Wieden op de Wadden

Om het duinlandschap in stand te houden, moet de vegetatie stevig worden ingetoomd. Weg dus met wilgen, berken en elzen. ‘Mijn vrouw en ik noemen dat duinieren.’

Wie André van Duin verwacht, heeft de oproep niet goed gelezen. We gaan deze ochtend niet bekkentrekken, maar berkentrekken.

Eens per maand zoekt de vereniging Natuurmonumenten een aantal, zoals dat zo mooi heet, enthousiaste vrijwilligers, die ’s ochtends vroeg op Schiermonnikoog willen helpen berkentrekken. Bij het berkentrekken, het woord zegt het eigenlijk al, wordt aan berken getrokken – net zolang tot ze met wortel en al aan de oppervlakte liggen. En omdat zulks onder de vlag van Natuurmonumenten geschiedt, kunt u ervan uitgaan dat het niets met vandalisme te maken heeft. Sterker: het dient een hoger doel – en is dientengevolge dan ook niet te vergelijken met de jaarlijkse kerstbomenmoord.

Terwijl een ferme decemberbries het ene oor in en het andere oor uit gaat, druk ik Cynthia Borras de hand. Cynthia (27) is sinds drie jaar boswachter op het kleinste bewoonde Waddeneiland dat we hebben. En dat is opmerkelijk, want ze is zelf afkomstig uit Frankrijk. Cynthia studeerde biologie in Lille en kwam voor haar stage terecht op Schiermonnikoog, dat, zoals bekend, een lepelaarssamenwerkingsverband heeft met het Franse Picardië. “Ik ben onmiddellijk verliefd geworden op het eiland,” zegt ze, met het accent van een Nederlandse actrice die een Française nadoet. Sindsdien voelt ze telkens als ze in La Douce France is, een hevig verlangen naar de Kobbeduinen en het Westerstrand. Cynthia, kortom, is verknocht aan het eiland. En wat je liefhebt, dat koester je.

Onderdeel van dat koesteren is het berkentrekken. Hard nodig om het duinlandschap in stand te houden. Want die duinen, vertelt Cynthia, dreigen in rap tempo dicht te groeien. Door een mix van verschillende oorzaken, zoals de aanvoer van meststoffen en het verdwijnen van het duinkonijn, hebben bomen als de berk vrij spel. Als de mens niet ingrijpt, is het duinlandschap binnen de kortste tijd overwoekerd door wildgroei. En hoe dat eruitziet, kun je aflezen aan het gezicht van Wim Penning, berkentrekker van het allereerste uur, in wiens overdadige gezichtsbeharing nog net twee kraaloogjes zichtbaar zijn. Hoewel het de oud-biologieleraar niet misstaat, is het niet de manier waarop Schiermonnikoog zich wil presenteren. Zonder ingrijpen van buitenaf zou de veelbezongen blanke top der duinen over een x-aantal jaren weleens helemaal grijs kunnen zijn. Dat nooit! De berkentrekkers trekken derhalve ten strijde tegen de vergrijzing van het eiland. Noodzakelijk, want als het duinlandschap plaatsmaakt voor een berkenbos, veranderen ook flora en fauna – en dat is niet de bedoeling.


Neem een uniek plantje als het rozenkransje. Nu al groeit het alleen nog maar op Schier en in het Noord-Hollandse Bergen. “Ook wel in Havelte,” piept Penning van onder het struikgewas tussen neus en lippen, “maar dat is maar één geslacht. Daar bloeit alles tevergeefs.” Een sympathiek vogeltje als de roodborsttapuit is ook al verdwenen, weet de oer-berkentrekker. “Die wil open terrein.” Als we geen actie ondernemen, beweert Penning, dan zouden de duinen op Schiermonnikoog bossen worden. “En die hebben we al – in Drenthe.”

En zo verzamelt het actiecomité Stop de Vergrijzing, dat zich persoonlijk overigens niet aan dat credo houdt, zich op een mooie donderdagochtend in december in het Bezoekerscentrum van Schier, in de slagschaduw van een der beide vuurtorens. De overwegend gepensioneerde vrijwilligers vernemen er uit de Franse mond van Cynthia welk stukje flora vandaag zal ondervinden dat met berkentrekkers niet valt te spotten. Het gaat om de Kapenglop, een kleine duinvallei achter het Lieuwe Trientjepad, en opmerkelijk genoeg betreft het ditmaal geen berk, maar een wilg. Berkentrekken wordt voor één keer wilgenzagen – maar een beetje natuurvriend laat zich daardoor niet uit het veld slaan.

René Boelen, gepensioneerd huidarts en afwisselend woonachtig op een aak in de Amsterdamse Prinsengracht en in een ‘recreatie-B-woning’ op Schiermonnikoog, ís zo’n natuurvriend. “Samen met mijn vrouw heb ik een stuk van de Kapenglop geadopteerd. Los van de groep pakken wij daar de uitzaaiingen van berken en elzen aan. Mijn vrouw en ik noemen dat duinieren.” Natuurmonumenten kan hem pas sinds kort bekoren. “Ik vond het altijd maar een arrogant gebeuren. Maar tegenwoordig is er tenminste een klankbordgroep die feedback geeft.” Het duinieren heeft in elk geval al z’n vruchten afgeworpen, laat echtgenote Tera, oud-orthopedagoge, middels een prachtige volzin weten. “De dopheide en de zonnedauw zijn door onze inspanningen weer in volle bloei aanwezig.” De huidarts: “Kiekendieven zijn ook gebaat bij een open duingebied. Heb je weleens een prooioverdracht van die vogels gezien? Je weet niet wat je meemaakt. Ik heb ze eens hoog in de lucht een konijntje zien overgeven, niet te geloven. Ja, never a dull moment, here!”


Maar vandaag is het dus een wilg die moet worden omsingeld, aangevallen en geëlimineerd. Vervoer naar het strijdperk gebeurt – uiteraard – per fiets. En zo pedaleert een tiental berkentrekkers door een straffe noordenwind naar de Kapenglop, waar de op voorhand kansloze tegenstander wacht: een fors uitgewaaierde bosschage in een kleine, natte geul. Denk aan een pornoplaatje van eind jaren zestig, begin jaren zeventig.

De natte plek blijkt door interventie van de mens tot stand te zijn gekomen. In de gortdroge zomer van 1976, weet Wim Penning te vertellen, is ze aangelegd als drinkplaats voor fazanten. Die vervolgens door jagers werden afgeknald. Penning legt uit dat alle takken van de wilg die de grond hebben geraakt weer nieuwe uitlopers hebben gemaakt, zodat letterlijk sprake is van wildgroei. Dat het eindresultaat eigenlijk best mooi is, wil er bij de berkentrekkers niet in: de wilg gaat eraan! En al snel wordt het fluiten van de wind overstemd door het zingen der zagen.

Dat de bomen hier zo hard groeien, vertelt Cynthia, terwijl ze een paar zweetdruppeltjes van haar voorhoofd veegt, komt door de dépt d’azote, in een minder zwoel taalgebied stikstofneerslag geheten. “We hebben hier last van een té vruchtbare grond. Daarom zie je hier ook geen orchideeën; die groeien alleen op arme grond.”

“Maar als er humus in de grond zit ben je gesjochten!” roept Penning al zagend.

“We hebben altijd mensen nodig voor deze klus,” vervolgt Cynthia, die haar bescheiden boswachterssalaris aanvult met serveerwerk in de plaatselijke pizzeria. “Gelukkig melden zich veel vrijwilligers, maar dat zijn bijna allemaal mensen van buitenaf. Echte eilanders, de mensen die altijd zeuren dat ze hun ‘witte duinen’ zo missen, zie ik nooit. En dat valt me eerlijk gezegd wel tegen.”


“Wat een humus, zeg!!” gilt Penning op de achtergrond, driftig spittend.

“Als groep doen we dit nu zo’n twee jaar,” gaat Cynthia verder. “Daarvoor werd het door scholen gedaan. Dat was een uitje.”

“Zeg meneer de journalist, geen zin om mee te zagen?” vraagt de gewezen, rood aangelopen huidarts dan. En omdat je geen spelbreker wilt zijn, sta je even later in weerwil van je eerdere liefdesverklaring brandhout te maken van die o zo mooie wilg. Boswachter Cees Soepboer – die naam staat werkelijk in zijn paspoort – verhaalt tussen het zagen en hakken door over het juttersleven dat ook anno 2009 in deze contreien nog de gemoederen bezighoudt. Zo vond hij na een recente storm een container vol inktpatronen. Daar had hij dus ‘helemaal niks’ aan, want: “De printers waren allemaal aangespoeld op Ameland.”

Na een uur intensief zagen is het tijd voor koffie met een kokosmakroon. Daarna gaat het sloopwerk onverminderd door. En tweeënhalf uur nadat de eerste zaag zijn tanden in het wilgenhout zette, rest van de eens zo trotse boom nog slechts een verzameling stronken. De losgezaagde takken en twijgen rusten elders, op een stapel die net zo groot is als de oorspronkelijke boom. Zodat het lijkt alsof de wilg deze ochtend alleen maar tien meter is verplaatst. Maar, zo verzekert Cynthia, al het losse hout verdwijnt een paar dagen later in de versnipperaar. De geamputeerde boom wacht volgend jaar hetzelfde lot – mits er voldoende geld voorhanden is. Tot die tijd worden de stronken liefdevol verzorgd.

En dan stappen de berkentrekkers weer op hun stalen ros. Operatie-wilg zit erop en wat rest is de beloning, in de vorm van een bak erwtensoep met roggebrood en spek in de sfeervolle ambiance van hotel-restaurant Duinzicht. Dat zonder hun inspanningen dus Berkzicht zou hebben geheten.

Michiel Blijboom