Ruimtevreters

Toegegeven, het is een fantastische uitvinding: de koffer of reistas op wieltjes met het uitschuifbare handvat. Zelf heb ik er ook een. Jezelf verplaatsen met bagage wordt zoveel comfortabeler. Handig voor stedentrips! Maar het voordeel van het individu is het nadeel van het collectief. Op stations lopen steeds meer mensen met hun tweewielige bagage in hun kielzog. De ruimte die een individu met aanhang aldus inneemt, wordt meer dan verdubbeld. De massa die een trein verlaat dijt uit, en iemand die haast heeft vindt voortdurend traag bewegende obstakels op zijn weg. Je passeert nu eenmaal makkelijker iemand die een koffer draagt, dat wil zeggen naast zich houdt, dan iemand die er een achter zich aan sleept. Een cultuur waarin bagage op wieltjes wordt vervoerd is anders dan een cultuur waarin mensen een kruik op hun hoofd transporteren.

Toen ik erop ging letten, vielen mij steeds meer voorbeelden van ruimtevretende ego-extensies in het openbaar op: mensen die er niet alleen als lichaam rondlopen, eventueel met een plastic draagzakje of een aktetas, maar voorzien van uitsteeksels, waarmee ze hun aanwezigheid meer gewicht geven en anderen verdringen. De opgestoken paraplu is natuurlijk een klassieker, wat hem in een drukke menigte overigens niet minder irritant maakt, maar verder zien we de aangegespte rugzak waarmee in volle trams onwillekeurig stompen worden uitgedeeld als de drager ervan zich omdraait.

Kleine kinderen vormen een aanhangsel van de ouder die erop let. In winkels en op straat duwen moeders enorme bugaboos rond, breed van onderen met bergruimte voor een krat bier, taps toelopend naar boven, waar op een soort plateautje een minuscule baby ligt, het geheel overkapt met een gigantische doorzichtige plastic tent. De bugaboo schijnt zo ontworpen te zijn dat je ermee kunt joggen, een in mijn ogen volstrekt nutteloze functie. Welke jonge moeder haalt het in haar hoofd om te gaan hardlopen terwijl ze een kinderwagen voortduwt, hoe vederlicht die ook mag zijn? Ook populair zijn verlengde kinderwagens, waarin twee spruiten tegelijk passen, waarvan één op een sta-plankje. De sector kindertransport is hoe dan ook een ruimtevreter. De aloude fiets met kinderzitje voor en achter verdwijnt uit het verkeer en is vervangen door een, vaak overkapte, bakfiets met plaats voor vier kinderen tegelijk.

Bakfietsen worden op de stoep geparkeerd, evenals de wanstaltige opgeblazen scooters waarmee jongeren en makelaars zich bij voorkeur verplaatsen. Gewoon fietsen gebeurt ook nog, vaak met een krat voorop gemonteerd, zodat de twee belendende plaatsen in het fietsenrek onbereikbaar worden. Maar een plaatsje is toch al niet te vinden, omdat een derde tot de helft van de publieke grotestadsfietsenrekken permanent in beslag is genomen door in de steek gelaten fietswrakken.


Niets ten nadele van oudjes achter rollators, scootmobielen en andere gemotoriseerde invalidenwagentjes – zelf duw ik ook met enige regelmaat een brancardachtige rolstoel voort, en ik ben de laatste om gehandicapten hun mobiliteit te ontzeggen – maar al dat rollend materieel verhevigt wel iemands aanwezigheid in de openbare ruimte. Je kunt er minder makkelijk omheen. Wat ook geldt voor mensen met verlengde elastische hondenriemen, waardoor het oppervlak van de zich voortbewegende twee-eenheid mens-hond ineens wel tien vierkante meter in beslag neemt in plaats van de gebruikelijke anderhalf.

Al deze voorbeelden zijn onvermijdelijkheden waar je moeilijk als zodanig op tegen kunt zijn. Net zomin kun je van andermans obesitas (ook een vorm van zelf-extensie) zeggen dat je er last van hebt of aanstoot aan neemt. Mensen moeten elkaar verdragen in de openbare ruimte, en zo de zelf-extensies niet uit pure nood geboren zijn, dienen ze in ieder geval het particulier comfort. Maar het blijven onmiskenbaar obstakels, en de toename van dit welbegrepen eigenbelang stemt me pessimistisch over de aanstaande klimaatconferentie van Kopenhagen. Daar wordt vergaderd over het lot van onze nazaten, mensen die nog geboren moeten worden. De bedoeling is dat de huidige mensheid minder CO2 gaat uitstoten, zodat ook voor de ongeborenen de aarde nog leefbaar blijft. Het idee dat de mensheid een dergelijke loyaliteit en solidariteit met toekomstige generaties aan de dag zal leggen terwijl eigenlijk zelden iemand een stapje terug doet voor de levende mensen om zich heen, lijkt me op een of andere manier weinig realistisch.

import beatrijs ritsema