachten als professor Gloria Wekker en Seada Nourhussen, de bevallige hoofdredactrice van OneWorld de polemiek hebben aangezwengeld maar alles begint bij de these van Emma Gosses’ dissertatie.

To study the dynamics in the alleged ‘crisis of masculinity’ through a case-study, this contribution makes a posture analysis of columnist Arthur van Amerongen. By exploring his posture and the field that speaks from it, it becomes clear how mechanisms such as sexual nationalism, masculinnocence, and recurring anti-feminism tropes give shape to masculinity. Van Amerongen performs a victimized hegemonic white masculinity: he embodies the type of dominant masculinity, but claims to have lost the hegemonic position in the gender hierarchy. Coming from a heteronormative, phallogocentric worldview, he portrays a domination over white masculinity by third wave feminism that favours potentially dangerous cultural and religious diversity. When speaking of topics regarding boundaries, sex, gender, or other ethnicities, his posture is repeatedly ambiguous. This use of detours to attain masculinity underscores the professed shift in the gender hegemony.

Ik heb de these van Emma Gosses bewust niet vertaald want mijn trouwe lezers kennen het begrippenapparaat als hun broekzak. De gebruikte termen, vaak geleend van Jacques Derrida, worden te pas en te onpas gebruikt in de verkiezingsfolders van GroenLinks, D66 en Bij1, DENK en NIDA (het Rotterdamse zusje van Hamas).

Boven mijn jongensledikant hangt een tegel met het motto van mijn jeugdheld Oscar Wilde: The only thing worse than being talked about is not being talked about.

Ik heb een olifantshuid en alles glijdt van mij af, als een spiegelei uit een Teflon-koekenpannetje, maar ik voel mij behoorlijk gekwetst door Emma Gosses. Woorden doen wel degelijk pijn.

Zo ben ik niet op de hoogte van mijn ‘crisis of masculinity’. Ik fap naar hartenlust, ren twee keer per dag met de honden over het strand en ben gelukkiger dan ooit, in de Algarve.

‘Sexual nationalism’ is onzin want ik woon al een derde van mijn leven in de buitenlanden, ben fel tegen het Bloed en Bodem-gedachtegoed en iedere vorm van nationalisme is mij vreemd.

‘Victimized hegemonic white masculinity’ vind ik ook al zo raar: ik voel mij helemaal geen slachtoffer, al heb ik wel steeds vaker last van mijn hegemonie. Toch maar even bij de SOA-kliniek in Faro aanwippen.

Ik voel mij helemaal geen slachtoffer, al heb ik wel steeds vaker last van mijn hegemonie.

‘Phallogocentric worldview’ lijkt mij een staaltje van klassieke penisnijd bij juffrouw Gosses: ik kan de wereld toch moeilijk duiden door mijn kut want die heb ik niet. Ja, van achteren maar dan zonder klit, al kan de prostaat mits kundig gemolken natuurlijk ook een orgasme-achtig gevoel opwekken. Ach, mijn goede vriend Derrida schreef het toch: kut, lul en poepgat zijn sociale constructies.

Ik werd steeds verdrietiger tijdens het analyseren van het proefschrift van Gosses want ik kon mij totaal niet vinden in het beeld dat ze van mij schetst.

Ik ben een van de liefste mensen op de wereld; vrouwen, homofielen, honden en kinderen zijn dol op mij, ik leef als een kluizenaar in een woest natuurgebied en mijn enige zondes zijn drank, eten, sigaretten, wietolie, crack (met mate) en mensen plagen op Twitter.

Ik ging doorgooglen op mijn naam en op die van Emma Gosses en vond toen een schitterende steunbetuiging in het vooraanstaande tijdschrift Neerlandistiek, nota bene van prof. dr. J.H.T. Joosten, sinds 1 februari 2006 hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

U moet dit  vertoog maar op uw gemakske nalezen maar ik heb er toch een paar krentjes uitgevist.

“Gosses analyseert voornamelijk Van Amerongen’s briljante columns, een genre dat bestaat bij de gratie van een focus op stijl, en verder gekenmerkt wordt door uitvergroting, ironie, tegendraadsheid, zelfspot en in het beste geval ongrijpbaarheid.

Dat genre vraagt vanuit zijn eigen aard om een subtielere analyse dan de botte bijl van het letterlijke lezen. Een column is pas de moeite waard als Arthur van Amerongen de strijd aangaat met de doxa, met de onbereflecteerde machtsverhoudingen die zijn zoals ze zijn, zoals Barthes die definieerde in Roland Barthes door Roland Barthes: ‘de publieke Opinie, de Geest van de meerderheid, de kleinburgerlijke consensus, de Stem van het Natuurlijke, het Geweld van het Vooroordeel’.

Fascinerend
Het lijkt er op dat Van Amerongen zich in zijn columns gepast van zijn taak kwijt. Dat zich als reactie daarop de reductionistisch-conservatieve, dogmatische reflex manifesteert van waaruit Gosses haar artikel schreef, mag beschouwd worden als een enorm compliment voor de columnist. Voor de literatuurwetenschap en voor columnist, dichter, essayist en romancier Arthur van Amerongen in het bijzonder, is dat een vrolijk stemmende kwestie.

Het idee dat literatuur een buiten elke waarneembaarheid vaststaande, autonome waarde heeft is allang als onhoudbaar terzijde geschoven. Er staan andere zaken op het spel, institutioneel en ideologisch. En het is bij uitstek de taak van de literatuurwetenschap om die processen zorgvuldig te analyseren en te bestuderen. Maar het is de omgekeerde wereld om schrijvers langs een al bij voorbaat uitgerold moreel meetlint te leggen, zeker als daarbij geen enkele verdiscontering plaatsvindt van kwesties als stijl, vormgeving, bewuste en onbewuste ambiguïteiten, veldpositie en er ook geen enkele aandacht is voor receptie bij reële, geïntendeerde of impliciete lezers. Kortom al die kwesties die tezamen het fascinerende fenomeen construeren dat literatuur genoemd wordt.

Ik heb professor Joosten zojuist een mooie kist Portugese sigaren en een kruik medronho uit een goed jaar gestuurd want mijn goede naam en faam zijn gered door zijn schitterende polemiek aan het adres van Emma Gosses.

Wel besefte ik dat ik (Emma Gosses: Het wereldbeeld dat zijn postuur produceert is phallogocentrisch, zijn discours is gestoeld op heteronormativiteit en Van Amerongen geniet van de privileges van een witte huidskleur) het steeds zwaarder krijg als hardwerkende blanke man, gepokt en gemazeld in en door de joodsch-gristelijke traditie.

De Emma Gosses van deze wereld zagen de poten onder mijn troon weg. Mijn laatste strohalm is de nieuwe omroep Ongehoord Nederland.

Ik ben met mijn postuur (93 kilo schoon aan de haak) de aangewezen persoon om Ongehoord Nederland te gaan leiden. De sollicitatiebrief naar mijn goede vriend en collega Arnold Karskens is de deur uit.

En nu ga ik eerst hard huilen – nog bedankt, Emma – en troost zoeken bij Karel van het Reve en zijn geniale essay Literatuurwetenschap: het raadsel der onleesbaarheid.